Ga direct naar de inhoud Ga direct naar de filters Ga direct naar de footer

BAC 2025-16805

Advies van de Bezwaarschriftenadviescommissie hersteloperatie toeslagen

Aan: Belastingdienst/Uitvoeringsorganisatie Herstel Toeslagen (hierna: UHT)

Betreft: het bezwaarschrift van belanghebbende

Primair besluit: 5 juni 2024 (UHT-DCHO)

Hoorzitting: n.v.t.

Overdracht advies aan UHT: 12 mei 2026

Samenvatting

De Bezwaarschriftenadviescommissie (hierna: de Commissie) adviseert UHT om het bezwaar gedeeltelijk gegrond te verklaren en een proceskostenvergoeding toe te kennen.

Onderwerp van advies

Het door (naam) (hierna: gemachtigde) namens belanghebbende ingediende bezwaarschrift is gericht tegen de door UHT genomen definitieve beschikking compensatie kinderopvangtoeslag.

Aan belanghebbende is met toepassing van de Wet hersteloperatie toeslagen (hierna: Wht) compensatie toegekend voor een bedrag van € 28.490,- , aangevuld tot € 30.000,- op grond van de Catshuisregeling voor de jaren 2008 en 2009 en geen compensatie toegekend voor de jaren 2005 tot en met 2007, 2010, 2011 en 2013 tot en met 2019.

Procesverloop

  • Belanghebbende heeft op 3 juli 2023 verzocht om een herbeoordeling van de kinderopvangtoeslag (hierna: KOT) over de jaren 2005 tot en met 2010 en 2013 tot en met 2019. In overleg met belanghebbende is dit verzoek uitgebreid met het toeslagjaar 2011.
  • De Commissie van Wijzen (hierna: CvW) heeft haar beoordeling van het verzoek van belanghebbende op 21 mei 2024 aan UHT toegestuurd. De CvW heeft geadviseerd dat de Dienst Toeslagen zich terecht op het standpunt stelt dat de compensatieregeling van artikel 2.1, eerste lid, van de Wht niet van toepassing is voor de toeslagjaren 2005 tot en met 2007, 2010, 2011 en 2013 tot en met 2019.
  • UHT heeft bij vooraankondiging van 26 maart 2024 aan belanghebbende compensatie toegekend voor een bedrag van € 28.415,-, aangevuld tot
    € 30.000,- op grond van de Catshuisregeling voor de jaren 2008 en 2009.
  • UHT heeft bij het bestreden besluit met kenmerk (UHT-DCHO) aan belanghebbende compensatie toegekend voor een bedrag van € 28.490,- , aangevuld tot € 30.000,- op grond van de Catshuisregeling voor de jaren 2008 en 2009 en geen compensatie toegekend voor de jaren 2005 tot en met 2007, 2010, 2011 en 2013 tot en met 2019.
  • Gemachtigde heeft bij brief van 5 juli 2024 tegen dit besluit een bezwaarschrift ingediend.
  • UHT heeft op 29 september 2025 schriftelijk gereageerd op het bezwaarschrift.
  • Gemachtigde heeft op 21 januari 2026 meegedeeld dat belanghebbende afziet van het recht om te worden gehoord en verzocht om advisering op grond van de stukken.
  • Gemachtigde heeft, door de Commissie daartoe in de gelegenheid gesteld,
    op 2 april 2026 een schriftelijke reactie ingediend.
  • UHT heeft, door de Commissie daartoe verzocht, op 17 april 2026 een aanvullende beschouwing met bijbehorende productie ingediend.
  • Gelet op het verzoek van belanghebbende om de zaak op stukken af te doen, ziet de Commissie op grond van artikel 7:3, aanhef en onder c, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb), af van het horen van belanghebbende.
    De Commissie heeft het bezwaar behandeld in haar vergadering van 11 mei 2026.
  • Dit advies wordt uitgebracht door de voorzitter en twee commissieleden.

Ontvankelijkheid

Niet in geschil is dat het bezwaarschrift ontvankelijk is.

Overwegingen ten aanzien van de bezwaren en het bestreden besluit

Procedurele bezwaren

Inzage in O/GS-stukken
Belanghebbende betoogt dat zij in haar procesbelang is geschaad doordat zij niet de beschikking heeft over de stukken die ten grondslag liggen aan de conclusie van UHT dat in haar geval geen sprake was van een O/GS-kwalificatie.

De Commissie stelt vast dat zich in het dossier een stuk bevindt met als conclusie dat in het geval van belanghebbende geen sprake is van O/GS (productie 1300001). Gelet op de op 10 maart 2026 aangenomen motie van het lid Ergin (Tweede Kamer, vergaderjaar 2025-2026, 36 708, nr. 68) dient UHT standaard en actief inzage te geven in alle stukken die ten grondslag liggen aan de O/GS-kwalificatie. Als de beoordeling van UHT (mede) berust op de vaststelling dat geen informatie beschikbaar is over belanghebbende in een geraadpleegde gegevensbron, dan moet UHT die vaststelling onderbouwen met bijvoorbeeld een schermafbeelding van de resultaten en geraadpleegde systemen. De Commissie verwijst in dit verband naar de uitspraak van rechtbank Rotterdam van 6 februari 2026, ECLI:NL: RBROT:2026:1545. Deze onderliggende stukken ontbreken in dit geval. De Commissie adviseert UHT om, voorafgaand aan het besluit op bezwaar, met inachtneming van het bovenstaande, aan belanghebbende inzage te geven in alle stukken die ten grondslag liggen aan de O/GSkwalificatie en om belanghebbende de gelegenheid te geven hierop te reageren, eveneens voorafgaand aan het besluit op bezwaar.

Inhoudelijke bezwaren
De Commissie ziet zich gesteld voor de beantwoording van de vraag of UHT de toegekende compensatie voor de jaren 2008 en 2009 op de juiste wijze heeft berekend en terecht en op goede gronden is gekomen tot haar beslissing om het verzoek van belanghebbende om compensatie of tegemoetkoming voor de jaren 2005 tot en met 2007, 2010, 2011 en 2013 tot en met 2019 af te wijzen.

Berekening van de KOT in de jaren 2005, 2006, 2008, 2015 en 2017.
Belanghebbende betoogt dat de berekening van de KOT voor deze toeslagjaren onjuist is geweest en dat de KOT te laag is vastgesteld.

De Commissie overweegt dat de Wht is bedoeld voor herstel van vooringenomen handelen, hardheid of een onterechte O/GS-kwalificatie en niet betrekking heeft op de herziening van definitieve KOT-besluiten. Belanghebbende verzoekt onder meer om een aanpassing van de hoogte van de KOT over de toeslagjaren 2005, 2006, 2008, 2015 en 2017, zoals deze indertijd definitief is vastgesteld.
Een beoordeling daarvan valt dus buiten de reikwijdte van de Wht. De Commissie adviseert UHT daarom om dit onderdeel van het bezwaar ongegrond te verklaren.

Verrekeningen
Belanghebbende voert aan dat zij in aanmerking komt voor een compensatie van de schade die zij heeft geleden als gevolg van de verrekeningen van de terug-vorderingen met de nadien toegekende toeslagen (waaronder de toegekende KOT).

De Commissie overweegt dat deze verrekeningen onderdeel zijn van de uitvoering die wettelijk aan de KOT is gegeven en dat daarbij daarom, behoudens hoge uitzondering, van hardheid of vooringenomen handelen geen sprake is (zie ECLI:NL:RBROT:2025:13791, ECLI:RBROT:2025:3694 en ECLI:RBZWB:2024:4672). Dat in het onderhavige geval een dergelijke uitzonderingssituatie van toepassing is, is de Commissie niet gebleken. Gelet hierop adviseert de Commissie dit onderdeel van het bezwaar ongegrond te verklaren.

Beoordeling toeslagjaar 2007
Belanghebbende betoogt dat voor dit toeslagjaar sprake is van vooringenomen handelen omdat zij op 13 februari 2008 telefonisch contact heeft gehad met B/T betreffende het opsturen van de jaaropgaven, maar dat de KOT pas bij beschikking van 25 augustus 2009 definitief is vastgesteld. Belanghebbende stelt dat zij door de late definitieve vaststelling van de KOT, voor een veel hoger bedrag dan in eerste instantie was toegekend, een groot deel van de kosten voor de kinderopvang uit eigen zak heeft moeten voldoen.

De Commissie overweegt dat het door belanghebbende genoemde telefonisch contact met B/T heeft plaatsgevonden na afloop van het desbetreffende toeslagjaar. UHT heeft in de reactie op de zienswijzen, behorende bij het IB-formulier, toegelicht dat op dat moment onvoldoende gegevens beschikbaar waren om het recht op KOT voor het toeslagjaar 2007 definitief vast te stellen.
Zo ontbraken er bewijsstukken van de vanaf 1 november 2007 afgenomen kinderopvang. Deze heeft belanghebbende op 24 november 2008 opgestuurd. Niet kan worden ontkend dat de definitieve KOTbeschikking lang op zich heeft laten wachten. Echter, de stelling van belanghebbende dat zij daardoor de KOT uit eigen zak heeft moeten voldoen, vindt in de ogen van de Commissie geen steun in de feiten. De door belanghebbende overgelegde facturen voor de maanden november en december 2007 bevestigen dat de KOT bij beschikking van
19 oktober 2007 correct is toegekend en is uitbetaald aan de kinderopvang-instelling. UHT heeft toegelicht, hetgeen ook blijkt uit de in het dossier aanwezige stukken, dat bij de definitieve beschikking van 25 augustus 2009 abusievelijk KOT is toegekend voor 255 uur voor het gehele jaar, in plaats van vanaf 1 november 2007, zoals belanghebbende in de aanvraag had vermeld. Dit heeft in het voordeel van belanghebbende geleid tot een veel hoger definitief KOT-bedrag dan waar zij recht op had en waarvoor zij kosten heeft gemaakt. Voor de hierop gebaseerde stelling dat belanghebbende een groot deel van de kosten voor opvang zelf heeft moeten betalen doordat KOT te laat is toegekend, valt naar de opvatting van de Commissie dan ook onvoldoende steun te vinden. Ook overigens is de Commissie niet gebleken van vooringenomen handelen of hardheid in de toepassing van het wettelijk stelsel. De Commissie adviseert UHT om het bezwaar in zoverre ongegrond te verklaren.

Beoordeling toeslagjaar 2008
UHT heeft zich voor dit toeslagjaar op het standpunt gesteld dat geen sprake is van vooringenomenheid, maar compensatie toegekend op grond van hardheid omdat meer dan € 1500,- aan KOT aan de kinderopvanginstelling is uitbetaald en is teruggevorderd van belanghebbende. Belanghebbende betoogt dat UHT heeft miskend dat voor dit toeslagjaar wel sprake is van vooringenomen handelen. Daartoe voert zij aan dat door B/T intensief onderzoek is verricht op basis van een HOTHOR-classificatie, en dat de door haar doorgegeven wijziging van 12 juli 2008 pas op 14 november 2008 is verwerkt.

De Commissie overweegt als volgt. Aan de aanvraag voor toeslagjaar 2008 is het kenmerk HOTHOR - hoge toeslag/hoog risico - toegevoegd. Dit is een kenmerk dat geautomatiseerd wordt toegevoegd in gevallen van een laag inkomen, waardoor recht ontstaat op een relatief hoog bedrag aan toeslagen. Dit kenmerk heeft tot gevolg dat een extra handmatige controle plaatsvindt. UHT stelt dat het doel van deze extra controles is gelegen in het behoeden van ouders voor hoge terug-vorderingen. Het instellen van een (extra) controle of het tussentijds opvragen van gegevens is op zichzelf onvoldoende om te concluderen dat de B/T voorin-genomen heeft gehandeld. Daarvoor is meer nodig. Een uitvraag of controle als gevolg van het door de B/T gegeven kenmerk HOTHOR dwingt weliswaar tot waakzaamheid bij de beantwoording van de vraag of er institutionele vooringenomenheid is geweest, maar leidt op zichzelf niet dwingend tot een bevestigend antwoord op die vraag.

De Commissie stelt op grond van de stukken vast dat de door belanghebbende op 12 juli 2008 doorgegeven stopzetting voor één van haar kinderen met ingang van 1 september 2008 bij beschikking van 9 december 2008 is verwerkt. De Commissie ziet evenwel geen reden om op grond hiervan aan te nemen dat B/T jegens belanghebbende vooringenomen heeft gehandeld. Belanghebbende heeft hierdoor immers geen KOT misgelopen. Wel is door deze vertraging ten onrechte te veel KOT uitbetaald aan de kinderopvanginstelling en later van belanghebbende teruggevorderd. UHT heeft hiervoor aan belanghebbende reeds compensatie toegekend op grond van hardheid. De Commissie acht in de stukken ook geen andere aanwijzingen aanwezig voor de conclusie dat in dit geval vooringenomen is gehandeld. De Commissie adviseert UHT om het bezwaar in zoverre ongegrond te verklaren.

Beoordeling toeslagjaar 2009
Voor dit toeslagjaar heeft UHT aan belanghebbende compensatie toegekend op grond van hardheid, omdat méér dan € 1500, - aan KOT te veel is uitbetaald aan de kinderopvanginstelling en is teruggevorderd van belanghebbende. Belanghebbende betoogt dat in dit toeslagjaar sprake was van vooringenomen handelen door B/T omdat de KOT ten onrechte is verlaagd. Zij betwist in dit verband dat zij de KOT zelf heeft stopgezet op 28 juli 2009, met ingang van 1 juli 2009.

De Commissie overweegt, onder verwijzing naar productie (nr) van het ouderdossier, dat op 6 september 2009 door of namens belanghebbende langs de elektronische weg een stopzetting is doorgegeven van de KOT voor haar kind (naam), met ingang van 1 juli 2009. De Commissie heeft geen aanwijzingen kunnen vinden in het dossier op grond waarvan B/T er niet op had mogen vertrouwen dat deze stopzetting door of namens belanghebbende zelf is gedaan. In dit verband acht de Commissie onder meer van belang dat blijkens de bij het antwoordformulier van 8 september 2010 door belanghebbende meegestuurde jaaropgave van (naam) Kinderdagverblijf B.V. (productie (nr)) opvang voor haar kind slechts heeft plaatsgevonden tot en met 30 juni 2009. De Commissie adviseert om het bezwaar in zoverre ongegrond te verklaren.

Beoordeling toeslagjaar 2010
UHT heeft voor dit toeslagjaar compensatie afgewezen omdat belanghebbende niet heeft voldaan aan de door B/T verstuurde informatieverzoeken om het recht op KOT te kunnen vaststellen. Belanghebbende betoogt dat het niet aannemelijk is dat zij niet heeft gereageerd op de informatieverzoeken, omdat zij altijd reageerde.

De Commissie overweegt dat uit de stukken blijkt dat belanghebbende bij antwoordformulier van 20 juli 2011 een offerte van de kinderopvanginstelling heeft overgelegd voor opvang voor de maanden november en december 2010. B/T heeft bij brieven van 17 december 2012 en 25 maart 2013 belanghebbende verzocht om het overleggen van kopieën van de jaaropgave en/of maandoverzichten waaruit de opvanggegevens voor het jaar 2010 blijken.
Bij antwoordformulier van 21 maart 2013 heeft belanghebbende hierop gereageerd, maar daarbij niet de gevraagde stukken overgelegd. Uit de telefoonnotitie van 23 mei 2013 (productie (nr)) volgt dat B/T gepoogd heeft contact te leggen met de kinderopvanginstelling, maar zonder succes. Gelet op het vorenstaande concludeert de Commissie dat belanghebbende voldoende in de gelegenheid is gesteld om haar recht op KOT aan te tonen, maar dat zij niet heeft voldaan aan haar verplichting op grond van artikel 18 van de Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen (Awir) om de benodigde gegevens te verstrekken. Gesteld noch gebleken is van omstandigheden op grond waarvan belanghebbende niet aan deze verplichting heeft kunnen voldoen. Hieruit volgt dat B/T de KOT voor dit toeslagjaar om die reden op nihil heeft kunnen stellen en dat UHT terecht heeft geconcludeerd dat geen sprake is van vooringenomen handelen. De Commissie adviseert UHT om het bezwaar in zoverre ongegrond te verklaren.

Beoordeling toeslagjaar 2011
De Commissie heeft geen aanknopingspunten kunnen vinden om te adviseren dat de Belastingdienst/Toeslagen (hierna: B/T) bij de toekenning, aanpassing of terugvordering van de KOT voor dit toeslagjaar vooringenomen heeft gehandeld of dat het stelsel te hard heeft uitgewerkt. De terugvordering van de KOT over dit toeslagjaar was gebaseerd op de vaststelling dat er een te hoog voorschot was toegekend. Dat voorschot is door reguliere wijzigingen, zoals onder meer een door belanghebbende doorgegeven stopzetting van de KOT met ingang van
15 september 2011 (productie (nr)) en een wijziging in het gezamenlijke toetsingsinkomen opnieuw berekend. Deze bijstellingen zijn in overeenstemming met de wet uitgevoerd. Dergelijke bijstellingen geven in beginsel ook geen aanspraak op een zogenoemde hardheidstegemoetkoming. De Commissie heeft geen aanknopingspunten gevonden om hierover in het geval van belanghebbende anders te oordelen. Niet is gebleken dat de KOT aan een onjuiste kinderopvang-instelling is uitbetaald, zoals belanghebbende suggereert, nu UHT heeft toegelicht dat de in de beschikking genoemde instelling en die waaraan de KOT is uitbetaald hetzelfde LRK-nummer hebben en het dus dezelfde opvanginstelling betreft.
De Commissie adviseert UHT daarom om dit onderdeel van het bezwaar ongegrond te verklaren.

Beoordeling toeslagjaren 2012 tot en met 2014
Belanghebbende betoogt dat de toeslagjaren 2012 tot en met 2014 ten onrechte niet in de beoordeling zijn betrokken.

De Commissie overweegt, onder verwijzing naar productie 0900001 van het ouderdossier, dat vaststaat dat belanghebbende voor deze jaren geen KOT heeft aangevraagd en dat er voor deze jaren evenmin beschikkingen zijn afgegeven die betrekking hebben op de KOT. Reeds hierom bestaat voor deze toeslagjaren geen recht op compensatie. De Commissie adviseert UHT om het bezwaar in zoverre ongegrond te verklaren.

Beoordeling toeslagjaar 2015
Belanghebbende betoogt dat in dit toeslagjaar sprake is geweest van vooringenomen handelen, onder meer omdat de beslissing op de aanvraag om KOT lang op zich heeft laten wachten en zij daardoor in de problemen is geraakt omdat zij de kosten voor de kinderopvang zelf heeft moeten voldoen.

De Commissie overweegt als volgt. Belanghebbende heeft op 29 mei 2015 KOT aangevraagd voor drie kinderen, met ingang van 1 juni 2015. Alvorens op de aanvraag te beslissen heeft B/T, in het kader van een HOTHOR-classificatie, bij brief van 11 juli 2015 aan belanghebbende verzocht om toezending van de opvangcontracten, een factuur en bankafschrift voor de maand juni waaruit blijkt dat zij de opvang heeft betaald, een loonstrook voor de maand juni en bewijs dat zij een re-integratietraject volgde via UWV of de gemeente. Belanghebbende heeft deze informatie bij antwoordformulier van 24 juli 2015 verstrekt, waarna B/T de KOT bij beschikking van 21 september 2015 heeft toegekend. Het eerste voorschot is, met terugwerkende kracht, op 15 september 2015 aan belanghebbende uitbetaald. Zoals de Commissie hiervoor (onder de beoordeling van toeslagjaar 2008) reeds heeft overwogen leiden de in het kader van een HOTHOR-classificatie uitgevoerde controles niet zonder meer tot de conclusie dat vooringenomen is gehandeld. Daarvoor is meer nodig. De Commissie acht het in dit geval aannemelijk dat de extra controle is uitgevoerd omdat B/T er zeker van wilde zijn dat belanghebbende recht had op KOT alvorens deze aan haar toe te kennen, zulks ter voorkoming van mogelijk hoge terugvorderingen in het geval de KOT op onjuiste gronden zou worden toegekend. Deze gang van zaken geeft naar de opvatting van de Commissie blijk van zorgvuldigheid door B/T en zij ziet dan ook geen reden voor de conclusie dat B/T vooringenomen heeft gehandeld.
De Commissie acht verder de termijn waarbinnen B/T, na ontvangst van het KOT-aanvraagformulier en de ontvangst van het antwoordformulier, op de aanvraag heeft beslist, en de KOT met terugwerkende kracht tot 1 juni 2015 heeft uitbetaald, onder de gegeven omstandigheden niet onredelijk lang waarbij B/T met de nodige voortvarendheid heeft gehandeld, zodat ook hierin geen reden ligt om vooringenomenheid aan te nemen. De Commissie adviseert UHT om het bezwaar in zoverre eveneens ongegrond te verklaren.

Beoordeling toeslagjaren 2016 en 2017
De Commissie stelt vast dat UHT zich in haar schriftelijke beschouwing van 29 september 2025 alsnog op het standpunt heeft gesteld dat voor deze toeslagjaren sprake was van vooringenomen handelen door B/T en dat recht bestaat op compensatie. De Commissie adviseert UHT om haar toezegging gestand te doen, het bezwaar in zoverre gegrond te verklaren, de bestreden beslissing in zoverre te herroepen en bij de beslissing op bezwaar een nieuwe compensatieberekening te maken, voorzien van een duidelijke toelichting.

Beoordeling toeslagjaren 2018 en 2019
Blijkens de stukken is de KOT voor deze toeslagjaren automatisch gecontinueerd met € 0,- en ook definitief vastgesteld op € 0,- omdat belanghebbende in de betrokken jaren geen gebruik maakte van geregistreerde kinderopvang. Belanghebbende betoogt dat sprake was van vooringenomen handelen door B/T omdat ten onrechte niet is uitgevraagd of inderdaad geen sprake was van kinderopvang.

De Commissie overweegt dat UHT in haar schriftelijke beschouwing van
29 september 2025 heeft toegelicht dat de beschikkingen zijn afgegeven omdat belanghebbende bij haar wijziging van 13 maart 2017 geen stopzetting,
maar 0 uren opvang heeft doorgegeven. De Commissie acht deze uitleg niet onaannemelijk. Zij heeft in de stukken geen aanknopingspunten kunnen vinden voor het oordeel dat de conclusie van B/T, dat in de betrokken jaren niet was voldaan aan de voorwaarden voor toekenning van de KOT doordat geen geregistreerde kinderopvang werd afgenomen, onjuist is geweest. Zo is blijkens de KOI-viewer na januari 2017 geen kinderopvang meer afgenomen. Dit heeft belanghebbende ook niet bestreden. Zij heeft destijds tegen deze beschikkingen ook geen bezwaar aangetekend. Gelet hierop en bij het ontbreken van in een andere richting wijzende omstandigheden, is de Commissie van opvatting dat UHT zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat in deze jaren geen aanspraak bestond op KOT en dat geen sprake is van vooringenomen handelen.
Daarom bestaat voor deze jaren geen recht op compensatie. De Commissie adviseert UHT om de bezwaren in zoverre eveneens ongegrond te verklaren.

Compensatieberekening
Belanghebbende betoogt dat UHT ten onrechte geen vergoeding heeft toegekend voor juridische hulp (component m) en dat de toegekende vergoeding voor immateriële schade (component n) niet de werkelijke schade dekt.

De Commissie overweegt dat belanghebbende niet aannemelijk heeft gemaakt dat zij in enig jaar kosten heeft gemaakt voor juridische rechtsbijstand. Met betrekking tot de immateriële schade overweegt de Commissie dat UHT voor de berekening daarvan is gebonden aan het forfaitair systeem als bepaald in artikel 2.3, vierde lid, van de Wht. Het staat belanghebbende vrij om, indien zij van oordeel is dat haar werkelijke schade hoger is dan dit bedrag, een verzoek om vergoeding daarvan in te dienen als bedoeld in artikel 2.1, derde lid, van de Wht. De Commissie adviseert UHT om het bezwaar in zoverre ongegrond te verklaren.

Overige bezwaren
Voor het overige heeft de gemachtigde van belanghebbende in deze procedure een aantal, meer algemene, bezwaren aangevoerd die naar aard, inhoud en strekking overeenstemmen met de bezwaren die zij in een andere procedure heeft aangevoerd. In die procedure heeft de Commissie op 28 januari 2026 een advies uitgebracht (zie BAC 2023-14521) en, onder aanvoering van de daartoe leidende overwegingen, geadviseerd die bezwaren ongegrond te verklaren. De Commissie adviseert, onder verwijzing naar haar overwegingen in laatstgenoemd advies, deze, meer algemene, bezwaren in deze procedure eveneens ongegrond te verklaren.

Proceskostenvergoeding
Nu de Commissie het bezwaar tegen de bestreden beschikking gedeeltelijk gegrond acht en adviseert om het besluit te herroepen, adviseert de Commissie om het verzoek voor vergoeding van de kosten van rechtsbijstand in deze bezwaarprocedure toe te wijzen. Op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht heeft belanghebbende recht op een forfaitaire vergoeding op basis van twee procespunten (indienen van het bezwaarschrift en verschijnen hoorzitting) met een wegingsfactor 2. Net als in eerdere zaken adviseert de Commissie daarbij de hoogste vergoeding per procespunt toe te kennen.

Conclusie

Samengevat adviseert de Commissie om het bezwaar gedeeltelijk gegrond te verklaren voor zover dit ziet op de inzage in de O/GS stukken en voor zover dit ziet op de toeslagjaren 2016 en 2017 en om:

  • belanghebbende alsnog inzage te geven in de stukken die ten grondslag liggen aan de O/GS-kwalificatie en haar in de gelegenheid te stellen hierop te reageren;
  • voor de toeslagjaren 2016 en 2017 op grond van vooringenomenheid alsnog compensatie toe te kennen en het bestreden besluit in zoverre te herroepen;
  • de, ingevolge de Wht, daarmee samenhangende, vergoedingen opnieuw te berekenen met inachtneming van dit advies, en daarbij, conform het door UHT zelf op dit punt gehanteerde beleid, de einddatum van de daarvoor in aanmerking komende vergoedingen vast te stellen op de datum tot aan de dagtekening van de beslissing op bezwaar;
  • de bezwaren voor het overige ongegrond te verklaren en de bestreden beschikking in zoverre in stand te laten;
  • een vergoeding van de proceskosten voor de onderhavige bezwaarprocedure toe te kennen van twee procespunten met wegingsfactor twee voor het hoogste tarief.

[handtekening]

Secretaris

[handtekening]

Fungerend voorzitter