BAC 2025-16781
Publicatiedatum 07-07-2026
Advies van de Bezwaarschriftenadviescommissie hersteloperatie toeslagen
Aan: Belastingdienst/Uitvoeringsorganisatie Herstel Toeslagen (hierna: UHT)
Betreft: het bezwaarschrift van belanghebbende
Primair besluit: 03-10-2024 (UHT-HD CWS)
Hoorzitting: 9 maart 2026 om 15:00 uur
Overdracht advies aan UHT: 16 april 2026
Samenvatting
De Bezwaarschriftenadviescommissie (hierna: de Commissie) adviseert UHT om het bezwaar ongegrond te verklaren.
Onderwerp van advies
Het door de gemachtigde namens belanghebbende ingediende bezwaarschrift is gericht tegen de door UHT genomen beschikking aanvullende werkelijke schadevergoeding na advies van de Commissie Werkelijke Schade (hierna: CWS) van 16 september 2024, hierna het bestreden besluit.
Aan belanghebbende is met toepassing van de Wet hersteloperatie toeslagen (hierna: Wht) een aanvullende compensatie toegekend voor een bedrag van
€ 29.713,-. In de aanvullende beschouwing heeft UHT een extra aanvullende vergoeding aan belanghebbende toegezegd van € 1.465.
Procesverloop
- Belanghebbende heeft op 23 december 2020 verzocht om een herbeoordeling van de Kinderopvangtoeslag (hierna: KOT) over de jaren 2009, 2010 en 2012.
- UHT heeft bij besluit van 29 april 2021 aan belanghebbende medegedeeld dat zij in aanmerking komt voor een betaling van €30.000,-.
- UHT heeft bij besluit van 24 december 2021 aan belanghebbende een compensatie toegekend voor een bedrag van €38.591.
- Belanghebbende heeft op 26 augustus 2022 verzocht om een aanvullende compensatie voor de werkelijke schade.
- De CWS heeft haar beoordeling van het verzoek van belanghebbende op 16 september 2024 aan UHT toegestuurd.
- UHT heeft het advies van CWS gevolgd en bij het bestreden besluit aan belanghebbende een aanvullende compensatie toegekend voor een bedrag van € 29.713.
- Gemachtigde heeft bij brief van 12 november 2024, tegen dit besluit een bezwaarschrift ingediend.
- Gemachtigde heeft bij brief van 3 december 2024, ingekomen op 6 december 2024, het bezwaarschrift aangevuld.
- UHT heeft op 18 maart 2025 met een beschouwing gereageerd op het bezwaarschrift.
- Op 27 maart en 2 mei 2025 heeft belanghebbende nadere stukken aan de Commissie overgelegd.
- UHT heeft op 2 maart 2026 een aanvullende beschouwing ingediend.
- Op 9 maart 2026 heeft een hoorzitting plaatsgevonden. Van de hoorzitting is een verslag gemaakt, dat achter het advies is gevoegd.
- Dit advies wordt uitgebracht door de voorzitter en twee commissieleden.
Ontvankelijkheid
Niet in geschil is dat het bezwaar ontvankelijk is.
Overwegingen ten aanzien van de bezwaren en het bestreden besluit
Toetsingskader
In het kader van de hersteloperatie KOT biedt de wet gedupeerde ouders de mogelijkheid – naast de (deels) forfaitaire compensatie – ook een verzoek tot vergoeding van aanvullende compensatie voor werkelijke schade te doen. Artikel 2.1, derde lid, Wht vermeldt de gang van zaken rondom de indiening van dit verzoek, dat met toepassing van het civielrechtelijke schadevergoedingsrecht wordt beoordeeld (zie ook Afdeling Bestuursrechtspraak 27 september 2023, ECLI:NL:RVS:2023:3620). De gedupeerde ouder dient daarbij informatie te verschaffen waaruit aannemelijk wordt:
i) dat en in welke mate daadwerkelijk sprake is van aanvullende schade; en
ii) dat die schade het gevolg is van de handelwijze van de BD/T waarvoor de ouder al gecompenseerd is.
Na haar beoordeling of een gedupeerde ouder recht heeft op aanvullende compensatie, brengt CWS haar advies daarover uit aan UHT. UHT mag zich op het onderzoek van CWS baseren, nadat ze zich ervan vergewist heeft dat het advies zorgvuldig tot stand is gekomen, de redenering daarvan begrijpelijk is en de getrokken conclusies daarop aansluiten. Dit volgt uit artikel 3:9 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). UHT kan ter motivering van haar besluit over aanvullende compensatie volstaan met verwijzing naar het advies van CWS, als het advies zelf de toereikende motivering bevat en van het advies kennis is of wordt gegeven. Het is mogelijk dat UHT in uitzonderlijke gevallen tot een beslissing komt die ten nadele van de belanghebbende afwijkt van het advies van CWS, maar dit moet zij dan goed onderbouwen.
In een bezwaarprocedure als deze beoordeelt de Commissie of UHT op een juiste wijze invulling heeft gegeven aan de hier bedoelde ‘vergewisplicht’. Deze toets vindt in beginsel plaats aan de hand van de door belanghebbende ingediende gronden van het bezwaar. Als UHT in negatieve zin is afgeweken van het advies van CWS, beoordeelt de Commissie of dit goed onderbouwd heeft plaatsgevonden. Omdat de beslissing op het verzoek om aanvullende compensatie in overeenstemming moet zijn met het civiele schadevergoedingsrecht, houdt de vergewisplicht in dat de Commissie voor haar advisering zelfstandig onderzoekt of CWS en in haar voetspoor UHT een juiste toepassing hebben gegeven aan de regels van dat schadevergoedingsrecht. De Commissie zal aan de hand van deze uitgangspunten beoordelen of UHT in dit geval op goede gronden het advies van CWS heeft gevolgd.
Schadeposten
OG/S, FSV en FIOD-registratie
Belanghebbende voert aan dat zij ten onrechte als fraudeur is aangemerkt. In dat verband wijst belanghebbende erop dat sprake was van een registratie in de Fraude Signalering Voorziening (FSV) en bij de FIOD en stelt zij daardoor te zijn benadeeld. De Commissie overweegt dat uit een registratie in FSV of bij de FIOD op zichzelf niet volgt dat een belanghebbende door B/T als fraudeur is aangemerkt. Een FSV-registratie hield verband met een signaal dat aanleiding kon geven tot nader onderzoek van een aanvraag of aangifte. Dat betekent niet zonder meer dat sprake was van vastgestelde fraude of van een kwalificatie opzet of grove schuld. Het enkele feit van registratie is daarvoor onvoldoende. De Commissie neemt daarbij mede in aanmerking dat uit het dossier niet blijkt dat aan belanghebbende een kwalificatie opzet of grove schuld is tegengeworpen. De stelling dat belanghebbende reeds daarom als fraudeur is behandeld, volgt de Commissie dan ook niet. Voor zover belanghebbende betoogt dat zij door de registratie in FSV of bij de FIOD nadeel heeft ondervonden, overweegt de Commissie dat daarvoor concrete aanknopingspunten nodig zijn. Dergelijke aanknopingspunten heeft de Commissie in het dossier niet aangetroffen en zijn tijdens de hoorzitting ook niet naar voren gekomen. Niet is gebleken dat de registratie in het geval van belanghebbende heeft geleid tot een voor vergoeding in deze bezwaarprocedure in aanmerking komend gevolg. De enkele veronderstelling dat registratie altijd tot benadeling heeft geleid, is daarvoor niet voldoende. De Commissie merkt daarbij op dat voor mogelijke schade als gevolg van een FSV-registratie een afzonderlijke route bestaat. Waar het gaat om informatieverstrekking over een FSV-vermelding, kan de Commissie UHT hooguit adviseren om belanghebbende passend te informeren over hoe en waar nadere informatie kan worden verkregen. Dat onderstreept dat deze bezwaarprocedure niet de aangewezen route is om zonder nadere onderbouwing schade wegens FSV-registratie vast te stellen. De Commissie adviseert UHT om het bezwaar op dit onderdeel ongegrond te verklaren.
Vervangende opvangkosten
Belanghebbende heeft aangevoerd dat het vreemd en vernederend voelt dat voor vervangende opvangkosten een bedrag van € 15.000 is toegekend. Hoewel belanghebbende geen concrete gronden tegen de berekening of de grondslag van dit bedrag heeft aangevoerd, begrijpt de Commissie deze bezwaargrond zo dat belanghebbende zich niet kan verenigen met de wijze waarop deze vergoeding tot stand is gekomen. De Commissie overweegt dat deze bezwaarprocedure betrekking heeft op de beoordeling van de toegekende standaardvergoedingen en, voor zover aan de orde, op aanvullende compensatie die UHT na advisering door CWS heeft overgenomen. Bij een verzoek om aanvullende compensatie dient de gedupeerde ouder gegevens te verstrekken waaruit aannemelijk wordt dat daadwerkelijk schade is geleden en wat de omvang daarvan is. UHT mag zich daarbij in beginsel baseren op een advies van CWS, mits UHT zich ervan heeft vergewist dat dit advies zorgvuldig tot stand is gekomen, de redenering inzichtelijk is en de conclusies daarop aansluiten. Voor vervangende opvangkosten geldt dat, indien aannemelijk is dat een ouder wegens de problemen rond de KOT zelf vervangende opvang heeft moeten regelen, de daarmee gemoeide kosten voor vergoeding in aanmerking kunnen komen. Indien concrete gegevens over de daadwerkelijk gemaakte kosten ontbreken, kan CWS die schade begroten aan de hand van forfaitaire bedragen. Dat past binnen het door CWS gehanteerde toetsingskader, waarin niet is vereist dat iedere schadepost uitsluitend wordt vastgesteld op basis van volledig met stukken onderbouwde historische gegevens, mits het bestaan van de schade aannemelijk is en de begroting daarvan deugdelijk kan worden gevolgd. In dit geval heeft CWS aannemelijk kunnen achten dat belanghebbende vervangende opvang voor de kinderen heeft moeten regelen en daarvoor kosten heeft gemaakt. Daarbij is van belang dat uit de stukken volgt dat op meerdere momenten vervangende opvang is geregeld, onder meer bij familie en vrienden. Nu belanghebbende geen concrete gegevens heeft overgelegd waaruit blijkt dat de werkelijke kosten anders waren, heeft CWS mogen aansluiten bij de toepasselijke standaardbedragen. Dat belanghebbende deze forfaitaire benadering als onbevredigend of vernederend ervaart, maakt op zichzelf niet dat de vergoeding onjuist of onzorgvuldig is vastgesteld. De Commissie ziet in hetgeen belanghebbende heeft aangevoerd dan ook geen aanknopingspunten voor het oordeel dat UHT het CWS-advies op dit punt niet aan het bestreden besluit ten grondslag mocht leggen. Voor zover belanghebbende heeft bedoeld te stellen dat de vergoeding hoger of anders had moeten worden vastgesteld, geldt dat daarvoor concrete en verifieerbare gegevens over de daadwerkelijk gemaakte kosten nodig zijn. Dergelijke gegevens ontbreken. Reeds daarom bestaat geen grond voor het oordeel dat het toegekende bedrag van € 15.000 onjuist is. De Commissie adviseert UHT om het bezwaar op dit onderdeel ongegrond te verklaren.
Vermogensschade
Belanghebbende voert aan vermogensschade te hebben geleden doordat de woning wegens de problemen met de KOT op een ongunstig moment en voor een te lage prijs is verkocht. Ook voert belanghebbende overige vermogensschade aan, bestaande uit zorgkosten, verhuiskosten en kosten van echtscheiding. De Commissie overweegt dat voor aanvullende schadevergoeding aannemelijk moet zijn dat daadwerkelijk schade is geleden en dat deze schade het gevolg is van de handelwijze van de B/T waarvoor al compensatie is toegekend. Naar het oordeel van de Commissie biedt het dossier onvoldoende aanknopingspunten om aan te nemen dat de verkoop van de woning het directe gevolg was van de problemen met de KOT. Uit het dossier volgt dat de financiële problemen van belanghebbende na haar inschrijving op een ander adres dan dat van de kinderen in maart 2012 zijn ontstaan en samenhangen met persoonlijke omstandigheden, waaronder een relatiebreuk. Deze inschrijving leidde tot de terugvordering van het voorschot voor 2012 op 21 juni 2012. Ten aanzien van de relatiebreuk overweegt de Commissie dat uit het dossier volgt dat belanghebbende en haar toenmalige partner hun relatie zelf in maart 2012 hebben beëindigd.
Belanghebbende heeft zich toen per 12 maart 2012 ingeschreven op een ander adres. Een en ander volgt ook uit het echtscheidingsconvenant van 16 januari 2013. De echtscheiding is in april 2013 ingeschreven in de openbare registers. Tegen deze achtergrond acht de Commissie het niet aannemelijk dat de echtscheiding het gevolg is geweest van problemen met de KOT.
Verder bevat het dossier aanknopingspunten dat een andere oorzaak van de financiële problemen gelegen was in het niet nakomen van de financiële verplichtingen door de expartner van belanghebbende: hij had volgens het convenant de verplichting de woonlasten te betalen en had ook het gebruiksrecht van de gezamenlijke woning. De financiële problematiek heeft er uiteindelijk toe geleid dat belanghebbende heeft verzocht om toegelaten te worden tot de regeling van de WSNP. Ten overvloede en los van het voorgaande merkt de Commissie nog op dat zij geen aanknopingspunten gevonden heeft die erop wijzen dat de verkoop van de woning geresulteerd heeft in schade die voor vergoeding in aanmerking komt. De Commissie overweegt dat het schadebedrag van € 250.000 niet is onderbouwd, terwijl uit de beschikbare gegevens volgt dat de woning is verkocht voor een bedrag dat in de lijn ligt van de WOZ-waarde rond de verkoopdatum. Daarbij komt dat tegenover een eventuele lagere verkoopopbrengst ook het vervallen van de restschuld en toekomstige lasten staat. Ten aanzien van de overige vermogensschade geldt dat belanghebbende niet met concrete en verifieerbare gegevens heeft onderbouwd dat deze kosten zijn veroorzaakt door de problemen met de KOT. Reeds daarom bestaat geen grond voor het oordeel dat UHT deze schadeposten had moeten vergoeden. De Commissie adviseert UHT om het bezwaar op dit onderdeel ongegrond te verklaren.
Inkomensschade en pensioenschade
Belanghebbende voert aan inkomensschade en pensioenschade te hebben geleden door de problemen met de KOT. De Commissie overweegt dat voor vergoeding van aanvullende schade aannemelijk moet zijn dat deze schade daadwerkelijk is geleden en het gevolg is van de handelwijze van B/T waarvoor compensatie is toegekend. UHT mocht zich daarbij baseren op het advies van CWS, nu niet is gebleken dat dit advies onzorgvuldig tot stand is gekomen of niet navolgbaar is. De Commissie overweegt dat onvoldoende aannemelijk geworden dat de gestelde inkomens- en pensioenschade direct voortvloeit uit de problemen met de KOT. Uit de stukken volgt veeleer dat ook andere omstandigheden, waaronder relatieproblemen, verhuizingen, gezondheidsklachten en ontwikkelingen in de arbeidssituatie, daarbij een wezenlijke rol hebben gespeeld. Ook de overgelegde schadeopstelling biedt daarom onvoldoende grond, nu deze uitgaat van uitgangspunten die de Commissie niet volgt. De Commissie adviseert UHT om het bezwaar op dit onderdeel ongegrond te verklaren.
Studiekosten
Belanghebbende voert aan dat zij door de problemen met de KOT onnodig studiekosten heeft gemaakt. De Commissie overweegt dat voor vergoeding van aanvullende schade aannemelijk moet zijn dat deze kosten daadwerkelijk schade vormen en in causaal verband staan met de problemen met de KOT. UHT mocht zich daarbij baseren op het advies van CWS, nu niet is gebleken dat dit onzorgvuldig tot stand is gekomen of niet navolgbaar is. De Commissie is van oordeel dat onvoldoende aannemelijk is geworden dat de gestelde studiekosten het directe gevolg zijn van de problemen met de KOT. Uit de stukken volgt veeleer dat andere omstandigheden, waaronder burn-outklachten, ziekmelding en het beëindigen van de betreffende studierichting, de doorslag hebben gegeven. Reeds daarom bestaat geen grond voor vergoeding van deze schadepost. De Commissie adviseert UHT om het bezwaar op dit onderdeel ongegrond te verklaren.
Gewijzigd schadekader
De Commissie overweegt dat UHT de aanvullende schadevergoeding in bezwaar opnieuw mocht beoordelen aan de hand van het inmiddels gewijzigde schadekader. Daarbij geldt dat een wijziging slechts tot aanpassing hoeft te leiden voor zover die voor belanghebbende gunstiger uitpakt en dat is in deze zaak het geval.
Geen proceskostenvergoeding
Het bezwaar is naar opvatting van de Commissie ongegrond. Er is geen aanleiding voor herroeping van het bij bezwaar bestreden besluit. De Commissie ziet, gelet op het bepaalde in artikel 7:15 lid 2 Awb, geen aanleiding om UHT te adviseren een proceskostenvergoeding toe te kennen.
Conclusie
Samengevat adviseert de Commissie om het bezwaar ongegrond te verklaren.
[handtekening]
Secretaris
[handtekening]
Fungerend voorzitter