Ga direct naar de inhoud Ga direct naar de filters Ga direct naar de footer

BAC 2025-16806

Advies van de Bezwaarschriftenadviescommissie hersteloperatie toeslagen

Aan: Belastingdienst/Uitvoeringsorganisatie Herstel Toeslagen (hierna: UHT)

Betreft: het bezwaarschrift van belanghebbende

Primair besluit: 19 september 2024 (UHT-DCHO)

Hoorzitting: n.v.t.

Overdracht advies aan UHT: 8 april 2026

Samenvatting

De Commissie adviseert om het bezwaar tegen het besluit met het kenmerk UHT-DCHO ongegrond te verklaren en aan belanghebbende geen proceskostenvergoeding toe te kennen.

Onderwerp van advies

Het door gemachtigde namens belanghebbende ingediende bezwaarschrift is gericht tegen het door UHT genomen definitieve besluit herbeoordeling kinderopvangtoeslag.

Aan belanghebbende is met toepassing van de Wet hersteloperatie toeslagen (hierna: Wht) geen compensatie toegekend voor de toeslagjaren 2010 tot en met 2015. Voor het toeslagjaar 2013 is aan belanghebbende een tegemoetkoming opzet/grove schuld (hierna: O/GS) toegekend voor een bedrag van € 2.475. Dit bedrag is aangevuld tot € 30.000 op grond van de Catshuisregeling.

Procesverloop

  • Belanghebbende heeft op 3 november 2011 verzocht om een herbeoordeling van de kinderopvangtoeslag (hierna: KOT) over de jaren 2010 tot en met 2014. Nadien is dit verzoek in overleg met belanghebbende uitgebreid met het jaar 2015.
  • UHT heeft bij besluit van 4 april 2024 met kenmerk UHT-B DMB2 aan belanghebbende medegedeeld dat zij in aanmerking komt voor een betaling van € 30.000, maar dat de herbeoordeling nog niet klaar is.
  • De Commissie van Wijzen (hierna: CvW) heeft haar beoordeling van het verzoek van belanghebbende op 19 augustus 2024 aan UHT toegestuurd. De CvW heeft geoordeeld dat artikel 2.1, eerste lid van de Wht niet van toepassing is voor de toeslagjaren 2010 tot en met 2015. UHT heeft bij vooraankondiging van 22 augustus 2014 met kenmerk UHT-VCHA aan belanghebbende medegedeeld dat zij in aanmerking komt voor een voorlopige tegemoetkoming O/GS voor het toeslagjaar 2013 en dat zij niet in aanmerking komt voor compensatie voor de toeslagjaren 2010 tot en met 2015.
  • UHT heeft bij het bestreden definitieve besluit van 19 september 2024 met kenmerk UHT-DCHO aan belanghebbende geen compensatie toegekend voor de toeslagjaren 2010 tot en met 2015. Aan belanghebbende is een tegemoetkoming O/GS voor een bedrag van € 2.475 voor het toeslagjaar 2013 toegekend.
  • Gemachtigde heeft op 28 oktober 2024 tegen dit besluit een bezwaarschrift ingediend.
  • UHT heeft op 22 september 2025 schriftelijk gereageerd op het bezwaarschrift.
  • Op 29 januari 2026 heeft de Commissie gemachtigde per e-mail gevraagd of belanghebbende gebruik wilde maken van het recht om te worden gehoord. Tevens heeft de Commissie meegedeeld dat, indien belanghebbende van dit recht van dit recht zou afzien, zij nog de mogelijkheid heeft om binnen vijf weken aanvullende gronden in te dienen. Bij e-mail van 11 februari 2026 heeft belanghebbende te kennen gegeven niet ter hoorzitting te zullen verschijnen. Van de mogelijkheid om aanvullende gronden in te dienen heeft zij geen gebruik gemaakt.
  • Dit advies wordt uitgebracht door de voorzitter en twee commissieleden.

Ontvankelijkheid en algemene opmerkingen

Niet in geschil is dat het bezwaarschrift ontvankelijk is.

Overwegingen ten aanzien van de bezwaren en het bestreden besluit

Geen persoonlijk dossier en/of onvolledig bezwaardossier

Belanghebbende voert in bezwaar aan dat zij niet de beschikking heeft over de volledige informatie, omdat zij niet de beschikking heeft over haar persoonlijk dossier en/of het volledige bezwaardossier. De Commissie overweegt hierover het volgende.

De Commissie is een onafhankelijke bezwaarschriftenadviescommissie in de zin van artikel 7:13 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb). Voor de procedure bij de Commissie gelden de procedurele waarborgen van de Awb en tegen beslissingen op bezwaar van UHT, volgend op de adviezen van de Commissie, kan een belanghebbende rechtsmiddelen instellen bij de rechter.

Op grond van artikel 7:4 lid 2 Awb en artikel 5.2 leden 3 en 4 van de Wht heeft een belanghebbende voorafgaand aan de hoorzitting bij de Commissie recht op afschriften van de op de zaak betrekking hebbende stukken. Gemachtigde heeft het ouderdossier ontvangen op 9 mei 2025. De schriftelijke beschouwing van UHT met de bijbehorende producties is op 19 januari 2026 naar gemachtigde gestuurd. Hierdoor hebben gemachtigde en belanghebbende kennis kunnen nemen van de stukken die ten grondslag liggen aan het bestreden besluit. Uit het verzoek van belanghebbende om toezending van het persoonlijk dossier volgt niet dat in het aan de Commissie en belanghebbende beschikbaar gestelde bezwaardossier nog specifieke stukken zouden ontbreken die van enig belang zouden kunnen zijn geweest bij de totstandkoming van het door UHT genomen besluit. Naar het oordeel van de Commissie is in voldoende mate invulling gegeven aan de procedurele waarborgen van de Awb. Het bezwaar is op dit punt dan ook ongegrond.

Beoordeling per jaar

Belanghebbende vindt het opmerkelijk dat voor sommige jaren vooringenomen handelen wordt aangenomen en voor andere jaren niet. Een selectie in jaren op basis van neerwaartse correcties of nihilstellingen doet geen recht aan de situatie van gedupeerde ouders.

De Commissie wijst in dit verband op de wetsgeschiedenis van de Wht. In de Memorie van Toelichting wordt dit punt expliciet besproken: “Bij integrale beoordeling wordt vastgesteld wat er is misgegaan met de kinderopvangtoeslag bij een gedupeerde ouder en wordt per berekeningsjaar het herstelbedrag vastgesteld dat op grond van een herstelmaatregel als bedoeld in artikel 2.7 van dit wetsvoorstel wordt toegekend.” (Tweede Kamer, vergaderjaar 2021–2022, 36 151, nr. 3, p. 19).

De Commissie leidt hieruit af dat het kennelijk niet de bedoeling van de wetgever is geweest om de vaststelling van gedupeerd zijn van een toeslagouder automatisch door te trekken naar andere jaren. Volgens de Commissie zal daarom per jaar opnieuw moeten worden vastgesteld of sprake is geweest van vooringenomen handelen dan wel hardheid en of de werkwijze van UHT begrijpelijk en daarmee in overeenstemming is. De enkele – niet nader met feiten of omstandigheden onderbouwde – stelling dat van vooringenomenheid sprake moet zijn geweest in andere toeslagjaren als eenmaal sprake is geweest van vooringenomen handelen door de Belastingdienst/Toeslagen (hierna: B/T) of bijzondere omstandigheden in een toeslagjaar acht de Commissie daarom in zijn algemeenheid onjuist. De Commissie adviseert UHT daarom dit deel van het bezwaar ongegrond te verklaren.

Toeslagjaren 2010 tot en met 2015

De Commissie heeft geen aanknopingspunten kunnen vinden om te adviseren dat de B/T bij de toekenning, aanpassing of terugvordering van de KOT voor de toeslagjaren 2010 tot en met 2015 institutioneel vooringenomen heeft gehandeld of dat het stelsel te hard heeft uitgewerkt.

In 2010 hebben twee neerwaartse bijstellingen plaatsgevonden. Bij besluit van 26 mei 2011 is de KOT bijgesteld van € 832 naar € 802. Vervolgens is de KOT bij definitieve vaststelling van 24 september 2013 vastgesteld op € 738. Beide neerwaartse bijstellingen hielden verband met een verhoging van het toetsingsinkomen.

In 2011 hebben geen neerwaartse bijstellingen plaatsgevonden.

In 2012 heeft één neerwaartse bijstelling plaatsgevonden. Bij besluit van 28 maart 2014 is de KOT verlaagd van € 9.902 naar € 9.062, eveneens als gevolg van een verhoging van het toetsingsinkomen.

Ook in 2013 heeft één neerwaartse bijstelling plaatsgevonden. Bij besluit van 31 december 2013 is de KOT verlaagd van € 9.930 naar € 1.682, omdat uit de gegevens van DUO was gebleken, dat het kind van belanghebbende was gestart op de basisschool, waardoor er geen recht meer bestond op dagopvang.

In 2014 heeft eveneens één neerwaartse bijstelling plaatsgevonden. Bij besluit van 21 juli 2018 is de KOT verlaagd van € 3.226 naar € 3.114 op basis van gegevens van de kinderopvanginstelling en vanwege aanpassing van het rekenuurtarief naar het maximaal toegestane kinderopvangtoeslagtarief.

Ten slotte is de KOT in 2015 bij besluit van 29 december 2015 neerwaarts bijgesteld van € 3.292 naar € 221. Uit het systeem van de B/T is gebleken dat er geen kinderopvang was afgenomen. Belanghebbende heeft bovendien in het ouderverhaal verklaard dat zij in 2015 was geëmigreerd naar Turkije.

De terugvordering KOT over deze toeslagjaren was gebaseerd op de vaststelling dat er een te hoog voorschot was toegekend. Dat voorschot is door reguliere wijzigingen opnieuw berekend. Deze bijstellingen zijn in overeenstemming met de wet uitgevoerd. Dergelijke bijstellingen geven in beginsel ook geen aanspraak op een zogenoemde hardheidstegemoetkoming. Bovendien is de KOT rechtstreeks overgemaakt op de rekening van belanghebbende. De Commissie heeft geen aanknopingspunten gevonden om hierover in het geval van belanghebbende anders te oordelen. Er was voor de toeslagjaren 2010, 2011, 2012, 2014 en 2015 ook geen onterechte kwalificatie O/GS, zodat er ook geen aanspraak is op een daarop gebaseerde vergoeding. Voor het jaar 2013 heeft belanghebbende wel een tegemoetkoming voor een onterechte kwalificatie O/GS ontvangen.

Belanghebbende kan een verzoek om aanvullende compensatie voor werkelijke schade indienen. Voor het vragen van aanvullende vergoeding van werkelijke schade kan gebruik gemaakt worden van de mogelijkheden, vermeld in Home | Schadeherstel Toeslagen.

De Commissie adviseert UHT om dit onderdeel van het bezwaar ongegrond te verklaren.

Proceskostenvergoeding

Belanghebbende heeft verzocht om een proceskostenveroordeling toe te kennen conform het Besluit proceskosten bestuursrecht. Aangezien het bezwaar naar het oordeel van de Commissie ongegrond is en de bestreden beslissing in stand kan blijven, adviseert de Commissie om belanghebbende geen proceskostenvergoeding toe te kennen.

Conclusie

Gelet het vorenstaande adviseert de Commissie UHT om het bezwaar gericht tegen de beschikking met kenmerk UHT-DCHO ongegrond te verklaren en geen proceskostenvergoeding toe te kennen.

[handtekening]

Secretaris

[handtekening]

Fungerend voorzitter