BAC2023-13407
Publicatiedatum 03-02-2026
Advies van de Bezwaarschriftenadviescommissie hersteloperatie toeslagen
Aan: Belastingdienst/Uitvoeringsorganisatie Herstel Toeslagen (hierna: UHT)
Betreft: het bezwaarschrift van belanghebbende
Primair besluit: 6 april 2023 (UHT-DCHA)
Hoorzitting: 1 mei 2025
Overdracht advies aan UHT: 27 mei 2025
Samenvatting
De Bezwaarschriftenadviescommissie (hierna: de Commissie) adviseert UHT om het bezwaarschrift ongegrond te verklaren, het bestreden besluit in
stand te laten en het verzoek tot toekenning van een vergoeding voor de kosten van deze bezwaarprocedure af te wijzen.
Onderwerp van advies
Het door gemachtigde namens belanghebbende ingediende bezwaarschrift is gericht tegen de door UHT genomen definitieve beschikking compensatie kinderopvangtoeslag.
Aan belanghebbende is bij de bestreden beschikking met toepassing van de Wet hersteloperatie toeslagen (hierna: Wht) geen compensatie toegekend voor de jaren 2010, 2011, 2015 en 2016.
Procesverloop
- Belanghebbende heeft op 6 januari 2021 verzocht om herbeoordeling van de kinderopvangtoeslag (hierna: KOT) over de jaren 2009 tot en met 2011. Nadien is dit verzoek in overleg met belanghebbende uitgebreid met de toeslagjaren 2015 en 2016 en is al dan niet in overleg met belanghebbende besloten om het jaar 2009 niet te beoordelen.
- UHT heeft bij beschikking van 30 april 2021 aan belanghebbende medegedeeld dat zij niet in aanmerking komt voor betaling van € 30.000,-.
- De Commissie van Wijzen (hierna: CvW) heeft haar beoordeling van het verzoek van belanghebbende op 23 maart 2023 aan UHT toegestuurd. CvW heeft geadviseerd dat ter zake van de betrokken jaren geen sprake is geweest van institutionele vooringenomenheid of bijzondere omstandigheden.
- UHT heeft bij bestreden beschikking aan belanghebbende medegedeeld dat zij geen recht heeft op compensatie voor de jaren 2010, 2011, 2015 en 2016.
- Gemachtigde heeft op 10 mei 2023 tegen deze beschikking een bezwaarschrift ingediend.
- Gemachtigde heeft bij brief van 19 maart 2024 het bezwaarschrift aangevuld.
- UHT heeft op 27 juni 2024 schriftelijk gereageerd op het (aanvullende) bezwaarschrift.
- Op 1 mei 2025 heeft een hoorzitting plaatsgevonden. Van de hoorzitting is een verslag gemaakt, dat achter dit advies is gevoegd.
- Bij e-mail van 1 mei 2025 heeft gemachtigde een aanvullende productie overgelegd.
- Dit advies wordt uitgebracht door de voorzitter, eerste commissielid, tweede commissielid.
Ontvankelijkheid en algemene opmerkingen
Niet in geschil is dat het bezwaar ontvankelijk is.
Overwegingen ten aanzien van de bezwaren en het bestreden besluit
Onvolledig dossier
Belanghebbende stelt dat het bezwaardossier onvolledig is. De Commissie volgt dit standpunt van belanghebbende niet. De schriftelijke beschouwing en de op de zaak betrekking hebbende stukken zijn op 19 maart 2025 aan gemachtigde toegezonden. De Commissie heeft geen aanknopingspunten gevonden om aan te nemen dat hier niet is voldaan aan de in artikel 7:4 lid 2 Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) neergelegde verplichting om alle op de zaak betrekking hebbende stukken ter inzage te leggen. De Commissie adviseert UHT daarom om dit onderdeel van het bezwaar ongegrond te verklaren.
Onherroepelijke vaststellingsbeschikkingen
Belanghebbende stelt dat het bezwaardossier en de beschikkingen vol met fouten zitten. Volgens haar kloppen de data betreffende het fiscaal partnerschap van haar en haar ex-partner niet, evenals de periode van het gebruik van de KOT door ieder van hen. De Commissie overweegt dat de Wht is bedoeld voor herstel van vooringenomen handelen, hardheid of een onterechte O/GS-kwalificatie en niet ziet op de herziening van definitieve KOT beschikkingen. Belanghebbende verzoekt onder meer om een aanpassing van de hoogte van de KOT over de toeslagjaren 2010, 2011, 2015 en 2016 zoals deze indertijd definitief is vastgesteld. Het opnieuw beoordelen van de hoogte van de destijds toegekende KOT, valt buiten de reikwijdte van de Wht. De Commissie adviseert UHT daarom om dit onderdeel van het bezwaar ongegrond te verklaren.
Toeslagjaren 2007 tot en met 2009
Belanghebbende stelt zich op het standpunt dat de toeslagjaren 2007 tot en met 2009 ook beoordeeld hadden moeten worden.
De Commissie stelt vast dat het verzoek om herbeoordeling van belanghebbende aanvankelijk alleen zag op de toeslagjaren 2009 tot en met 2011. De PZB heeft het verzoek vervolgens na een gesprek met belanghebbende uitgebreid met de toeslagjaren 2015 en 2016 en de beoordeling van het toeslagjaar 2009 laten vervallen. In dat licht kan niet worden geconcludeerd dat UHT nagelaten heeft de toeslagjaren 2007 tot en met 2009 in de herbeoordeling te betrekken. De Commissie heeft goede nota genomen van de ter zitting gedane toezegging van UHT om deze toeslagjaren als aanvullend verzoek in herbeoordeling te nemen. Nu deze werkwijze geen beperking van rechtsmiddelen voor belanghebbende met zich meebrengt, houdt de Commissie onderhavige bezwaarprocedure niet aan in afwachting van die beoordeling.
(Geen) opvang na februari 2015
Belanghebbende stelt dat zij ten onrechte geen KOT heeft gekregen na februari 2015 terwijl er wel opvang heeft plaatsgevonden en vraagt om een verduidelijking met betrekking tot de verlaging van de KOT voor 2015 van € 7.142 (in de voorschotbeschikking van 27 december 2014 naar € 1.153 (in de definitieve beschikking van 10 augustus 2018).
De Commissie overweegt dat niet aannemelijk is geworden dat bij de toekenning, aanpassing of terugvordering van de KOT voor het toeslagjaar 2015 sprake is geweest van institutioneel vooringenomen handelen door de B/T dan wel hardheid van het stelsel. Uit het bezwaardossier blijkt dat de terugvorderingen KOT over het toeslagjaar 2005 waren gelegen in een te hoog voorschot, dat op basis van reguliere wijzigingen opnieuw is berekend. Op 27 december 2014 werd het voorschot vastgesteld op € 7.142. Vervolgens vond op 21 februari 2015 een neerwaartse bijstelling plaats en werd de KOT herberekend op € 1.990. Deze aanpassing was het gevolg van het feit dat belanghebbende op 28 januari 2015 via het digitale burgerportaal de KOT per 1 maart 2015 zelf had stopgezet. Op 12 augustus 2016 volgde een tweede neerwaartse bijstelling naar € 1.079, als gevolg van een stijging in het toetsingsinkomen. Tot slot werd op 10 augustus 2018 een opwaartse bijstelling doorgevoerd. Ten gevolge van een daling van het toetsingsinkomen werd de KOT definitief vastgesteld op € 1.153.
De bovengenoemde bijstellingen zijn naar het oordeel van de Commissie conform de wet uitgevoerd. Belanghebbende wordt niet gevolgd in haar stelling dat zij de KOT niet heeft stopgezet met ingang van 1 maart 2005. Als producties 35 en 36 heeft UHT een kopie in het geding gebracht van de vastlegging van de stopzetting door belanghebbende en het bijbehorende XML bestand. Er mag daarom van worden uitgegaan dat belanghebbende de KOT met ingang van 1 maart 2015 heeft beëindigd, zoals B/T destijds ook heeft gedaan. Reguliere bijstellingen geven in beginsel geen aanspraak op een zogenoemde hardheidstegemoetkoming. De Commissie heeft geen aanknopingspunten gevonden om hier ten aanzien van belanghebbende anders te oordelen. De Commissie adviseert UHT daarom om dit onderdeel van het bezwaar ongegrond te verklaren.
Volgens belanghebbende heeft zij ten onrechte op de FSV lijst heet gestaan. UHT heeft geen schermafdruk overgelegd, waaruit blijkt, dat belanghebbende niet voorkomt op de FSV-lijst. De Commissie overweegt dat UHT mag uitgaan van de juistheid van de schermafdruk en adviseert dit onderdeel van het bezwaar ongegrond te verklaren.
Belanghebbende heeft verzocht om een proceskostenveroordeling conform het Besluit proceskosten bestuursrecht. Aangezien het bezwaar naar het oordeel van de Commissie ongegrond is, adviseert de Commissie belanghebbende geen proceskosten toe te kennen.
Conclusie
Samengevat adviseert de Commissie om het bezwaar ongegrond te verklaren, het bestreden besluit in stand te laten en het verzoek een proceskostenvergoeding toe te kennen, af te wijzen.
Secretaris
Fungerend voorzitter