Ga direct naar de inhoud Ga direct naar de filters Ga direct naar de footer

BAC 2025-16822

Advies van de Bezwaarschriftenadviescommissie hersteloperatie toeslagen

Aan: Belastingdienst/Uitvoeringsorganisatie Herstel Toeslagen (hierna: UHT)

Betreft: het bezwaarschrift van belanghebbende

Primair besluit: 15 augustus 2024 met kenmerk UHT-DCHOA

Hoorzitting: 9 januari 2026

Overdracht advies aan UHT: 11 maart 2026

Samenvatting

De Bezwaarschriftenadviescommissie (hierna: de Commissie) adviseert UHT om het bezwaar ongegrond te verklaren en geen vergoeding van de kosten van rechtsbijstand toe te kennen.

Onderwerp van advies

Het door de gemachtigde namens belanghebbende ingediende bezwaarschrift is gericht tegen de door UHT genomen definitieve beschikking compensatie kinderopvangtoeslag van 15 augustus 2024 met kenmerk UHT-DCHOA (hierna: bestreden besluit)

Aan belanghebbende is met toepassing van de Wet hersteloperatie toeslagen (hierna: Wht) geen compensatie toegekend voor de jaren 2005 tot en met 2009.

Procesverloop

  • Belanghebbende heeft op 20 maart 2023 verzocht om een herbeoordeling van de kinderopvangtoeslag (hierna: KOT) over de jaren 2005 tot en met 2009.
  • De Commissie van Wijzen (hierna: CvW) heeft haar beoordeling van het verzoek van belanghebbende op 11 juli 2024 aan UHT toegestuurd. De CvW heeft geadviseerd dat de compensatieregeling van artikel 2.1, lid 1, van de Wht niet van toepassing is voor de jaren 2005 tot en met 2009.
  • UHT heeft bij bestreden besluit aan belanghebbende meegedeeld dat zij geen recht heeft op compensatie voor de jaren 2005 tot en met 2009.
  • Gemachtigde heeft bij brief van 5 december 2024 tegen dit besluit een bezwaarschrift ingediend.
  • Gemachtigde heeft bij brief van 15 juli 2025 het bezwaarschrift aangevuld.
  • UHT heeft op 29 september 2025 schriftelijk gereageerd op het bezwaarschrift.
  • Op 9 januari 2026 heeft een hoorzitting plaatsgevonden. Van de hoorzitting is een verslag gemaakt, dat achter het advies is gevoegd.
  • Dit advies wordt uitgebracht door de voorzitter en 2 commissieleden.

Ontvankelijkheid

Niet in geschil is dat het bezwaarschrift ontvankelijk is.

Overwegingen ten aanzien van de bezwaren en het bestreden besluit

Naar aanleiding van de hoorzitting stelt de Commissie vast dat het bezwaar enkel nog ziet op de jaren 2007 en 2009. De Commissie ziet zich, gelet op de inhoud van het bestreden besluit en de daartegen aangevoerde bezwaren, geplaatst voor de beantwoording van de vraag of UHT terecht heeft besloten deze jaren niet als, kortweg, compensatiejaren aan te merken.

De Commissie realiseert zich dat de gebeurtenissen destijds een grote impact hebben gehad op belanghebbende en haar dochter. Uit het dossier en hetgeen tijdens de hoorzitting naar voren is gebracht, maakt de Commissie op dat deze periode voor haar emotioneel en praktisch zeer belastend is geweest.
De Commissie heeft begrip voor de gevoelens van onmacht en onrecht die belanghebbende daarbij heeft ervaren. Deze gevoelens zijn versterkt vanwege verschillende administratieve fouten – waaronder het foute kindblad – aan de kant van de Belastingdienst / Toeslagen (hierna: B/T) en UHT. Dat neemt echter niet weg dat voor toekenning van compensatie moet worden voldaan aan de daarvoor geldende wettelijke criteria. Op basis van het dossier heeft de Commissie geen aanknopingspunten kunnen vinden om te adviseren dat B/T bij de toekenning, aanpassing of terugvordering van de KOT voor de toeslagjaren 2007 en 2009 vooringenomen heeft gehandeld of dat het stelsel te hard heeft uitgewerkt.

De KOT is in 2007 één keer (op 25 juli 2008) neerwaarts bijgesteld naar aanleiding van een door belanghebbende doorgegeven wijziging. Deze wijziging is vervolgens verkeerd verwerkt waardoor de KOT onjuist is vastgesteld.
Hoewel belanghebbende als gevolg hier van acht maanden lang een bedrag van
€ 35 heeft moeten terugbetalen aan B/T, ziet de Commissie onvoldoende aanleiding voor de opvatting dat deze onjuiste verwerking het gevolg is van vooringenomen handelen. De Commissie neemt hierbij in aanmerking dat de KOT op 18 april 2009 is verhoogd op basis van de door belanghebbende verstrekte jaaropgave, waarmee de eerder gemaakte fout is hersteld en dat, in tegenstelling tot de stelling van belanghebbende, geen sprake is van andere fouten aan de zijde van B/T in dit jaar.

Met betrekking tot het jaar 2009 overweegt de Commissie dat de KOT tweemaal neerwaarts is bijgesteld. De eerste keer was naar aanleiding van een stopzetting door belanghebbende per 1 oktober 2009 en de tweede keer was naar aanleiding van gegevens uit de KOI-viewer. Er zijn geen aanwijzingen dat B/T destijds niet van de gegevens van de KOI-viewer mocht uitgaan, zeker gelet op de stopzetting per
1 oktober 2009. De KOT is dan ook terecht verlaagd. In de beschouwing heeft UHT nog aangegeven dat de wijzigingen in dit jaar een verwerkingstijd hadden van ongeveer drie weken. Naar het oordeel van de Commissie is dit geen onredelijke verwerkingstermijn.

Ten aanzien van de stelling van belanghebbende dat het onzorgvuldig is dat B/T de KOT automatisch laat doorlopen naar het volgende jaar, overweegt de Commissie dat UHT terecht heeft gesteld dat een toeslagaanvraag geacht wordt mede te zijn gedaan voor de op het berekeningsjaar volgende berekeningsjaren (artikel 15, lid 5, Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen). B/T heeft daarmee de reguliere wettelijke procedure gevolgd zodat het enkele feit van een automatische continuering niet leidt tot de conclusie dat sprake is van vooringenomenheid of hardheid. De stelling van belanghebbende dat bij de automatische continuering geen rekening is gehouden met de door haar doorgegeven wijziging van 24 november 2008 treft evenmin doel, nu de Commissie het aannemelijk acht dat deze wijziging te laat is doorgevoerd om nog meegenomen te kunnen worden in de voorschotbeschikking van 11 december 2008.

Gelet op het vorenstaande adviseert de Commissie aan UHT om het bezwaar ongegrond te verklaren.

Vergoeding van de kosten van rechtsbijstand
Gemachtigde heeft verzocht om een vergoeding van de kosten van rechtsbijstand voor deze bezwaarprocedure. Nu het bezwaar volgens de Commissie ongegrond is komen deze kosten niet voor vergoeding in aanmerking.

Conclusie

Samengevat adviseert de Commissie, de hiervoor geformuleerde vraag bevestigend beantwoordend, UHT om:

  • het bezwaar ongegrond te verklaren en het bestreden besluit met kenmerk UHT-DCHOA in stand te laten;
  • geen vergoeding van de kosten van rechtsbijstand toe te kennen.

[handtekening]

Secretaris

[handtekening]

Fungerend voorzitter