BAC 2025-16782
Publicatiedatum 06-08-2026
Advies van de Bezwaarschriftenadviescommissie hersteloperatie toeslagen
Aan: Belastingdienst/Uitvoeringsorganisatie Herstel Toeslagen (hierna: UHT)
Betreft: het bezwaarschrift van belanghebbende
Primair besluit: 8 oktober 2024 (UHT-DCHO) (bestreden besluit)
Hoorzitting: 4 februari 2026
Overdracht advies aan UHT: 7 juni 2026
Samenvatting
De Bezwaarschriftenadviescommissie (hierna: de Commissie) adviseert UHT om het bezwaar ongegrond te verklaren.
Onderwerp van advies
Het door gemachtigde namens belanghebbende ingediende bezwaarschrift is gericht tegen de door UHT genomen definitieve beschikking compensatie kinderopvangtoeslag (hierna: KOT) van 8 oktober 2024 (UHT-DCHO).
Aan belanghebbende is met toepassing van de Wet hersteloperatie toeslagen (hierna: Wht) compensatie toegekend van €23.026,- voor het jaar 2011. Dit bedrag is op grond van de Catshuisregeling aangevuld tot €30.000,-. Voor het jaar 2016 is geen compensatie toegekend.
Procesverloop
- Belanghebbende heeft op 9 februari 2021 verzocht om een herbeoordeling van de KOT. UHT heeft in overleg met belanghebbende de toeslagjaren 2011 en 2016 herbeoordeeld.
- De Commissie van Wijzen (hierna: CvW) heeft haar beoordeling van het verzoek van belanghebbende op 9 september 2024 aan UHT toegestuurd. De CvW heeft geadviseerd dat gedurende het jaar 2016 geen sprake is geweest van institutionele vooringenomenheid of bijzondere omstandigheden.
- UHT heeft bij vooraankondiging van 12 juli 2024 aan belanghebbende een compensatie toegekend voor een bedrag van €22.377,-. Dit bedrag is aangevuld tot €30.000,- op grond van de Catshuisregeling.
- UHT heeft bij het bestreden besluit aan belanghebbende een compensatie toegekend van €23.026,- voor het jaar 2011. Voor het jaar 2016 is geen compensatie toegekend.
- Gemachtigde heeft bij brief van 27 november 2024, ingekomen op dezelfde dag, tegen dit besluit een bezwaarschrift ingediend.
- UHT heeft op 27 augustus 2025 schriftelijk gereageerd op het bezwaarschrift.
- Gemachtigde heeft bij brief van 29 december 2025, ingekomen, het bezwaar aangevuld.
- De Commissie heeft de aanvullende gronden op 29 januari 2026 met UHT gedeeld en verzocht om een schriftelijke reactie.
- UHT heeft op 2 februari 2026 schriftelijk gereageerd op het aanvullend bezwaarschrift.
- Op 4 februari 2026 heeft een hoorzitting plaatsgevonden. Van de hoorzitting is een verslag gemaakt, dat achter het advies is gevoegd.
- UHT heeft, daartoe door de Commissie ter zitting verzocht, op 25 maart 2026 een nadere schriftelijke reactie ingediend. De onderliggende stukken zijn hierbij niet overgelegd, omdat de producties eerst geanonimiseerd dienden te worden. Ook nadien heeft de Commissie deze stukken niet ontvangen.
- De Commissie heeft partijen op 15 april 2026 geïnformeerd dat zij tot advisering zal overgaan op basis van de beschikbare stukken.
- Dit advies wordt uitgebracht door de voorzitter en twee commissieleden.
Ontvankelijkheid
Niet in geschil is dat het bezwaarschrift ontvankelijk is.
Overwegingen ten aanzien van de bezwaren en het bestreden besluit
De Commissie ziet zich gesteld voor de vraag of UHT de toegekende compensatie voor het jaar 2011 op de juiste wijze heeft berekend en terecht en op goede gronden is gekomen tot haar beslissing om het verzoek van belanghebbende om compensatie of tegemoetkoming voor het jaar 2016 af te wijzen.
Beoordeling compensatie over toeslagjaar 2011
Belanghebbende heeft voor toeslagjaar 2011 een compensatie toegekend gekregen van €23.026,-, welke op grond van de Catshuisregeling is aangevuld tot €30.000,-. UHT heeft bij de beschouwing een Bijlage compensatieberekening opgenomen, waarin per component wordt uitgelegd of het bedrag juist is.
UHT erkent dat de rente over gemiste KOT (component h) onjuist is vastgesteld op €7.089,-. Als startdatum is 1 juli 2012 gehanteerd (ouderdossier pagina 56 onder component o).
De einddatum voor de berekening is vastgesteld op 8 oktober 2024. Dit is de dagtekening van het primaire besluit (ouderdossier pagina 52). Op grond van deze data zou de rentevergoeding €7.077,- moeten bedragen (productie 2700105). Aangezien dit bedrag in het nadeel van belanghebbende is, wordt dit bedrag niet aangepast.
De Commissie stemt hiermee in en de compensatieberekening komt haar ook voor het overige juist voor.
Afwijzing compensatie over toeslagjaar 2016
Belanghebbende stelt dat de afwijzing van compensatie voor het toeslagjaar 2016 onjuist is. Volgens belanghebbende heeft zij ook over dit toeslagjaar KOT moeten terugbetalen. Daarnaast is aan haar een persoonlijke betalingsregeling geweigerd.
UHT stelt zich op het standpunt dat belanghebbende voor dit toeslagjaar geen recht heeft op een herstelregeling. Aan belanghebbende is een betalingsregeling toegekend voor 24 maanden. Belanghebbende is vervolgens in bezwaar gegaan tegen de hoogte van het vastgestelde maandbedrag. Het bezwaar is afgewezen op basis van de wettelijk voorgeschreven berekeningsmethode.
De Commissie heeft geen aanknopingspunten kunnen vinden om te adviseren dat de Belastingdienst/Toeslagen (hierna: B/T) bij de toekenning, aanpassing of terugvordering van de KOT voor het toeslagjaar 2016 institutioneel vooringenomen heeft gehandeld of dat het stelsel te hard heeft uitgewerkt.
De terugvordering KOT over het toeslagjaar 2016 was gebaseerd op de vaststelling dat er een te hoog voorschot was toegekend. Dat voorschot is door reguliere wijzigingen opnieuw berekend. Daarbij ging het om het verhoogd gezamenlijk toetsingsinkomen waarin begrepen het inkomen uit – naar de Commissie begrijpt – de afkoop van een lijfrenteverzekering, afgesloten door de overleden vader van belanghebbende. Deze bijstellingen zijn in overeenstemming met de wet uitgevoerd.
Dergelijke bijstellingen geven in beginsel ook geen aanspraak op een zogenoemde hardheidstegemoetkoming. Om hiervoor in aanmerking te komen dient er een terugvordering of verlaging van de KOT van meer dan €1.500,- te zijn geweest en daarvan is in dit geval geen sprake.
Persoonlijke betalingsregeling en beoordeling O/GS-kwalificatie
Belanghebbende voert in het aanvullend bezwaarschrift van 29 december 2025 aan dat aan haar een persoonlijke betalingsregeling is geweigerd voor het toeslagjaar 2016. De regeling werd geweigerd, omdat belanghebbende destijds over een woning beschikte met overwaarde. Daarbij is volgens belanghebbende onvoldoende rekening gehouden met haar feitelijke omstandigheden. Belanghebbende had kort daarvoor de woning aangekocht, waarvoor de volledige nalatenschap van haar vader werd aangewend. De Commissie is van oordeel dat hetgeen belanghebbende aanvoert niet leidt tot de conclusie dat haar door B/T een persoonlijke betalingsregeling werd geweigerd op grond van de ongerechtvaardigde aanname dat het aan haar opzet of grove schuld te wijten was dat zij onterecht te veel KOT ontving. De weigering was gebaseerd op het standpunt van B/T dat belanghebbende in staat was de teruggevorderde KOT te betalen, gegeven haar vermogenspositie.
Tevens heeft belanghebbende verzocht om, ter beoordeling van het standpunt van UHT dat geen sprake is geweest van een onterechte kwalificatie O/GS (ouderdossier, pagina 206), alle onderliggende stukken en interne vastleggingen toe te zenden, waaronder interne memo’s, beslisnotities, risicosignalen en eventuele systeemregistraties. Belanghebbende stelt dat wel degelijk aanspraak bestaat op een vergoeding wegens de ongerechtvaardigde aanname van B/T dat belanghebbende opzettelijk of met grove schuld onterecht te veel KOT ontving.
De Commissie overweegt dat belanghebbende recht heeft op de stukken die ten grondslag liggen aan de O/GS-beoordeling.
De Commissie wijst in dit verband op de motie van het lid Ergin die op 10 maart 2026 is aangenomen (Tweede Kamer, vergaderjaar 2025-2026, 36 708, nr. 68) en waarin de Kamer heeft uitgesproken dat UHT standaard en actief inzage geeft in alle stukken die ten grondslag liggen aan de O/GS kwalificatie.
Als de beoordeling van UHT (mede) rust op de vaststelling dat geen informatie beschikbaar is over belanghebbende in een geraadpleegde gegevensbron, dan moet UHT die vaststelling onderbouwen met bijvoorbeeld een schermafbeelding van de resultaten en geraadpleegde systemen. Volledigheidshalve verwijst de Commissie ook naar de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 6 februari 2026, ECLI:NL:RBROT:2026:1545. Derhalve adviseert de Commissie aan UHT om voorafgaand aan het besluit op bezwaar, met inachtneming van bovenstaande, inzage te geven in alle stukken die ten grondslag liggen aan de O/GS-kwalificatie en om belanghebbende de gelegenheid te geven hierop te reageren, eveneens voorafgaand aan het besluit op bezwaar.
Niet herbeoordeelde toeslagjaren
Belanghebbende verzoekt om een herbeoordeling van de overige toeslagjaren 2005 tot en met 2010, 2012 tot en met 2015, 2017 tot en met 2019.
De Commissie overweegt dat zij over bovengenoemde jaren pas een advies kan uitbrengen, als UHT na herbeoordeling van dit jaar een voor bezwaar vatbaar besluit heeft genomen. Indien deze herbeoordeling niet leidt tot een voor belanghebbende bevredigend besluit, dan kan zij, indien zij dat wenst, tegen dat besluit een bezwaarschrift indienen.
Proceskostenvergoeding
Het bezwaar is naar opvatting van de Commissie ongegrond. Er is geen aanleiding voor herroeping van het bij bezwaar bestreden besluit. De Commissie ziet, gelet op het bepaalde in artikel 7:15 lid 2 Awb, geen aanleiding om UHT te adviseren een proceskostenvergoeding toe te kennen.
Conclusie
Samengevat adviseert de Commissie om het bezwaar ongegrond te verklaren.
[handtekening]
Secretaris
[handtekening]
Fungerend voorzitter