BAC 2025-16804
Publicatiedatum 07-07-2026
Advies van de Bezwaarschriftenadviescommissie hersteloperatie toeslagen
Aan: Belastingdienst/Uitvoeringsorganisatie Herstel Toeslagen (hierna: UHT)
Betreft: het bezwaarschrift van belanghebbende
Primair besluit: 24 april 2024 (UHT-DCHOA)
Hoorzitting: 9 april 2026
Overdracht advies aan UHT: 17 april 2026
Samenvatting
De Commissie adviseert om het bezwaar tegen het besluit met het kenmerk UHT-DCHO ongegrond te verklaren en aan belanghebbende geen proceskostenvergoeding toe te kennen.
Onderwerp van advies
Het door de gemachtigde namens belanghebbende ingediende bezwaarschrift is gericht tegen de door UHT genomen definitieve beschikking beoordeling kinderopvangtoeslag.
Aan belanghebbende is met toepassing van de Wet hersteloperatie toeslagen (hierna: Wht) geen vergoeding toegekend voor de toeslagjaren 2007 tot en met 2010.
Procesverloop
- Belanghebbende heeft op 16 juni 2022 verzocht om een herbeoordeling van de kinderopvangtoeslag (hierna: KOT) over de jaren vanaf 2005. Nadien is in overleg met belanghebbende dit verzoek beperkt tot de jaren 2007 tot en met 2010.
- UHT heeft bij beschikking van 18 augustus 2022 met kenmerk UHT CHR GU aan belanghebbende medegedeeld dat zij niet in aanmerking komt voor een betaling van € 30.000.
- De Commissie van Wijzen (hierna: CvW) heeft haar beoordeling van het verzoek van belanghebbende op 16 april 2024 aan UHT toegestuurd. De CvW heeft geadviseerd dat artikel 2.1, eerste lid van de Wht niet van toepassing is voor de toeslagjaren 2007 tot en met 2010.
- UHT heeft bij bestreden definitieve beschikking van 24 april 2024 met kenmerk UHT-DCHOA aan belanghebbende medegedeeld dat zij geen recht heeft op een vergoeding voor de toeslagjaren 2007 tot en met 2010.
- Gemachtigde heeft bij brief van 29 mei 2024 tegen deze beschikking een bezwaarschrift ingediend.
- Gemachtigde heeft bij brief van 3 juli 2025 het bezwaarschrift aangevuld.
- UHT heeft op 6 augustus 2025 schriftelijk gereageerd op het bezwaarschrift.
- Op 9 april 2026 heeft een hoorzitting plaatsgevonden. Van de hoorzitting is een verslag gemaakt, dat achter het advies is gevoegd.
- Dit advies wordt uitgebracht door de voorzitter en twee commissieleden.
Ontvankelijkheid
Niet in geschil is dat het bezwaarschrift ontvankelijk is.
Overwegingen ten aanzien van de bezwaren en het bestreden besluit
Motiverings- en zorgvuldigheidsbeginsel
Belanghebbende betoogt dat het bestreden besluit onvoldoende is gemotiveerd en onvoldoende zorgvuldig tot stand is gekomen.
Met de door UHT in bezwaar ingediende beschouwing en de overgelegde stukken waaronder een uitgebreide uitleg met behulp van de overzichten van het Landelijke Incasso Centrum (LIC) - en de overige producties, is in ieder geval thans geen sprake van strijd met de door belanghebbende genoemde algemene beginselen van behoorlijk bestuur. De vraag of die strijd er wel was ten tijde van het bestreden besluit behoeft in dit geval geen beantwoording. De nadere toelichting over de voorbereiding en motivering van het bestreden besluit leidt immers niet tot het herroepen daarvan.
Toeslagjaren 2007 tot en met 2010
De Commissie heeft geen aanknopingspunten kunnen vinden om te adviseren dat de B/T bij de toekenning, aanpassing of terugvordering van de KOT voor de toeslagjaren 2007 tot en met 2010 institutioneel vooringenomen heeft gehandeld of dat het stelsel te hard heeft uitgewerkt.
In de toeslagjaren 2007 en 2009 hebben geen neerwaartse bijstellingen plaatsgevonden. In 2008 heeft één neerwaartse bijstelling plaatsgevonden. De KOT is op 2 oktober 2012 verlaagd van € 9.186 naar € 9.024 naar aanleiding van een verhoging van het toetsingsinkomen. Ten aanzien van het jaar 2010 geldt dat de KOT op 8 mei 2010 op nihil is vastgesteld. Daaraan lag een telefonische stopzetting door belanghebbende op 21 januari 2010 ten grondslag, met ingang van 1 januari 2010.
De terugvordering KOT over deze toeslagjaren was gebaseerd op de vaststelling dat er een te hoog voorschot was toegekend. Dat voorschot is door reguliere wijzigingen opnieuw berekend. Deze bijstellingen zijn in overeenstemming met de wet uitgevoerd. Dergelijke bijstellingen geven in beginsel ook geen aanspraak op een zogenoemde hardheidstegemoetkoming. De Commissie heeft geen aanknopingspunten gevonden om hierover in het geval van belanghebbende anders te oordelen. Er was ook geen onterechte kwalificatie O/GS, zodat er ook geen aanspraak is op een daarop gebaseerde vergoeding. De Commissie adviseert UHT daarom om dit onderdeel van het bezwaar ongegrond te verklaren.
Ex-partner
Ter zitting is naar voren gebracht dat voor belanghebbende met name zwaar weegt dat haar ex-partner in de jaren vanaf 2010 wel als gedupeerde is aangemerkt, terwijl zij dat zelf niet is, hoewel haar zoon ook na het verbreken van de relatie steeds uitsluitend bij haar verbleef. Belanghebbende heeft toegelicht dat juist deze omstandigheid voor haar een belangrijke drijfveer is geweest om bezwaar in te dienen en de procedure voort te zetten. De Commissie begrijpt dat deze situatie voor belanghebbende vragen oproept. De Commissie heeft echter geen inzage in het dossier van de ex-partner en kan zich daarom niet uitlaten over de gronden waarop de ex-partner al dan niet als gedupeerde is aangemerkt.
Proceskostenvergoeding
Belanghebbende heeft verzocht om een proceskostenveroordeling toe te kennen conform het Besluit proceskosten bestuursrecht. Aangezien het bezwaar naar het oordeel van de Commissie ongegrond is en de bestreden beslissing in stand kan blijven, adviseert de Commissie om belanghebbende geen proceskostenvergoeding toe te kennen.
Conclusie
Gelet het vorenstaande adviseert de Commissie UHT om het bezwaar gericht tegen de beschikking met kenmerk UHT-DCHO ongegrond te verklaren en geen proceskostenvergoeding toe te kennen.
[handtekening]
Secretaris
[handtekening]
Fungerend voorzitter