BAC 2025-16828
Publicatiedatum 09-07-2026
Advies van de Bezwaarschriftenadviescommissie hersteloperatie toeslagen
Aan: Belastingdienst/Uitvoeringsorganisatie Herstel Toeslagen (hierna: UHT)
Betreft: het bezwaarschrift van belanghebbende
Primair besluit: 11 november 2024 (UHT-DCHOA)
Hoorzitting: 15 januari 2026
Overdracht advies aan UHT: 20 maart 2026
Samenvatting
De Bezwaarschriftenadviescommissie (hierna: de Commissie) adviseert UHT om de bezwaren in de onderhavige zaak ongegrond te verklaren en het bestreden besluit in stand te laten. Tevens adviseert de Commissie het verzoek om toekenning van een vergoeding voor de proceskosten af te wijzen.
Onderwerp van advies
Het door gemachtigde namens belanghebbende ingediende bezwaarschrift is gericht tegen het door UHT genomen definitieve besluit compensatie kinderopvangtoeslag.
Aan belanghebbende is met toepassing van de Wet hersteloperatie toeslagen (hierna: Wht) geen compensatie toegekend voor de jaren 2011 tot en met 2014 en 2016 tot en met 2019.
Procesverloop
- Belanghebbende heeft op 7 juli 2021 verzocht om een herbeoordeling van de kinderopvangtoeslag (hierna: KOT) over toeslagjaren 2016 tot en met 2019. In overleg met belanghebbende zijn de toeslagjaren 2011 tot en met 2014 en 2016 tot en met 2019 herbeoordeeld.
- UHT heeft bij besluit van 11 februari 2022, met kenmerk UHT CHR GU, aan belanghebbende medegedeeld dat zij (nog) niet in aanmerking komt voor betaling van € 30.000 op grond van de Catshuisregeling, maar dat de beoordeling nog niet is afgerond.
- De Commissie van Wijzen heeft op 1 november 2024 aan UHT geadviseerd dat gedurende de betrokken jaren geen sprake is geweest van institutionele vooringenomenheid of bijzondere omstandigheden.
- UHT heeft bij het bestreden besluit van 11 november 2024 aan belanghebbende medegedeeld dat zij geen recht heeft op een vergoeding voor de toeslagjaren 2011 tot en met 2014 en 2016 tot en met 2019.
- Gemachtigde heeft bij brief van 17 december 2024, ingekomen op 24 december 2024, tegen dit besluit bezwaar gemaakt.
- UHT heeft op 29 september 2025 schriftelijk gereageerd op het bezwaarschrift.
- Op 15 januari 2026 heeft een hoorzitting plaatsgevonden. Van de hoorzitting is een verslag gemaakt, dat achter dit advies is gevoegd.
- Dit advies wordt uitgebracht door de voorzitter, eerste commissielid en tweede commissielid.
Ontvankelijkheid
Niet in geschil is dat het bezwaar ontvankelijk is.
Overwegingen ten aanzien van de bezwaren en het bestreden besluit
Ontbrekende stukken/fair-play beginsel
Volgens belanghebbende beschikt zij niet over alle door UHT geraadpleegde documenten. Het ontbreken van deze informatie acht belanghebbende in strijd met het fair play-beginsel.
Op grond van artikel 7:4 lid 2 Awb heeft belanghebbende voorafgaand aan de hoorzitting bij de Commissie recht op afschriften van de op de zaak betrekking hebbende stukken.
Het ouderdossier is op 10 april 2025 door UHT aan gemachtigde verzonden (productie 2700033). De schriftelijke reactie van UHT met de bijbehorende producties is op 29 september 2025 aan gemachtigde toegezonden. Hierdoor hebben gemachtigde en belanghebbende kennis kunnen nemen van de stukken die ten grondslag liggen aan het bestreden besluit en gelegenheid gehad om daarop te reageren. Van een schending van het bepaalde in artikel 7:4 lid 2 Awb is niet gebleken. De Commissie adviseert daarom het bezwaar op dit onderdeel ongegrond te verklaren.
Het bezwaar van belanghebbende betrof aanvankelijk het niet toekennen van een vergoeding voor de jaren 2014 en 2017. Belanghebbende heeft ter gelegenheid van de hoorzitting haar bezwaren tegen het niet toekennen van compensatie op grond van vooringenomenheid of hardheid over toeslagjaar 2017 en met betrekking tot opname in het systeem Fraude Signalering Voorziening ingetrokken. Belanghebbende handhaaft uitsluitend haar bezwaar dat er sprake is geweest van vooringenomenheid en van een onterechte O/GS-kwalificatie over het toeslagjaar 2014.
Vooringenomenheid
Belanghebbende stelt dat zij over het jaar 2014 de KOT niet zelf heeft stopgezet. Zij kan zich niets van een stopzetting herinneren. Uit het ouderdossier blijkt volgens belanghebbende evenmin dat zij de KOT heeft stopgezet.
Er zit wel een registratieformulier van een stopzetting op 3 december 2013 met ingang van 1 januari 2014 in het dossier. Maar daaruit blijkt niet dat belanghebbende degene was die de KOT heeft stopgezet. B/T had daarom bij belanghebbende moeten informeren of stopzetting wel haar bedoeling was. Door dit na te laten, heeft B/T vooringenomen gehandeld.
De Commissie overweegt als volgt. Met betrekking tot toeslagjaar 2014 is de KOT eenmaal neerwaarts gecorrigeerd op 22 januari 2014 naar aanleiding van de genoemde stopzetting door belanghebbende per 1 januari 2014. Anders dan belanghebbende betoogt mag uit de zich in het dossier (pagina 267) bevindende melding er van worden uitgegaan dat die stopzetting door belanghebbende zelf is gedaan, nu daarin achter “Brontype” de code “07-Namens burger” is vermeld. Uit het overzicht van het Landelijk Incassocentrum (pagina 555 van het dossier) blijkt dat belanghebbende op 22 januari 2014 de reeds uitbetaalde KOT over 2014 (€339, betaald op 17 december 2013) heeft terugbetaald. Ook daaruit mag worden afgeleid dat belanghebbende de KOT zelf had stopgezet. De neerwaartse correctie van de KOT was dus het gevolg van de stopzetting daarvan door belanghebbende. Er was geen sprake van vooringenomen handelen door B/T.
O/GS
Belanghebbende heeft aangevoerd dat uit de door UHT overgelegde informatie niet blijkt dat voor toeslagjaar 2014 geen sprake is geweest van een onterechte O/GS-kwalificatie.
UHT heeft zowel in de schriftelijke beschouwing als tijdens de hoorzitting toegelicht dat geen sprake is geweest van een O/GS-kwalificatie en gesteld dat er in het dossier ook geen stuk is aangetroffen waarin een verzoek van belanghebbende tot het treffen van een betalingsregeling is neergelegd. Dat er geen betalingsregeling is gevraagd kan ook worden afgeleid dat belanghebbende het door haar over 2014 terug te betalen bedrag van € 339 reeds op 20 januari 2014 in één keer heeft terugbetaald. Ook uit andere omstandigheden is de stelling dat er sprake is geweest van een O/GS kwalificatie niet aannemelijk geworden. De Commissie adviseert UHT het bezwaar op dit punt ongegrond te verklaren.
Proceskostenvergoeding
Nu het bezwaar naar het oordeel van de Commissie ongegrond is en het bestreden besluit in stand kan blijven, adviseert de Commissie om het verzoek om toekenning van een proceskostenvergoeding in de bezwaarprocedure af te wijzen.
Conclusie
Samengevat adviseert de Commissie om het bezwaar ongegrond te verklaren en om het verzoek tot toekenning van een proceskostenvergoeding af te wijzen.
[handtekening]
Secretaris
[handtekening]
Fungerend voorzitter