Ga direct naar de inhoud Ga direct naar de filters Ga direct naar de footer

BAC 2025-16870

Advies van de Bezwaarschriftenadviescommissie hersteloperatie toeslagen

Aan: Belastingdienst/Uitvoeringsorganisatie Herstel Toeslagen (hierna: UHT)

Betreft: het bezwaarschrift van belanghebbende

Primair besluit: 12 februari 2024 (UHT-DCHO)

Hoorzitting: 25 februari 2026

Overdracht advies aan UHT: 8 juni 2026

Samenvatting

De Bezwaarschriftenadviescommissie (hierna: de Commissie) adviseert UHT om het bezwaar gedeeltelijk gegrond te verklaren.

Onderwerp van advies

Het door gemachtigde namens belanghebbende ingediende bezwaarschrift is gericht tegen de door UHT genomen definitieve beschikking compensatie kinderopvangtoeslag van 12 februari 2024 (UHT-DCHO) (hierna: bestreden besluit).

Aan belanghebbende is hierin met toepassing van de Wet hersteloperatie toeslagen (hierna: Wht) compensatie toegekend voor een bedrag van €17.153,- voor de jaren 2009 en 2011 en geen compensatie toegekend voor de jaren 2005 tot en met 2008 en 2010.

Procesverloop

  • Belanghebbende heeft op 5 januari 2022 verzocht om een herbeoordeling van de kinderopvangtoeslag (hierna: KOT). UHT heeft de jaren 2005 tot en met 2011 beoordeeld.
  • UHT heeft bij besluit van 27 juli 2022 aan belanghebbende medegedeeld dat zij in aanmerking komt voor een betaling van €30.000,-.
  • De Commissie van Wijzen (hierna: CvW) heeft haar beoordeling van het verzoek van belanghebbende op 22 januari 2024 aan UHT toegestuurd. De CvW heeft geoordeeld dat gedurende de jaren 2005 tot en met 2008 en 2010 geen sprake is geweest van institutionele vooringenomenheid of bijzondere omstandigheden.
  • UHT heeft bij vooraankondiging aan belanghebbende een compensatie toegekend voor een bedrag van €4.357,-.
  • UHT heeft bij het bestreden besluit met kenmerk UHT-DCHO aan belanghebbende een compensatie toegekend voor een bedrag van €17.153,- voor de jaren 2009 en 2011. Er is geen compensatie toegekend voor de jaren 2005 tot en met 2008 en 2010.
  • Belanghebbende heeft bij brief van 12 februari 2024 tegen dit besluit een bezwaarschrift ingediend.
  • UHT heeft op 15 april 2025 schriftelijk gereageerd op het bezwaarschrift.
  • Op 25 februari 2026 heeft een hoorzitting plaatsgevonden. Van de hoorzitting is een verslag gemaakt, dat achter het advies is gevoegd.
  • UHT heeft, daartoe door de Commissie ter zitting verzocht, op 5 maart 2026 een nadere schriftelijke reactie ingediend. Gemachtigde heeft daar op 26 maart 2026 op gereageerd. UHT heeft op 14 april 2026 bericht dat haar standpunt wordt gehandhaafd.
  • Dit advies wordt uitgebracht door de voorzitter en twee commissieleden.

Ontvankelijkheid en algemene opmerkingen

Niet in geschil is dat het bezwaarschrift ontvankelijk is.

Overwegingen ten aanzien van de bezwaren en het bestreden besluit

De Commissie ziet zich gesteld voor de vraag of UHT de toegekende compensatie voor  de jaren 2009 en 2011 op de juiste wijze heeft berekend en terecht en op goede gronden is gekomen tot haar beslissing om het verzoek van belanghebbende om compensatie of tegemoetkoming voor de jaren 2005 tot en met 2008 en 2010 af te wijzen. Tijdens de hoorzitting is gebleken dat de afwijzing van het verzoek om compensatie of een tegemoetkoming enkel voor de toeslagjaren 2006 tot en met 2008 in het geding zijn.

Afgewezen toeslagjaren

2006
Ten aanzien van toeslagjaar 2006 heeft een neerwaartse correctie van de KOT plaatsgevonden. Op 13 maart 2006 is de KOT neerwaarts beschikt op een bedrag van €7.520,-.

UHT heeft aangevoerd dat de KOT is verlaagd omdat het aantal opvanguren is gewijzigd van 210 uur naar 142 uren per maand. Daarnaast is het uurtarief verlaagd van €5,55 naar €5,28 (productie 0900001, pagina 156-157). In een notitie die is gemaakt in verband met een terugbelverzoek van 29 maart 2006 staat dat belanghebbende destijds heeft aangegeven een wijziging van de KOT te hebben doorgegeven (productie 1206001). Alhoewel de bronbestanden van de opvanggegevens in het dossier ontbreken, stelt UHT dat in aanmerking genomen de op p. 273 van het dossier opgenomen telefoonnotitie, waarin belanghebbende een wijziging doorgeeft, onvoldoende is om aan te nemen dat bij de neerwaartse verlaging sprake is geweest van vooringenomen handelen.

Belanghebbende stelt zich op het standpunt dat de doorgegeven wijziging die wordt aangehaald in de telefoonnotitie van 29 maart 2006 op p. 273 van het dossier niet duidelijk maakt welke gegevens door belanghebbende zijn gewijzigd. Deze notitie kan volgens belanghebbende ook zien op de wijziging van haar rekeningnummer die belanghebbende heeft doorgegeven op 25 januari 2006. Belanghebbende voert aan dat in andere dossiers neerwaartse correcties die niet verklaarbaar zijn, omdat bronbestanden ontbreken, wel als vooringenomen worden aangemerkt.

De Commissie overweegt hierover als volgt. Op 13 maart 2006 heeft belang-hebbende een voorschotbeschikking ontvangen waardoor de KOT met €3.652 is verlaagd en een terugvordering is ontstaan. Uit het terugbelverzoek volgt dat op 31 maart 2006 het eerste contact met belanghebbende heeft plaatsgevonden (p. 273 dossier). Uit dit verzoek kan worden opgemaakt dat belanghebbende een nieuwe beschikking KOT heeft gehad en dat zij hierover vragen heeft.
Vervolgens heeft B/T belanghebbende teruggebeld. Uit het verslag hiervan volgt dat belanghebbende een wijziging heeft doorgegeven over 2006 en dat te veel uitbetaalde bedragen verrekend zullen worden (productie 1206002).
De Commissie acht dit voldoende om te oordelen dat de neerwaartse wijziging betrekking heeft op een door belanghebbende doorgegeven wijziging en dat daarom sprake is geweest van een reguliere wijziging. Voor aanwijzingen dat de neerwaartse bijstelling berust op vooringenomen handelen of dat het stelsel te hard heeft uitgewerkt, ziet de Commissie in dit geval geen aanknopingspunten.
De Commissie adviseert UHT te beslissen dat deze bezwaargrond geen doel treft.

2007
De Commissie stelt vast dat over toeslagjaar 2007 vier verlagingen van de KOT hebben plaatsgevonden. Op 11 december 2006 is de KOT automatisch gecontinueerd naar toeslagjaar 2007. Uit een XML-bestand (p. 303 dossier) blijkt vervolgens dat belanghebbende de KOT op 13 februari 2007 per 31 maart 2007 heeft stopgezet. Op 15 maart 2007 heeft belanghebbende vervolgens weer een aanvraag KOT voor kinderopvang bij kindercentrum [naam KOI] per 31 maart 2007 gedaan (productie 1207006, p. 309 dossier). Deze aanvraag leidt door de stopzetting en niet verwerkte wijzigingen niet tot het nemen van een besluit op de aanvraag van 15 maart 2007 (p. 321 dossier). Eerst nadat op 28 augustus 2007 een nieuwe aanvraag is gedaan wordt daarop in september 2007 beslist (p. 325 dossier).

UHT heeft aangevoerd dat belanghebbende op 20 maart 2007 een brief heeft ontvangen waarin is bevestigd dat de aanvraag is ontvangen, maar dat deze niet kon worden verwerkt omdat de elektronische handtekening niet overeenkwam met de handtekening die eerder schriftelijk is doorgegeven. Om deze reden heeft belanghebbende voor deze aanvraag geen voorschotbeschikking ontvangen.

Gemachtigde stelt dat uit het dossier niet volgt welke elektronische handtekening niet overeen zou komen met de eerdere schriftelijke handtekening. Daarnaast stelt gemachtigde dat het er veel van weg heeft dat destijds is gezocht naar redenen om de aanvraag voor de afname van kinderopvang bij een nieuwe kinderopvanginstelling af te wijzen. Dit maakt volgens belanghebbende dat sprake is geweest van vooringenomen handelen door B/T.

De Commissie overweegt het volgende. De Commissie is van oordeel dat door het kort op elkaar stopzetten en weer opnieuw aanvragen van KOT in de eerste drie maanden van 2007, tezamen met door belanghebbende doorgegeven wijzigingen een ondoorzichtige situatie is ontstaan die tot verwerkingsproblemen bij B/T heeft geleid. De Commissie is van oordeel dat B/T bij het verhelpen daarvan voortvarender en communicatiever had moeten handelen. Zij vindt dit echter onvoldoende om de handelwijze van B/T te kwalificeren als vooringenomen handelen als bedoeld in de Wht, reeds omdat haar niet is gebleken dat belanghebbende hierdoor in haar verweerrechten is geschaad en ook overigens blijkt niet dat onjuist is beschikt.

2008
Tijdens de hoorzitting heeft gemachtigde gesteld dat voor toeslagjaar 2008 recht bestaat op compensatie op grond van de hardheidsregeling. In 2008 heeft belanghebbende namelijk geen opvang afgenomen bij kinderopvang [naam KOI], maar bij [naam KOI]. In de eerste twee maanden van 2008 is de KOT nog wel uitbetaald aan kinderopvang [naam KOI].

In de aanvullende beschouwing van 5 maart 2026 neemt UHT het standpunt in dat een bedrag van €1.760 teveel is uitbetaald aan kinderopvanginstelling [naam KOI] (productie 1000004). Er is daarom sprake van een bijzondere omstandigheid waardoor belanghebbende voor toeslagjaar 2008 recht heeft op compensatie op grond van de hardheidsregeling.

De Commissie neemt hiervan met instemming kennis en adviseert UHT dienovereenkomstig te beslissen.

O/GS-stukken
Belanghebbende heeft verzocht om de onderliggende stukken O/GS.

De Commissie overweegt als volgt. Gelet op de op 10 maart 2026 aangenomen motie van het lid Ergin (Tweede Kamer, vergaderjaar 2025-2026, 36 708, nr. 68) dient UHT standaard en actief inzage geven in alle stukken die ten grondslag liggen aan de O/GSkwalificatie. Als de beoordeling van UHT (mede) rust op de vaststelling dat geen informatie beschikbaar is over belanghebbende in een geraadpleegde gegevensbron, dan moet UHT die vaststelling onderbouwen met bijvoorbeeld een schermafbeelding van de resultaten en geraadpleegde systemen. De Commissie verwijst in dit verband naar de uitspraak van rechtbank Rotterdam van 6 februari 2026, ECLI:NL:RBROT:2026:1545. Deze onderliggende stukken ontbreken in dit geval. De Commissie adviseert UHT om, voorafgaand aan het besluit op bezwaar, met inachtneming van bovenstaande, inzage te geven in alle stukken die ten grondslag liggen aan de O/GS-kwalificatie en om belanghebbende de gelegenheid te geven hierop te reageren, eveneens voorafgaand aan het besluit op bezwaar.

Individueel Subjectgericht Toezicht (IST)
Belanghebbende stelt dat onduidelijk is hoe is vastgesteld dat belanghebbende niet betrokken is geweest bij het IST (p. 155 ouderdossier).

UHT heeft aangevoerd dat Integraal Subjectief Toezicht een vorm van toezicht van de Belastingdienst was waarbij niet één specifieke toeslagaanvraag werd gecontroleerd, maar de gehele situatie van een persoon werd onderzocht.
Ouders die onder dit toezicht vielen, kregen vaak een intensieve controle en in sommige gevallen werden toeslagen stopgezet. Uit het SAS-overzicht volgt dat belanghebbende niet bekend was bij IST (productie 0900001, p. 155).

Belanghebbende stelt dat niet is toegelicht door UHT hoe de vermelding dat belanghebbende niet voorkomt bij IST tot stand is gekomen.

De Commissie adviseert UHT hierover in het besluit op bezwaar alsnog nadere duidelijkheid te verschaffen.

Compensatieberekening
UHT is tot de conclusie gekomen dat component O voor alle te compenseren toeslagjaren (rentevergoeding voor gemiste KOT) onjuist is vastgesteld. Nu de onjuiste berekening in het voordeel van belanghebbende is, is UHT voornemens om component O in stand te laten. Daarnaast is component N (immateriële schadevergoeding) niet juist berekening. Er is een verkeerde start- en einddatum gehanteerd. Het bedrag zal niet worden aangepast, omdat het bedrag niet hoger mag zijn dan component E.
De Commissie ziet geen aanleiding om op dit punt anders te adviseren.

Proceskostenvergoeding
Nu het bestreden besluit dient te worden herroepen, adviseert de Commissie tot toewijzing van het verzoek om vergoeding van de kosten van rechtsbijstand in deze bezwaarprocedure. Op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht heeft belanghebbende recht op een forfaitaire vergoeding op basis van twee procespunten (bezwaarschrift en verschijnen hoorzitting) met een wegingsfactor 2. Net als in eerdere zaken adviseert de Commissie daarbij de hoogste vergoeding per procespunt toe te kennen.

Conclusie

Samengevat adviseert de Commissie om het bezwaar gedeeltelijk gegrond te verklaren  en om:

  • compensatie toe te kennen op grond van de hardheidsregeling voor toeslagjaar 2008
  • een vergoeding van de proceskosten voor de onderhavige bezwaarprocedure toe te kennen van twee procespunten met wegingsfactor twee voor het hoogste tarief.

[handtekening]

Secretaris

[handtekening]

Fungerend voorzitter