BAC 2025-16843
Publicatiedatum 08-07-2026
Advies van de Bezwaarschriftenadviescommissie hersteloperatie toeslagen
Aan: Belastingdienst/Uitvoeringsorganisatie Herstel Toeslagen (hierna: UHT)
Betreft: het bezwaarschrift van belanghebbende
Primair besluit: 20 september 2024 met kenmerk UHT-DCHOA
Hoorzitting: 23 maart 2026 om 13:00 uur
Overdracht advies aan UHT: 30 maart 2026
Samenvatting
De Bezwaarschriftenadviescommissie (hierna: de Commissie) adviseert UHT om het bezwaar ongegrond te verklaren en geen proceskostenvergoeding toe te kennen.
Onderwerp van advies
Het door de gemachtigde namens belanghebbende ingediende bezwaarschrift is gericht tegen de door UHT genomen definitieve beschikking compensatie kinderopvangtoeslag, hierna het bestreden besluit.
Aan belanghebbende is met toepassing van de Wet hersteloperatie toeslagen (hierna: Wht) geen compensatie toegekend voor de jaren 2013 tot en met 2019.
Procesverloop
- Belanghebbende heeft op 12 april 2021 verzocht om een herbeoordeling van de kinderopvangtoeslag (hierna: KOT) over de jaren 2015 tot en met 2017.
In overleg met ouder heeft de persoonlijk zaakbehandelaar de te herbeoordelen jaren uitgebreid tot 2015 tot en met 2019. - De Commissie van Wijzen (hierna: CvW) heeft haar beoordeling van het verzoek van belanghebbende op 9 september 2024 aan UHT toegestuurd. De CvW heeft geoordeeld dat de compensatieregeling van artikel 2.1 eerste lid van de Wht niet van toepassing is op de toeslagjaren 2013 tot en met 2019.
- UHT heeft bij bestreden besluit aan belanghebbende medegedeeld dat zij geen recht heeft op enige vergoeding voor de jaren 2013 tot en met 2019.
- Gemachtigde heeft bij brief van 2 december 2024 tegen dit besluit een bezwaarschrift ingediend.
- Gemachtigde heeft bij brief van 8 juli 2025 het bezwaarschrift aangevuld.
- UHT heeft op 15 juli 2025 en 14 maart 2026 schriftelijk gereageerd op het bezwaarschrift.
- Op 23 maart 2026 heeft een hoorzitting plaatsgevonden. Van de hoorzitting is een verslag gemaakt, dat achter het advies is gevoegd.
- Dit advies wordt uitgebracht door de voorzitter en 2 commissieleden.
Ontvankelijkheid
Niet in geschil is dat het bezwaarschrift ontvankelijk is.
Overwegingen ten aanzien van de bezwaren en het bestreden besluit
De Commissie ziet zich gesteld voor de vraag of UHT terecht en op goede gronden is gekomen tot haar beslissing om het verzoek van belanghebbende om enige vergoeding over de toeslagjaren 2013 tot en met 2019 af te wijzen.
Procedurele bezwaren: onvolledig dossier, zorgvuldigheidsbeginsel en equality of arms
Met de door UHT in bezwaar ingediende beschouwing en de overgelegde stukken - waaronder een uitgebreide uitleg met behulp van de Landelijke Incasso Centrum (LIC) overzichten - en de overige producties, is in ieder geval thans geen sprake van strijd met de door belanghebbende genoemde algemene beginselen van behoorlijk bestuur. De vraag of die strijd er wel was ten tijde van het bestreden besluit behoeft in dit geval geen beantwoording. Wat nader is onderbouwd en uiteengezet omtrent de voorbereiding en motivering van het bestreden besluit leidt immers niet tot het herroepen daarvan.
Afgewezen toeslagjaren
Bij het bestreden besluit van 20 september 2024 heeft UHT geoordeeld dat belanghebbende over de toeslagjaren 2013 tot en met 2019 geen recht heeft op compensatie op basis van vooringenomen handelen dan wel hardheid van het stelsel. Ter zitting betwist belanghebbende dat zij gedurende de jaren 2015, 2016 en 2017 wijzigingen heeft doorgegeven. Ter zitting geeft zij aan dat zij alleen de KOT heeft stopgezet toen zij naar Duitsland vertrok. Volgens UHT heeft belanghebbende zelf de wijzigingen in deze jaren doorgegeven. UHT verwijst naar de XML-bestanden in het dossier. Hieruit blijkt, aldus UHT, dat belanghebbende gebruik heeft gemaakt van haar DigiD, in combinatie met haar Burgerservicenummer (BSN). De mededeling van belanghebbende dat zij bekend was met de omgang met DigiD en de wijzigingen mogelijk namens haar zijn doorgegeven door de kinderopvanginstelling maakt dat niet anders.
De Commissie overweegt dat het niet aannemelijk is geworden dat er bij de toekenning, aanpassing of terugvordering van de KOT voor de toeslagjaren 2015 tot en met 2017 sprake is geweest van institutioneel vooringenomen handelen door B/T dan wel hardheid van het stelsel.
Er zijn geen documenten, bewijsstukken of vastleggingen in de systemen van B/T aangetroffen die erop wijzen dat een medewerker van de B/T of een derde de wijzigingen heeft doorgevoerd. De enkele betwisting dat de wijzigingen niet door belanghebbende zijn doorgevoerd, is objectief gezien onvoldoende om te kunnen concluderen dat er sprake zou zijn van vooringenomen handelen door B/T.
De Commissie constateert dat de terugvorderingen KOT over deze toeslagjaren waren gebaseerd op de vaststelling dat er een te hoog voorschot was toegekend. Dat voorschot is door reguliere wijzigingen (doorgegeven wijzigingen in het aantal uren kinderopvang, uurtarief, type opvang en stopzetting van de KOT) opnieuw berekend. Deze bijstellingen zijn in overeenstemming met de wet uitgevoerd. Dergelijke bijstellingen geven in beginsel geen aanspraak op compensatie wegens vooringenomenheid of hardheid. Verder heeft de Commissie geen aanknopingspunten kunnen vinden dat er sprake zou zijn van een onterechte opzet/ grove schuld (O/GS) kwalificatie over deze jaren, zodat ook geen aanspraak kan worden gemaakt op een daarop gebaseerde tegemoetkoming . De Commissie acht het bezwaar ongegrond.
Proceskostenvergoeding
Nu de Commissie niet adviseert de bestreden beschikking te herroepen, is er geen aanleiding een vergoeding van de proceskosten toe te kennen.
Conclusie
Samengevat adviseert de Commissie om het bezwaar ongegrond te verklaren en geen proceskostenvergoeding toe te kennen.
[handtekening]
Secretaris
[handtekening]
Fungerend voorzitter