Ga direct naar de inhoud Ga direct naar de filters Ga direct naar de footer

BAC 2025-16779

Advies van de Bezwaarschriftenadviescommissie hersteloperatie toeslagen

Aan: Belastingdienst/Uitvoeringsorganisatie Herstel Toeslagen (hierna: UHT)

Betreft: het bezwaarschrift van belanghebbende

Primair besluit: 3 oktober 2024 (UHT-DCHO)

Hoorzitting: op verzoek van belanghebbende niet gehouden

Overdracht advies aan UHT: 18 mei 2026

Samenvatting

De Bezwaarschriftenadviescommissie (hierna: de Commissie) adviseert UHT om het bezwaar gedeeltelijk gegrond te verklaren en het verzoek om een proceskostenvergoeding toe te wijzen.

Onderwerp van advies

Het door (naam) (hierna: gemachtigde) namens belanghebbende ingediende bezwaarschrift is gericht tegen de door UHT genomen definitieve beschikking kinderopvangtoeslag (hierna: het bestreden besluit).

Aan belanghebbende is met toepassing van de Wet hersteloperatie toeslagen (hierna: Wht) compensatie toegekend voor een bedrag van € 38.486 voor de jaren 2007 tot en met 2009 en geen compensatie toegekend voor de jaren 2010 tot en met 2012.

Procesverloop

  • Belanghebbende heeft op 27 mei 2021 verzocht om een herbeoordeling van de kinderopvangtoeslag (hierna: KOT) over de jaren 2006 tot en met 2012.
    In overleg met de persoonlijk zaakbehandelaar is het jaar 2006 niet meegenomen in de herbeoordeling, omdat er in dat jaar geen sprake was van KOT.
  • De Commissie van Wijzen (hierna: CvW) heeft haar beoordeling van het verzoek van belanghebbende op 23 september 2024 aan de Dienst Toeslagen toegestuurd. De CvW heeft geoordeeld dat de Dienst Toeslagen zich terecht op het standpunt stelt dat de compensatieregeling van artikel 2.1, eerste lid, van de Wht niet van toepassing is voor de toeslagjaren 2010 tot en met 2012.
  • UHT heeft bij het bestreden besluit met kenmerk UHT-DCHO aan belanghebbende compensatie toegekend voor een bedrag van € 38.486 voor de jaren 2007 tot en met 2009 en geen compensatie toegekend voor de jaren 2010 tot en met 2012.
  • Gemachtigde heeft bij brief van 4 november 2024 tegen dit besluit een bezwaarschrift ingediend.
  • UHT heeft op 20 mei 2025 schriftelijk gereageerd op het bezwaarschrift.
  • Gemachtigde heeft bij e-mail van 2 april 2026 aan de Commissie laten weten dat belanghebbende geen behoefte heeft aan een hoorzitting en dat het advies mag worden uitgebracht op basis van de stukken.
  • Gemachtigde heeft bij brief van 28 april 2026 het bezwaar aangevuld.
  • Dit advies wordt uitgebracht door de voorzitter en twee commissieleden.

Ontvankelijkheid

Niet in geschil is dat het bezwaar ontvankelijk is.

Overwegingen ten aanzien van de bezwaren en het bestreden besluit

De Commissie ziet zich gesteld voor de vraag of UHT de toegekende compensatie voor de jaren 2007 tot en met 2009 op de juiste wijze heeft berekend en terecht en op goede gronden is gekomen tot haar beslissing om het verzoek van belanghebbende om compensatie of tegemoetkoming voor de jaren 2010 tot en met 2012 af te wijzen.

De Commissie constateert dat belanghebbende in haar bezwaarschriften geen gronden heeft aangevoerd die de compensatieberekening of de juistheid van de wijzingen over de toeslagjaren 2010 tot en met 2012 betwisten. De Commissie heeft het bestreden besluit daarom ambtshalve getoetst.

Persoonlijk dossier
Belanghebbende stelt dat zonder het volledige persoonlijke dossier niet kan worden beoordeeld of alle relevante stukken er zijn. De Commissie volgt dit standpunt van belanghebbende niet. De schriftelijke reactie/beschouwing en de stukken die daaraan ten grondslag liggen, zijn aan belanghebbende toegezonden. Belanghebbende heeft geen duidelijk aanknopingspunt gegeven voor een reden waarom het persoonlijk dossier moet worden afgewacht. De enkele mogelijkheid dat - bij onbekendheid van de stukken in dat dossier - nog relevante informatie ontbreekt, is niet voldoende. De Commissie adviseert UHT daarom om dit onderdeel van het bezwaar ongegrond te verklaren.

Toeslagjaren 2010 tot en met 2012
De Commissie heeft geen aanknopingspunten kunnen vinden om te adviseren dat B/T bij de toekenning, aanpassing of terugvordering van de KOT over de toeslagjaren 2010 tot en met 2012 institutioneel vooringenomen heeft gehandeld of dat het stelsel te hard heeft uitgewerkt. De KOT over de toeslagjaren is verlaagd op grond van reguliere wijzigingen. De bijstellingen zijn in overeenstemming met de wet uitgevoerd. Dergelijke bijstellingen geven in beginsel ook geen aanspraak op een zogenoemde hardheidstegemoetkoming. De Commissie heeft geen aanknopingspunten gevonden om hierover in het geval van belanghebbende anders te oordelen. Er was evenmin sprake van een onterechte kwalificatie Opzet/Grove Schuld (hierna O/GS), zodat er ook geen recht is op een daarop gebaseerde tegemoetkoming. De Commissie adviseert UHT daarom om dit onderdeel van het bezwaar ongegrond te verklaren. Wel adviseert de Commissie UHT om toeslagjaar 2012 in de beslissing op bezwaar uit te werken voor wat betreft vooringenomenheid, nu dit vergeten lijkt te zijn in de beschouwing.

O/GS- en FSV-stukken
Belanghebbende beroept zich op de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van
2 april 2026, ECLI:NL:RBAMS:2026:3643. Zij verzoekt op grond van deze uitspraak om alle O/GS- en Fraude Signalering Voorziening (hierna: FSV)-stukken te overleggen. De Commissie stelt vast dat zich in het dossier een stuk bevindt met als conclusie dat in het geval van belanghebbende geen sprake is van O/GS. Ook is er in het dossier een aantekening gemaakt dat belanghebbende niet voorkwam in FSV. De onderliggende stukken waaruit blijkt hoe deze vaststelling tot stand is gekomen ontbreken. De informatie op grond waarvan de Belastingdienst/ Toeslagen (de B/T) heeft vastgesteld of belanghebbende in aanmerking komt voor compensatie, maakt onderdeel uit van de op de zaak betrekking hebbende stukken. De B/T moet daarbij toelichten welke gegevensbronnen zijn geraadpleegd. Als de beoordeling van de B/T (mede) rust op de vaststelling dat geen informatie beschikbaar is over de belanghebbende in een geraadpleegde gegevensbron, moet de B/T deze vaststelling onderbouwen door bijvoorbeeld een schermafbeelding van de resultaten en geraadpleegde systemen. Naar het oordeel van de Commissie kan op grond van het dossier niet worden vastgesteld hoe de conclusie is getrokken dat geen sprake is van een O/GS of dat belanghebbende niet voorkomt in FSV. De B/T heeft onvoldoende toegelicht in welke systemen is gezocht en welke resultaten daarin zijn aangetroffen. Nu deze stukken in het dossier ontbreken, kan de Commissie niet vaststellen dat de B/T de benodigde kennis omtrent de relevante feiten heeft vergaard en berust de bestreden beschikking in zoverre niet op een deugdelijke motivering. De Commissie verwijst hierbij mede naar de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 6 februari 2026, ECLI:NL:RBROT:2026:1545, en de op 10 maart 2026 aangenomen motie van het lid Ergin (Kamerstukken II 2025/2026, 36 708, nr. 68). De Commissie adviseert UHT om voorafgaand aan het besluit op bezwaar, met inachtneming van het bovenstaande, aan belanghebbende inzage te geven in alle O/GS- en FSV-stukken en om haar desgewenst de gelegenheid te geven hierop te reageren, eveneens voorafgaand aan de beslissing op bezwaar.

Datakluis
Belanghebbende verzoekt om alle stukken uit de datakluis, waarover de media berichtten op 15 april 2026, in het geding te brengen die haar direct of indirect raken. De Commissie overweegt als volgt. De schriftelijke reactie/beschouwing en de stukken die daaraan ten grondslag liggen, zijn aan belanghebbende toegezonden. Wanneer UHT tevens de onderliggende O/GS- en FSV-stukken aan belanghebbende zal doen toekomen, vindt de Commissie dat UHT heeft voldaan aan haar verplichting op grond van artikel 7:4 lid 2 Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) om alle op de zaak betrekking hebbende stukken ter inzage te leggen. Dat kan anders zijn als de belanghebbende een duidelijk aanknopingspunt geeft voor een reden waarom de stukken uit de genoemde datakluis moeten worden afgewacht. Dat is hier niet gebeurd. De enkele mogelijkheid dat - bij onbekendheid van de stukken uit de datakluis - nog relevante informatie ontbreekt, is niet voldoende. De Commissie adviseert UHT daarom om dit onderdeel van het bezwaar ongegrond te verklaren.

Compensatieberekening
De Commissie constateert dat UHT de compensatieberekening voor de toeslagjaren 2007 tot en met 2009 opnieuw heeft uitgevoerd in de beschouwing van 20 mei 2025. Uitkomst daarvan is dat de compensatieberekening voor deze toeslagjaren zal worden aangepast op onderdeel f. Hierdoor zullen ook de onderdelen n en p opnieuw worden berekend in de beslissing op bezwaar.

De Commissie merkt op dat de gehanteerde startdatum bij de integrale beoordeling van 20 oktober 2009 voor de immateriële schadevergoeding juist is. De gehanteerde startdatum in de beschouwing van 4 november 2009 acht de Commissie onjuist. Volgens het rkt-bestand, zoals dat deel uitmaakt van het bezwaardossier, is namelijk op 20 oktober 2009 een aantekening gemaakt door een medewerker van de B/T waarin staat dat de stopbrief is verstuurd. Volgens het beleid van UHT gaat de startdatum van de immateriële schadevergoeding vanaf dat moment lopen.

De Commissie adviseert UHT het bezwaar op dit punt gegrond te verklaren, om in haar beslissing op bezwaar de bedragen aan te passen overeenkomstig hetgeen zij daarover opmerkt in haar beschouwing en om de juiste startdatum bij onderdeel n neer te zetten.

Overige bezwaren
De Commissie is wat betreft de overige onderdelen van het bezwaar van oordeel dat deze, op zichzelf bezien noch in onderling verband gelezen, tot het door belanghebbende gewenste resultaat kunnen leiden.

Proceskosten
Nu het primaire besluit naar de mening van de Commissie dient te worden herroepen, adviseert de Commissie tot toewijzing van het verzoek om vergoeding van de kosten van rechtsbijstand in deze bezwaarprocedure. Op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht heeft belanghebbende recht op een forfaitaire vergoeding op basis van één procespunt (bezwaarschrift) met een wegingsfactor 2. Net als in eerdere zaken adviseert de Commissie daarbij de hoogste vergoeding per procespunt toe te kennen.

Conclusie

Samengevat adviseert de Commissie om het bezwaar gedeeltelijk gegrond te verklaren en het verzoek om een proceskostenvergoeding toe te wijzen zoals hierboven vermeld.

[handtekening]

Secretaris

[handtekening]

Fungerend voorzitter