BAC 2025-16800
Publicatiedatum 14-07-2026
Advies van de Bezwaarschriftenadviescommissie hersteloperatie toeslagen
Aan: Belastingdienst/Uitvoeringsorganisatie Herstel Toeslagen (hierna: UHT)
Betreft: het bezwaarschrift van belanghebbende
Primair besluit: 4 maart 2024 (UHT-DCHOA)
Hoorzitting: n.v.t.
Overdracht advies aan UHT: 30 april 2026
Samenvatting
De Commissie adviseert om het bezwaar tegen het besluit met het kenmerk UHT-DCHOA ongegrond te verklaren en aan belanghebbende geen proceskosten-vergoeding toe te kennen.
Onderwerp van advies
Het door de gemachtigde namens belanghebbende ingediende bezwaarschrift is gericht tegen het door UHT genomen definitieve besluit compensatie kinderopvangtoeslag.
Aan belanghebbende is met toepassing van de Wet hersteloperatie toeslagen (hierna: Wht) geen compensatie toegekend voor de jaren 2009 tot en met 2012.
Procesverloop
- Belanghebbende heeft op 30 december 2021 verzocht om een herbeoordeling van de kinderopvangtoeslag (hierna: KOT) over de jaren 2009 tot en met 2012.
- UHT heeft bij voorlopig besluit van 25 mei 2022 aan belanghebbende medegedeeld dat zij niet in aanmerking komt voor een betaling van € 30.000,-.
- De Commissie van Wijzen (hierna: CvW) heeft haar beoordeling van het verzoek van belanghebbende op 23 februari 2024 aan UHT toegestuurd. De CvW heeft geadviseerd dat gedurende de betrokken jaren geen sprake is geweest van institutionele vooringenomenheid of bijzondere omstandigheden.
- UHT heeft bij het bestreden besluit aan belanghebbende medegedeeld dat zij geen recht heeft op compensatie voor de jaren 2009 tot en met 2012.
- Gemachtigde heeft bij brief van 15 april 2024 tegen dit besluit bezwaar gemaakt.
- UHT heeft op 29 september 2025 schriftelijk gereageerd op het bezwaarschrift.
- Op 13 april 2026 heeft gemachtigde namens belanghebbende aangegeven geen gebruik te willen maken van het recht om gehoord te worden en dat in de zaak op stukken kan worden geadviseerd. Voorts heeft gemachtigde op dezelfde datum het bezwaarschrift aangevuld.
- Dit advies wordt uitgebracht door de voorzitter en twee commissieleden.
Ontvankelijkheid
Niet in geschil is dat het bezwaar ontvankelijk is.
Overwegingen ten aanzien van de bezwaren en het bestreden besluit
Toeslagjaren 2009 tot en met 2012
De Commissie heeft geen aanknopingspunten kunnen vinden om te adviseren dat de B/T bij de toekenning, aanpassing of terugvordering van de KOT voor de toeslagjaren 2009 tot en met 2012 institutioneel vooringenomen heeft gehandeld of dat het stelsel te hard heeft uitgewerkt.
In 2009 hebben geen neerwaartse bijstellingen plaatsgevonden.
In 2010 heeft één neerwaartse bijstelling plaatsgevonden. Bij besluit van 9 juli 2013 is de KOT bijgesteld van € 12.198 naar € 12.120. Deze neerwaartse bijstelling hield verband met een verhoging van het toetsingsinkomen.
In 2011 heeft één neerwaartse bijstelling plaatsgevonden. Bij besluit van 2 juli 2013 is de KOT verlaagd van € 13.230 naar € 13.124, eveneens als gevolg van een verhoging van het toetsingsinkomen.
Ook in 2012 hebben neerwaartse bijstellingen plaatsgevonden. Bij besluit van
21 maart 2012 is de KOT verlaagd van € 13.001 naar € 3.756. Uit informatie van het digitale burgerportaal blijkt dat belanghebbende zelf op 13 februari 2012 de KOT per 15 april 2012 heeft stopgezet. Vervolgens is de KOT op 6 januari 2015 definitief beschikt op € 3.720, vanwege een wijziging in het toetsingsinkomen.
De terugvordering van KOT over deze toeslagjaren was gebaseerd op de vaststelling dat er een te hoog voorschot was toegekend. Dat voorschot is door reguliere wijzigingen opnieuw berekend. Deze bijstellingen zijn in overeen-stemming met de wet uitgevoerd. Dergelijke bijstellingen geven in beginsel ook geen aanspraak op een zogenoemde hardheidstegemoetkoming. Alleen in toeslagjaar 2012 was er sprake van een verlaging van meer dan € 1.500, maar de teveel betaalde (en teruggevorderde) KOT is aan belanghebbende ten goede gekomen. Volgens het overzicht van het Landelijk Incassocentrum is € 3.755 aan de KOI uitbetaald terwijl de opvangkosten in dat jaar volgens de KOI-viewer
€ 5.355,31 bedroegen. De Commissie heeft geen aanknopingspunten gevonden om hierover in het geval van belanghebbende anders te oordelen. Er was voor deze toeslagjaren ook geen onterechte kwalificatie O/GS, zodat er ook geen aanspraak is op een daarop gebaseerde vergoeding. De Commissie adviseert UHT om dit onderdeel van het bezwaar ongegrond te verklaren.
Proceskostenvergoeding
Belanghebbende heeft verzocht om een proceskostenveroordeling toe te kennen conform het Besluit proceskosten bestuursrecht. Aangezien het bezwaar naar het oordeel van de Commissie ongegrond is en het bestreden besluit in stand kan blijven, adviseert de Commissie om belanghebbende geen proceskostenvergoeding toe te kennen.
Conclusie
Gelet het vorenstaande adviseert de Commissie UHT om het bezwaar gericht tegen het besluit met kenmerk UHT-DCHOA ongegrond te verklaren en geen proces-kostenvergoeding toe te kennen.
[handtekening]
Secretaris
[handtekening]
Fungerend voorzitter