Ga direct naar de inhoud Ga direct naar de filters Ga direct naar de footer

BAC 2025-16761

Advies van de Bezwaarschriftenadviescommissie hersteloperatie toeslagen

Aan: Belastingdienst/Uitvoeringsorganisatie Herstel Toeslagen (hierna: UHT)

Betreft: het bezwaarschrift van belanghebbende

Primair besluit: 23 april 2024 met kenmerk UHT-DCHOA

Overdracht advies aan UHT: 7 april 2026

Samenvatting

De Bezwaarschriftenadviescommissie (hierna: de Commissie) adviseert UHT om het bezwaar ongegrond te verklaren en geen proceskostenvergoeding toe te kennen.

Onderwerp van advies

Het door de gemachtigde namens belanghebbende ingediende bezwaarschrift is gericht tegen de door UHT genomen definitieve besluit compensatie kinderopvangtoeslag (hierna: het bestreden besluit).

Aan belanghebbende is met toepassing van de Wet hersteloperatie toeslagen (hierna: Wht) geen compensatie toegekend voor de jaren 2011 en 2012.

Procesverloop

  • Belanghebbende heeft op 28 april 2021 verzocht om een herbeoordeling van de kinderopvangtoeslag (hierna: KOT) over de jaren 2011 en 2012. 
  • De Commissie van Wijzen (hierna: CvW) heeft haar beoordeling van het verzoek van belanghebbende op 4 april 2024 aan UHT toegestuurd. De CvW heeft geadviseerd dat gedurende de betrokken jaren de compensatieregeling van artikel
  • 2.1 eerste lid van de Wht niet van toepassing is.
  • De Commissie heeft het advies besproken in haar vergadering van 2 maart 2026.
  • UHT heeft bij het bestreden besluit aan belanghebbende medegedeeld dat zij geen recht heeft op compensatie voor de jaren 2011 en 2012.
  • Belanghebbende heeft bij brief van 4 juni 2024 tegen dit besluit een bezwaarschrift ingediend.
  • UHT heeft op 2 april 2025 schriftelijk gereageerd op het bezwaarschrift.
  • Gemachtigde heeft aangegeven dat belanghebbende ervan af ziet om te worden gehoord. 
  • Gemachtigde is op 18 december 2025 in de gelegenheid gesteld om een  schriftelijke reactie te geven. Van deze gelegenheid is, na herhaald verzoek hiertoe op 24 februari 2026, geen gebruik gemaakt.
  • Dit advies wordt uitgebracht door de voorzitter en 2 commissieleden.

Ontvankelijkheid

Niet in geschil is dat het bezwaarschrift ontvankelijk is. 

Overwegingen ten aanzien van de bezwaren en het bestreden besluit

De Commissie ziet zich gesteld voor de vraag of UHT terecht en op goede gronden is gekomen tot haar beslissing om het verzoek van belanghebbende om compensatie over de toeslagjaren 2011 en 2012 af te wijzen.

Algemene beginselen van behoorlijk bestuur: motivering en zorgvuldigheid
Met de in bezwaar ingediende beschouwing en de overgelegde stukken, is (thans) geen sprake van strijd met het motiverings- en het zorgvuldigheidsbeginsel.
De Commissie constateert dat belanghebbende in deze bezwaarprocedure haar bezwaren naar voren heeft gebracht en niet in haar (proces) belangen is geschaad. De vraag of die strijd er wel was ten tijde van het bestreden besluit kan onbeantwoord blijven, nu één en ander niet leidt tot het herroepen ervan.
De Commissie adviseert UHT om het bezwaar op dit onderdeel ongegrond te verklaren.

Afgewezen toeslagjaren 

2011
Op 24 oktober 2011 dient belanghebbende de KOT aanvraag in per 1 februari 2011. Op 2 november 2011 wordt de KOT aanvraag door de Belastingdienst/ Toeslagen (hierna: B/T) afgewezen omdat het opgegeven Landelijk Register Kinderopvang (hierna: LRK) nummer onjuist is. B/T heeft in de afwijzingsbrief aangegeven dat per 1 januari 2011 een LRK nummer vereist is voor de gastouder. 

Belanghebbende voert aan dat zij niet wist dat voor de gastouder een LRK registratie een vereiste was omdat de aanvraag werd gedaan door gastouderbureau (naam) en dat dit daarom voor rekening komt van het gastouderbureau. Dit bezwaar slaagt niet omdat van de aanvrager mag worden verwacht dat deze op de hoogte is van de geldende verplichtingen omtrent het afnemen van kinderopvang. Dat het gastouderbureau de aanvraag heeft gedaan, maakt dit niet anders omdat belanghebbende voor de juistheid van de aanvraag verantwoordelijk blijft en B/T als gevolg daarvan geen vooringenomenheid kan worden verweten.

Belanghebbende verwijt de B/T dat zij haar pas negen maanden later heeft geïnformeerd over het vereiste van een LRK nummer voor de gastouder. Dit bezwaar slaagt eveneens niet. Immers, de KOT aanvraag werd op 24 oktober 2011 gedaan (met terugwerkende kracht  tot en met februari 2011). Op 2 november 2011 heeft belanghebbende de afwijzingsbrief gekregen waarin zij wordt geïnformeerd over het vereiste van een LRK nummer voor de gastouder.
Dit is ruim een week na de aanvraag.

Op 12 december heeft belanghebbende bezwaar gemaakt tegen de afwijzing.
Zij heeft gezegd dat er contact is opgenomen met het gastouderbureau, dat is aangegeven dat sprake is van een omissie en dat met terugwerkende kracht de gastouder alsnog in het LRK register zal worden geregistreerd.

Per 18 september 2011 is de gastouder ingeschreven in het LRK. 

Op 1 maart 2012 is het bezwaar van belanghebbende door de B/T ongegrond verklaard. Daarin is vermeld dat de afwijzing KOT per 1 februari 2011 gehandhaafd blijft en dat ouder een nieuwe aanvraag kan doen voor KOT met ingang van
18 september 2011.

Vanaf deze datum voldeed de gastouder aan alle voorwaarden. 

Op 30 maart 2012 heeft de B/T toch een voorschotbeschikking afgegeven van 
€ 3.348 voor heel 2011 hoewel bij de B/T bekend is dat de gastouder per
18 september 2011 is ingeschreven in het LRK (zie pagina 147 van het dossier).

Op 18 september 2012 wordt het voorschot herzien naar € 4.677 op basis van een gezamenlijk lager toetsingsinkomen.

Op 16 oktober 2012 is de KOT verlaagd naar € 1.460 omdat de gastouder van
11 februari tot en met 18 september 2011 niet in het LRK geregistreerd stond.

Belanghebbende heeft per saldo dus KOT gekregen vanaf 18 september t/m december 2011. De Commissie constateert dat belanghebbende KOT heeft gekregen over de periode waarin zij daar recht op had. 

Volgens belanghebbende heeft de B/T met de toekenning van het voorschot op
30 maart 2012 voor heel 2011, het vertrouwen gewekt dat zij hier recht op had.
Dit bezwaar slaagt niet. De Commissie is van oordeel dat belanghebbende geen vertrouwen kon ontlenen aan het handelen van de B/T omdat haar aanvraag van
2 november 2011 voor KOT met ingang van 1 februari 2011, is afgewezen en deze afwijzing in de beslissing op bezwaar op 1 maart 2012 voor de periode 1 februari tot en met 17 september 2011 is gehandhaafd. Belanghebbende wist dat zij over deze periode geen recht had op KOT en kon beseffen dat het over het gehele jaar 2011 verleende voorschot berustte op een  fout.

Het beroep van belanghebbende op het gelijkheidsbeginsel met het argument dat er veel ouders zijn die om dezelfde redenen KOT moesten terugbetalen en wel zijn gecompenseerd, is onvoldoende onderbouwd. Belanghebbende heeft geen vergelijkbare situatie naar voren gebracht waarin dezelfde specifieke feiten en omstandigheden zich hebben voorgedaan. De Commissie laat dit bezwaar daarom verder buiten beschouwing.

De Commissie heeft geen aanknopingspunten kunnen vinden om te adviseren dat de B/T bij de toekenning, aanpassing of terugvordering van de KOT voor de toeslagjaren 2011 en 2012 vooringenomen heeft gehandeld of dat het stelsel te hard heeft uitgewerkt.   De terugvorderingen KOT over deze toeslagjaren waren gebaseerd op de vaststelling dat een te hoog voorschot was toegekend.
Dat voorschot is door reguliere wijzigingen (doorgegeven wijzigingen in het toetsingsinkomen en stopzetting van de KOT) opnieuw berekend.
Deze bijstellingen zijn in overeenstemming met de wet uitgevoerd. 
Dergelijke bijstellingen geven in beginsel geen aanspraak op compensatie wegens vooringenomenheid of hardheid.

Verder heeft de Commissie geen aanknopingspunten kunnen vinden dat de B/T over deze jaren heeft gehandeld op basis van de onterechte aanname dat belanghebbende opzettelijk of grofschuldig ten onrechte KOT heeft ontvangen, zodat ook geen aanspraak kan worden gemaakt op een daarop gebaseerde vergoeding. 

UHT heeft over deze jaren terecht geoordeeld dat er geen recht op compensatie bestaat. 

Proceskostenvergoeding
Het bezwaar is naar opvatting van de Commissie ongegrond. Er is geen aanleiding voor herroeping van het bij bezwaar bestreden besluit. De Commissie ziet, gelet op het bepaalde in artikel 7:15 lid 2 Awb, geen aanleiding om UHT te adviseren een proceskostenvergoeding toe te kennen.

Conclusie

Samengevat adviseert de Commissie om het bezwaar ongegrond te verklaren en het bestreden besluit niet te herroepen.  

[handtekening]

Secretaris

[handtekening]

Fungerend voorzitter