Ga direct naar de inhoud Ga direct naar de filters Ga direct naar de footer

BAC 2025-16837

Advies van de Bezwaarschriftenadviescommissie hersteloperatie toeslagen

Aan: Belastingdienst/Uitvoeringsorganisatie Herstel Toeslagen (hierna: UHT)

Betreft: het bezwaarschrift van belanghebbende

Primair besluit: 13 juni 2024 (UHT-DCHOA)

Hoorzitting: 22 januari 2026

Overdracht advies aan UHT: 6 maart 2026

Samenvatting

De Bezwaarschriftenadviescommissie (hierna: de Commissie) adviseert UHT om het bezwaar ongegrond te verklaren.

Onderwerp van advies

Het door de gemachtigde namens belanghebbende ingediende bezwaarschrift is gericht tegen de door UHT genomen definitieve beschikking compensatie kinderopvangtoeslag.

Aan belanghebbende is met toepassing van de Wet hersteloperatie toeslagen (hierna: Wht) geen compensatie of tegemoetkoming toegekend voor de toeslagjaren 2010 tot en met 2013 en 2019 tot en met 2022.

Procesverloop

  • Belanghebbende heeft op 29 november 2022 verzocht om een herbeoordeling van de kinderopvangtoeslag (hierna: KOT) over de toeslagjaren 2010 tot en met 2013, 2019 en 2020. De beslissingen na 23 oktober 2019 zijn niet meegenomen in de herbeoordeling door UHT, omdat deze buiten de reikwijdte van de Wht vallen.
  • UHT heeft bij beschikking van 17 januari 2023, met kenmerk UHT-CHR GU, aan belanghebbende medegedeeld dat zij niet in aanmerking komt voor een betaling van €30.000 op grond van de Catshuisregeling, maar dat de beoordeling nog niet is afgerond.
  • UHT heeft bij voorlopige beschikking van 20 maart 2024, met kenmerk UHT-VCH A, belanghebbende geïnformeerd dat zij geen recht heeft op één van de drie herstelregelingen.
  • Gemachtigde heeft op 4 april 2024 de zienswijze van belanghebbende op de vooraankondiging naar voren gebracht.
  • De Commissie van Wijzen (hierna: CvW) heeft op 3 juni 2024 geadviseerd dat de compensatieregeling van artikel 21 lid 1 van de Wht niet van toepassing is op de toeslagjaren 2010 tot en met 2013 en 2019 tot en met 2022.
  • UHT heeft bij bestreden definitieve beschikking van 13 juni 2024, met kenmerk UHT-DCHOA, aan belanghebbende medegedeeld dat zij geen recht heeft op een vergoeding voor de toeslagjaren 2010 tot en met 2013 en 2019 tot en met 2022.
  • Gemachtigde heeft bij brief van 5 juli 2024 tegen deze beschikking een bezwaarschrift ingediend.
  • UHT heeft op 26 september 2025 schriftelijk gereageerd op het bezwaarschrift.
  • Gemachtigde heeft bij brief van 10 oktober 2025 het bezwaarschrift aangevuld.
  • UHT heeft op 14 oktober 2025 een aanvullende beschouwing ingediend.
  • Op 22 januari 2026 heeft een hoorzitting plaatsgevonden. Van de hoorzitting is een verslag gemaakt, dat achter het advies is gevoegd.
  • UHT heeft, daartoe door de Commissie ter zitting verzocht, op 4 februari 2026 een nadere schriftelijke reactie ingediend. Gemachtigde heeft daar op
    12 februari 2026 op gereageerd.
  • Dit advies wordt uitgebracht door de voorzitter en 2 commissieleden.

Ontvankelijkheid

Niet in geschil is dat het bezwaarschrift ontvankelijk is.

Overwegingen ten aanzien van de bezwaren en het bestreden besluit

De Commissie ziet zich gesteld voor de vraag of UHT terecht en op goede gronden is gekomen tot haar beslissing om het verzoek van belanghebbende om compensatie of tegemoetkoming voor de toeslagjaren 2010, 2012 en 2013 af te wijzen.

Heroverweging toeslagjaren 2010, 2012 en 2013

Hoogte KOT 2010
Belanghebbende heeft betoogd dat de Belastingdienst/Toeslagen (hierna: B/T) niet conform de jaaropgaves heeft beschikt en dat de KOT daardoor te laag is vastgesteld, waardoor belanghebbende teveel moest terugbetalen. Dit duidt volgens belanghebbende op vooringenomen handelen, dan wel op bijzondere omstandigheden om hardheid op grond van artikel 2.1 lid 1 sub b van de Wht aan te nemen, dan wel op de extra hardheidsregeling van artikel 9.1 van de Wht.
UHT heeft tijdens de hoorzitting bevestigd dat er bij het overnemen van de uren uit jaaropgave een menselijke fout is gemaakt door de medewerker van B/T. Er is van 1 oktober 2010 tot en met 1 december 2010 sprake geweest van kinderopvang, voor een totaal van 546 uur. In de beschikking is vervolgens 182 uur per maand toegekend. UHT heeft toegelicht dat de medewerker van B/T waarschijnlijk het aantal opvanguren, 546, abusievelijk door drie heeft gedeeld in plaats van door twee. Ten gevolge hiervan is er voor 364 uur aan KOT toegekend, in plaats van voor 546 uur. Er is volgens UHT geen sprake van vooringenomen handelen door B/T of van hardheid nu het om een menselijke fout gaat.

De Commissie overweegt als volgt. Over 2010 heeft er twee keer een neerwaartse correctie plaatsgevonden. De eerste verlaging was het gevolg van een hoger toetsingsinkomen. De tweede verlaging was eveneens het gevolg van een hoger toetsingsinkomen en op basis van de gegevens uit de jaaropgave. Deze gegevens zijn niet geheel juist overgenomen. Het staat daardoor vast dat aan belanghebbende over de periode 1 oktober tot en met 1 december 2010 te weinig KOT is toegekend en dat ten gevolge daarvan teveel van belanghebbende is teruggevorderd. UHT heeft aannemelijk gemaakt dat dit het gevolg is geweest van een menselijke fout. De Commissie onderschrijft het standpunt van UHT dat er geen sprake is geweest van vooringenomen handelen door B/T. Dit neemt niet weg, dat er onder dergelijke omstandigheden bij de terugvordering alsnog sprake kan zijn van hardheid in de zin van artikel 2.1 lid 1 sub b van de Wht. Daarvoor moet er allereerst sprake zijn geweest van een terugvordering of verlaging van de KOT met minimaal € 1.500.

Uit de definitieve beschikking KOT over 2010 blijkt dat er een bedrag van € 4.917 aan KOT is toegekend. Dit betreft de periodes 1-5-2010 tot en met 30-9-2010 en 1-10-2010 tot en met 1-12-2010. Beide periodes betreffen min of meer hetzelfde aantal uren per maand, dus dat komt neer op een bedrag van € 702,43 aan KOT per maand in 2010.

Belanghebbende heeft ten gevolge van de fout van B/T een te hoge terugvordering gekregen van ongeveer € 702,43 (één maand KOT). Nu dit bedrag lager is dan
€ 1.500 komt belanghebbende op basis van deze feiten en omstandigheden niet in aanmerking voor compensatie op grond van de hardheidsregeling van artikel 2.1 van de Wht. De Commissie ziet in de hoogte van het bedrag dat belanghebbende moest terugbetalen ook geen reden om aan te nemen dat hier sprake is van onbillijkheden van overwegende aard zoals genoemd in artikel 9.1 Wht, waardoor afgeweken zou moeten worden van artikel 2.1 Wht. De Commissie adviseert om dit onderdeel van het bezwaar ongegrond te verklaren.

Heroverweging toeslagjaar 2012
De Commissie heeft geen aanknopingspunten kunnen vinden om te adviseren dat de B/T bij de toekenning, aanpassing of terugvordering van de KOT voor toeslagjaar 2012 institutioneel vooringenomen heeft gehandeld. De terugvordering KOT over dit jaar was gebaseerd op de vaststelling dat er een te hoog voorschot was toegekend. Dat voorschot is door een reguliere wijziging opnieuw berekend. De is KOT één keer neerwaarts gecorrigeerd, op basis van de gegevens van de kinderopvanginstelling. Hieruit bleek dat belanghebbende minder kosten had gemaakt. Deze bijstelling is in overeenstemming met de wet uitgevoerd. De Commissie adviseert UHT om dit onderdeel van het bezwaar ongegrond te verklaren.

Stopzetting KOT 2013
In 2013 is de KOT op nihil gesteld ten gevolge van de stopzetting van de KOT door belanghebbende. Belanghebbende heeft erkend dat zij de KOT zelf heeft stopgezet, maar voert aan dat de stopzetting noodgedwongen was, omdat zij vreesde voor nieuwe terugvorderingen.

De Commissie overweegt dat op grond van artikel 2.1 lid 1 van de Wht compensatie wordt toegekend aan een aanvrager van KOT. De Commissie is van oordeel dat, nu belanghebbende de KOT zelf heeft stopgezet, zij vanaf dat moment geen aanvrager van KOT is als bedoeld in artikel 2.1 lid 1 van de Wht.
Om die reden kan er in het kader van de onderhavige bezwaarprocedure geen compensatie worden geboden. Deze bezwaarschriftprocedure heeft enkel betrekking heeft op de toekenning van de standaard vergoedingen en niet op de vergoeding van de werkelijke schade. Hiervoor is de procedure bij de CWS bestemd. Dit volgt uit de artikelen 2.1 lid 3 WHT en artikel 5.2 Wht. Bovendien merkt de Commissie op dat belanghebbende in het ouderverhaal heeft benoemd dat zij per 2013 zelf als gastouder aan de slag ging, waardoor er geen (externe) kinderopvang meer nodig was. De Commissie adviseert dit onderdeel van het bezwaar ongegrond te verklaren.

Verrekeningen 2010, 2012 en 2013
Belanghebbende voert aan dat zij op grond van hardheid in aanmerking komt voor een compensatie van de schade die zij heeft geleden door de verrekeningen van de terugvordering over de jaren 2010, 2012 en 2013 met de nadien toegekende toeslagen. B/T is overgegaan tot verrekening, terwijl er een betalingsregeling liep. Dat is volgens belanghebbende onevenredig hard. Belanghebbende is hierdoor in de financiële problemen geraakt. UHT stelt dat niet is gebleken van een persoonlijke betalingsregeling. De standaardregeling is volgens UHT dat het terug te betalen bedrag door 24 wordt gedeeld, zodat het te betalen bedrag in ieder geval binnen twee jaar terugbetaald wordt. B/T mocht tot verrekening overgaan.

De Commissie overweegt als volgt. Niet kan worden vastgesteld dat belanghebbende een persoonlijke betalingsregeling heeft aangevraagd en dat deze door B/T is geweigerd. Wel wordt op basis van de LIC-overzichten duidelijk dat er gebruik is gemaakt van de standaardregeling, waarbij maandelijks hetzelfde bedrag betaald werd. B/T was gerechtigd om tot verrekening over te gaan nu deze verrekeningen onderdeel zijn van de uitvoering die over de toeslagjaren 2010, 2012 en 2013 aan de KOT is gegeven.

De wet vermeldt de situatie van verrekening niet expliciet. In dit geval waren de vorderingen in 2012 en 2013 al bijna volledig voldaan en zijn er nog slechts respectievelijk bedragen van € 255 en € 270 verrekend, waardoor niet gesproken kan worden van hardheid door verrekening bij het ontbreken van persoonlijke betalingsregeling.

De Commissie adviseert UHT om dit onderdeel van het bezwaar ongegrond te verklaren.

Proceskosten
Nu de Commissie niet adviseert het primaire besluit te herroepen, is er geen aanleiding een vergoeding van de proceskosten toe te kennen.

Conclusie

Samengevat adviseert de Commissie om het bezwaar ongegrond te verklaren en om het verzoek om een proceskostenvergoeding af te wijzen.

[handtekening]

Secretaris

[handtekening]

Fungerend voorzitter