BAC 2025-16774
Publicatiedatum 08-09-2026
Advies van de Bezwaarschriftenadviescommissie hersteloperatie toeslagen
Aan: Belastingdienst/Uitvoeringsorganisatie Herstel Toeslagen (hierna: UHT)
Betreft: het bezwaarschrift van belanghebbende
Primair besluit: 30 september 2024 (UHT-DCHOA)
Hoorzitting: 7 mei 2026
Overdracht advies aan UHT: 10 juni 2026
Samenvatting
De Bezwaarschriftenadviescommissie (hierna: de Commissie) adviseert UHT om het bezwaar ongegrond te verklaren.
Onderwerp van advies
Het door gemachtigde namens belanghebbende ingediende bezwaarschrift is gericht tegen de door UHT genomen definitieve beschikking beoordeling kinderopvangtoeslag van 30 september 2024.
Aan belanghebbende is met toepassing van de Wet hersteloperatie toeslagen (hierna: Wht) geen compensatie toegekend voor de jaren 2005 tot en met 2011.
Procesverloop
- Belanghebbende heeft op 18 november 2021 verzocht om een herbeoordeling van de kinderopvangtoeslag (hierna: KOT) over de jaren 2005 tot en met 2011.
- UHT heeft bij beschikking van 15 juli 2022, met kenmerk UHT CHR GU, aan belanghebbende medegedeeld dat hij niet in aanmerking komt voor een betaling van €30.000 op grond van de Catshuisregeling.
- UHT heeft bij vooraankondiging van 4 september 2024, met kenmerk UHT-VCH A, aan belanghebbende medegedeeld dat hij geen recht heeft op compensatie voor de jaren 2005 tot en met 2011.
- De Commissie van Wijzen (hierna: CvW) heeft haar beoordeling van het verzoek van belanghebbende op 20 september 2024 aan UHT toegestuurd. De CvW heeft geadviseerd dat gedurende de betrokken jaren geen sprake is geweest van institutionele vooringenomenheid of bijzondere omstandigheden.
- UHT heeft bij bestreden beschikking van 30 september 2024, met kenmerk UHTDCHOA, aan belanghebbende medegedeeld dat hij geen recht heeft op compensatie voor de jaren 2005 tot en met 2011.
- Gemachtigde heeft op 11 oktober 2024 tegen deze beschikking een bezwaarschrift ingediend.
- UHT heeft op 23 september 2025 schriftelijk gereageerd op het bezwaarschrift.
- Op 7 mei 2026 heeft een hoorzitting plaatsgevonden. Van de hoorzitting is een verslag gemaakt, dat achter het advies is gevoegd.
- Gemachtigde heeft op 7 mei 2026 het bezwaar mondeling toegelicht aan de hand van op schrift gestelde pleitaantekeningen. Deze zijn bij het verslag van de hoorzitting gevoegd en maken deel uit van de processtukken.
- Dit advies wordt uitgebracht door de voorzitter en twee commissieleden.
Ontvankelijkheid
Niet in geschil is dat het bezwaar ontvankelijk is.
Overwegingen ten aanzien van de bezwaren en het bestreden besluit
Zorgvuldigheids- en motiveringsbeginsel
Belanghebbende betoogt dat het bestreden besluit onvoldoende is gemotiveerd en onvoldoende zorgvuldig tot stand is gekomen. Voor zover sprake is van onzorgvuldige voorbereiding of gebreken in de motivering van het bestreden besluit kunnen die gebreken naar het oordeel van de Commissie in de beslissing op bezwaar door UHT worden hersteld aan de hand van wat daarover in haar beschouwing is opgemerkt. De Commissie acht het bezwaar daarom op dit onderdeel ongegrond.
Toeslagjaren 2005 en 2007 tot en met 2011
Belanghebbende betoogt dat hij ten onrechte niet is gecompenseerd voor de toeslagjaren 2005 en 2007 tot en met 2011. UHT voert aan dat de neerwaartse beschikkingen reguliere wijzigingen betreffen op basis van een wijziging van het toetsingsinkomen van belanghebbende, door belanghebbende ingediende jaaropgaves, wijzigingen van het aantal opvanguren en het uurtarief en een stopzetting door belanghebbende zelf.
De Commissie overweegt dat niet aannemelijk is geworden dat bij de toekenning, aanpassing of terugvordering van de KOT voor de toeslagjaren 2005 en 2007 tot en met 2011 sprake is geweest van institutioneel vooringenomen handelen door de Belastingdienst/Toeslagen (hierna: B/T) dan wel van hardheid van het stelsel. De neerwaartse correctie in de KOT over 2005 met €69 was het gevolg van een wijziging van het geschatte toetsingsinkomen. Ook de neerwaartse correcties in 2007 en 2008 waren het gevolg van wijzigingen in het toetsingsinkomen. Over het jaar 2009 is de KOT neerwaarts gecorrigeerd, eerst door een door belanghebbende opgegeven wijziging in het aantal opvanguren en vervolgens op basis van de jaaropgave en een wijziging in het toetsingsinkomen. Over de jaren 2010 en 2011 is de KOT verlaagd met respectievelijk €62 en €47, omdat er in deze jaren geen gebruik werd gemaakt van kinderopvang. Deze bijstellingen zijn conform de wet uitgevoerd. Dergelijke bijstellingen geven in beginsel ook geen aanspraak op een zogenoemde hardheidstegemoetkoming. De Commissie heeft geen aanknopings-punten gevonden om hier ten aanzien van belanghebbende anders over te oordelen.
De Commissie adviseert UHT daarom om dit onderdeel van het bezwaar ongegrond te verklaren.
Toeslagjaar 2006
Belanghebbende stelt dat hij ten onrechte niet is gecompenseerd voor het toeslagjaar 2006. Belanghebbende heeft ter zitting uitgelegd dat hij recht heeft op compensatie wegens vooringenomenheid, omdat bij hem het gerechtvaardigd vertrouwen is gewekt dat de KOT automatisch van 2005 naar 2006 zou worden gecontinueerd.
Belanghebbende heeft in september 2005 de gewijzigde gegevens over de opvang van zijn kinderen opgegeven en dat heeft geleid tot een hoger voorschot. De Awir is in de loop van 2006 ingevoerd waardoor voortaan aan het einde van het jaar de toegekende toeslagen automatisch voor het volgende jaar zouden worden gecontinueerd en dus niet meer elk jaar opnieuw aangevraagd hoefden te worden. Belanghebbende verwijst naar een brief van de minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid van 19 september 2006, waaruit volgens belanghebbende volgt dat de uitvoeringssystematiek van de Wet kinderopvang vooruitliep op de Awir, waardoor het naar zijn mening al in 2005 niet meer nodig was om voor het nieuwe jaar opnieuw KOT aan te vragen. Belanghebbende had in september 2025 de gegevens van de opvang opgegeven, waaronder de gegevens van zijn jongste zoon, die vanaf dat moment ook naar de opvang ging en ging er van uit dat de KOT voor 2006 automatisch zou worden gecontinueerd.
UHT stelt dat in de overgang van het toeslagjaar 2005 naar 2006 geen sprake was van een systeem van automatische continuering van de KOT, omdat dit pas met de inwerkingtreding van de Awir in 2006 is ingevoerd. UHT stelt ter zitting dat middels het doorgeven van wijzigingen en het ontvangen van beschikkingen in 2005 niet het vertrouwen kan zijn gewekt bij belanghebbende dat de KOT automatisch zou worden gecontinueerd naar 2006. UHT is derhalve van mening dat belanghebbende niet in aanmerking komt voor compensatie op grond van vooringenomenheid.
Ten aanzien van de gestelde schending van het vertrouwensbeginsel door B/T, overweegt de Commissie het volgende. Volgens vaste rechtspraak van de Raad van State moet voor een geslaagd beroep op het vertrouwensbeginsel allereerst aannemelijk worden gemaakt dat van de kant van het bestuursorgaan toezeggingen of andere uitlatingen zijn gedaan of gedragingen zijn verricht waaruit een belanghebbende in de gegeven omstandigheden redelijkerwijs kon en mocht afleiden dat het bestuursorgaan een bepaalde bevoegdheid al dan niet zou uitoefenen en, zo ja, op welke wijze. Verder is vereist dat de toezegging, andere uitlating of gedraging afkomstig is van het bevoegde bestuursorgaan of aan het bevoegde bestuursorgaan moet worden toegerekend. Van toerekening van een onbevoegde uitlating is sprake als de betrokkene in de gegeven omstandigheden redelijkerwijs kon en mocht veronderstellen dat degene die de uitlating deed of de gedraging verrichtte de opvatting van het bevoegde orgaan vertolkte.
De Commissie overweegt dat in dit geval een dergelijke toezegging, uitlating of gedraging van het bevoegde bestuursorgaan, in dit geval B/T, ontbreekt. De KOT is in het toeslagjaar 2005 toegekend op basis van door belanghebbende bij de aanvraag en later in september verstrekte gegevens. De wijzigingen die belanghebbende in september 2005 heeft doorgevoerd, zagen derhalve op de KOT over het toeslagjaar 2005. De enkele aanname door belanghebbende dat de KOT automatisch zou doorlopen naar het toeslagjaar 2006 omdat B/T de door belanghebbende in september opgegeven wijziging heeft verwerkt, is onvoldoende om te kunnen vaststellen dat sprake is van gerechtvaardigd vertrouwen.
Ook het beroep van belanghebbende op de brief van de Minister van Sociale Zaken aan de Kamer van 19 september 2006 leidt naar het oordeel van de Commissie niet tot het door belanghebbende verdedigde standpunt, dat de KOT automatisch gecontinueerd had moeten worden, alleen al omdat de brief er eind 2005 toen de KOT voor het volgende jaar aangevraagd moest worden nog niet was. Bovendien leest de Commissie in die brief niet, dat B/T de KOT al in 2005 voor het volgende jaar had moeten continueren, hetgeen in strijd zou zijn geweest met de toenmalige wet en regelgeving en de bestaande uitvoeringspraktijk. Wel heeft de Minister in 2006 toegezegd, dat B/T als overgangsmaatregel éénmalig een langere termijn zou accepteren voor het alsnog aanvragen van toeslagen over 2006. Van die verlengde termijn, die liep tot 1 juni 2007, heeft belanghebbende geen gebruik gemaakt. Belanghebbende heeft pas in 2008 een aanvraag voor KOT over 2006 ingediend. B/T heeft naar het oordeel van de Commissie niet vooringenomen of anderszins onjuist gehandeld door dit verzoek niet meer in behandeling te nemen.
Belanghebbende heeft nog aangevoerd, dat B/T de opgegeven wijziging in september 2005 had moeten opvatten als een aanvraag van KOT in 2006. Belanghebbende heeft tijdens de hoorzitting verklaard, dat de reden voor de wijziging was, dat ook voor zijn jongste zoon (geb 20-05-2005) opvang werd afgenomen. Dit ging in september 2005 in. De Commissie is van oordeel, dat hier geen aanvraag voor 2006 in te lezen is. B/T heeft niet vooringenomen gehandeld, door de KOT in 2006 niet te laten doorlopen.
De Commissie adviseert UHT daarom om dit onderdeel van het bezwaar ongegrond te verklaren.
Proceskostenvergoeding
Nu het bezwaar naar het oordeel van de Commissie ongegrond is en het bestreden besluit in stand kan blijven, adviseert de Commissie om het verzoek om een proceskostenvergoeding in de bezwaarprocedure met betrekking tot de beschikking met kenmerk UHT-DCHOA af te wijzen.
Conclusie
Samengevat adviseert de Commissie om het bezwaar ongegrond te verklaren.
[handtekening]
Secretaris
[handtekening]
Fungerend voorzitter