BAC 2025-16919
Publicatiedatum 04-08-2026
Advies van de Bezwaarschriftenadviescommissie hersteloperatie toeslagen
Aan: Belastingdienst/Uitvoeringsorganisatie Herstel Toeslagen (hierna: UHT)
Betreft: het bezwaarschrift van belanghebbende
Primair besluit: 11 juni 2024 (UHT-DCHO)
Hoorzitting: 6 mei 2026
Overdracht advies aan UHT: 21 mei 2026
Samenvatting
De Bezwaarschriftenadviescommissie (hierna: de Commissie) adviseert UHT om het bezwaar gedeeltelijk gegrond te verklaren.
Onderwerp van advies
Het door gemachtigde namens belanghebbende ingediende bezwaarschrift is gericht tegen de door UHT genomen definitieve beschikking kinderopvangtoeslag (hierna: het bestreden besluit).
Aan belanghebbende is met toepassing van de Wet hersteloperatie toeslagen (hierna: Wht) compensatie toegekend voor een bedrag van € 101.786,- voor de jaren 2008, 2009 en 2011 en geen compensatie toegekend voor het jaar 2012.
Procesverloop
- Belanghebbende heeft op 22 juli 2021 verzocht om een herbeoordeling van de kinderopvangtoeslag (hierna: KOT).
- UHT heeft bij het bestreden besluit aan belanghebbende een compensatie toegekend voor een bedrag van € 101.786,- voor de jaren 2008, 2009 en 2011 en geen compensatie toegekend voor het jaar 2012.
- Gemachtigde heeft bij brief van 27 juni 2024, ingekomen op dezelfde datum, tegen dit besluit een bezwaarschrift ingediend.
- Gemachtigde heeft bij brief van 24 januari 2025 het bezwaar aangevuld.
- UHT heeft op 17 april 2025 schriftelijk gereageerd op het bezwaar.
- Gemachtigde heeft bij brief van 22 april 2026 het bezwaar aangevuld.
- UHT heeft op 1 mei 2026 nader schriftelijk gereageerd op het bezwaar.
- Gemachtigde heeft bij brief van 4 mei 2026 gereageerd op de reactie van UHT van 1 mei 2026.
- Op 6 mei 2026 heeft een hoorzitting plaatsgevonden. Van de hoorzitting is een verslag gemaakt, dat achter het advies is gevoegd.
- Dit advies wordt uitgebracht door de voorzitter en twee commissieleden.
Ontvankelijkheid
Niet in geschil is dat het bezwaarschrift ontvankelijk is.
Overwegingen ten aanzien van de bezwaren en het bestreden besluit
Gelet op de brief van gemachtigde van 4 mei 2026 en wat op de hoorzitting van
6 mei 2026 besproken is, beperkt het geschil zich tot de vraag of UHT terecht en op goede gronden is gekomen tot haar beslissing om het verzoek van belang-hebbende om compensatie of tegemoetkoming voor het jaar 2012 af te wijzen.
De nihilstelling bij besluit van 21 juli 2012 (KOT voor het jongste kind)
Bij het bestreden besluit en in de beschouwing van 17 april 2025 heeft UHT het standpunt ingenomen dat de Belastingdienst/Toeslagen (hierna: B/T) vooringenomen heeft gehandeld door de KOT voor 2012 bij besluit van 21 juli 2007 op nihil te stellen. Omdat er in 2012 een aanvraag liep voor dagopvang terwijl het jongste kind vanwege haar leeftijd niet meer op de dagopvang kon zitten, heeft UHT echter geconcludeerd dat belanghebbende evident geen recht had op KOT. Volgens UHT komt belanghebbende daarom niet in aanmerking voor compensatie over het jaar 2012.
In de aanvullende beschouwing van 1 mei 2026 en ter hoorzitting heeft UHT een gewijzigd standpunt ingenomen. UHT stelt thans dat B/T gerechtigd was de KOT voor dagopvang te beëindigen, omdat zij een melding had ontvangen dat het kind vijf jaar was geworden. De dagopvang eindigt dan logischerwijs vanwege de leerplicht. Dit is een reguliere uitvoering van de wet en geen vooringenomen handelen, aldus UHT.
Belanghebbende stelt dat zij wel degelijk in aanmerking komt voor compensatie over 2012. Zij stelt sprake was van vooringenomen handelen en dat dit niet was gelegen in de leeftijd van haar kind, maar vanwege een onterechte vaststelling van ‘non-respons’.
De Commissie begrijpt het standpunt van UHT zo, dat belanghebbende in 2012 hoe dan ook geen recht op KOT zou hebben gehad vanwege de leeftijd van haar jongste kind en dat B/T daarom niet gehouden was om uitvraag te doen.
De Commissie is van mening dat deze stellingname van UHT niet valt te rijmen met de omstandigheid dat B/T juist een proces in gang had gezet om vast te stellen of belanghebbende recht zou hebben op KOT in 2012. Dat blijkt uit de notities van
16 april 2012: B/T zou belanghebbende driemaal tevergeefs hebben geprobeerd te bellen en zou vervolgens een vraagbrief hebben verstuurd (productie 1500001). Dat B/T de KOT heeft stopgezet op basis van non-respons volgt uit de melding van 5 juni 2012 (productie 1212003). De leeftijd van het kind wordt hierin niet genoemd. Omdat er geen vraagbrieven in de systemen zijn teruggevonden, luidde de primaire beoordeling van UHT dat belanghebbende mogelijk geen of onvoldoende kans had om haar recht op KOT aannemelijk te maken en dat daarom sprake was van vooringenomen handelen door B/T.
De Commissie is van mening dat dit primaire standpunt van UHT op grond van de hiervoor genoemde feiten en omstandigheden voor correct moet worden gehouden. De Commissie zal dit standpunt volgen en dus niet het gewijzigde standpunt dat UHT gedurende het bezwaar heeft ingenomen.
De Commissie ziet zich voorts gesteld voor de vraag of compensatie achterwege dient te blijven op grond van toerekenbare ernstige onregelmatigheden als bedoeld in artikel 2.1 lid 2 Wht. De situatie van evident geen recht op KOT, waar UHT op doelt, valt onder artikel 2.1 lid 2 Wht. De bewijslast hiervoor ligt bij UHT. De Commissie is van mening dat UHT haar standpunt onvoldoende heeft onderbouwd met de enkele stelling dat het kind van belanghebbende niet meer onder de eisen van kinderdagopvang viel. Dat belanghebbende in het geheel geen recht had op KOT kon B/T destijds niet concluderen omdat zijn onderzoek op dit punt gebrekkig was. Hierin is juist de vooringenomenheid van zijn handelen gelegen. Dan kan, zonder nadere informatie, niet worden geoordeeld dat in het geheel geen recht bestond op KOT. De Commissie is van oordeel dat UHT niet heeft voldaan aan haar bewijslast.
De Commissie adviseert UHT daarom om het bezwaar op dit onderdeel gegrond te verklaren.
Het niet-continueren van de KOT voor het oudste kind
Belanghebbende voert in de tweede plaats aan dat B/T vooringenomen heeft gehandeld door de lopende KOT-aanvraag voor het oudste kind niet te continueren naar het jaar 2012.
UHT heeft toegelicht dat het geautomatiseerd systeem van B/T in 2011 is gemigreerd van Regeling Kinderopvangtoeslag (RKT) naar Toeslagen Verstrekkingen Systeem (TVS).
Tijdens deze migratie zijn de gegevens van het oudste kind niet correct overgenomen. Het gaat hier volgens UHT aantoonbaar om een fout die is opgetreden tijdens een technische data-overdracht tussen systemen. UHT wijst er op dat B/T belanghebbende wel een beschikking heeft gestuurd over het automatisch continueren van de KOT voor het jongste kind (productie 1212001).
De Commissie is van opvatting dat een fout die optreedt bij een technische dataoverdracht tussen geautomatiseerde systemen, op zichzelf niet leidt tot een vooringenomen werkwijze door B/T. Feiten of omstandigheden die tot een andere beoordeling nopen, zijn de Commissie niet gebleken.
Verder is de Commissie van oordeel dat geen sprake is van de bijzondere omstandigheden die de wetgever onder de noemer hardheid van het systeem schaart. Het beleid van UHT, dat is vastgelegd in het Handboek Vaktechniek, biedt evenmin ruimte voor het toekennen van een hardheidscompensatie in de gegeven omstandigheden. De Commissie adviseert UHT daarom om het bezwaar op dit onderdeel ongegrond te verklaren.
Proceskostenvergoeding
Nu het primaire besluit naar de mening van de Commissie dient te worden herroepen, adviseert de Commissie tot toewijzing van het verzoek om vergoeding van de kosten van rechtsbijstand in deze bezwaarprocedure. Op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht heeft belanghebbende recht op een forfaitaire vergoeding op basis van twee procespunten (bezwaarschrift en verschijnen hoorzitting) met een wegingsfactor 2.
Net als in eerdere zaken adviseert de Commissie daarbij de hoogste vergoeding per procespunt toe te kennen.
Conclusie
Samengevat adviseert de Commissie om het bezwaar gedeeltelijk gegrond te verklaren en om:
- aan belanghebbende alsnog compensatie voor vooringenomen handelen toe te kennen over toeslagjaar 2012, met betrekking tot de nihilstelling bij besluit van 21 juli 2012;
- een vergoeding van de proceskosten voor de onderhavige bezwaarprocedure toe te kennen van twee procespunten met wegingsfactor twee voor het hoogste tarief.
[handtekening]
Secretaris
[handtekening]
Fungerend voorzitter