BAC 2025-16744
Publicatiedatum 06-08-2026
Advies van de Bezwaarschriftenadviescommissie hersteloperatie toeslagen
Aan: Belastingdienst/Uitvoeringsorganisatie Herstel Toeslagen (hierna: UHT)
Betreft: het bezwaarschrift van belanghebbende
Primair besluit: 25 januari 2024 (UHT-DCHO)
Hoorzitting: 27 februari 2026 om 11:15 uur
Overdracht advies aan UHT: 4 juni 2026
Samenvatting
De Bezwaarschriftenadviescommissie (hierna: de Commissie) adviseert UHT om het bezwaar tegen de beschikking van 25 januari 2024 met kenmerk UHT-DCHO gedeeltelijk gegrond te verklaren en te herroepen, en alsnog compensatie toe te kennen voor de toeslagjaren 2010 en 2011 op grond van vooringenomenheid. De Commissie adviseert tevens een vergoeding van de kosten van rechtsbijstand toe te kennen.
Onderwerp van advies
Het door gemachtigde namens belanghebbende ingediende bezwaarschrift is gericht tegen het door UHT genomen definitieve besluit beoordeling kinderopvangtoeslag van 25 januari 2024 met kenmerk UHT-DCHO (hierna onder meer: het bestreden besluit).
Aan belanghebbende is met toepassing van de Wet hersteloperatie toeslagen (hierna: Wht) een compensatie toegekend voor een bedrag van € 28.076 voor het toeslagjaar 2009 op grond van vooringenomenheid, en voor het toeslagjaar 2012 een tegemoetkoming opzet/grove schuld (hierna: O/GS) toegekend voor een bedrag van € 567. Voor de toeslagjaren 2010, 2011 en 2013 bestaat geen recht op een compensatie of tegemoetkoming. Omdat belanghebbende reeds € 30.000 heeft ontvangen op grond van de Catshuisregeling volgde geen nabetaling.
Procesverloop
- Belanghebbende heeft op 9 april 2021 verzocht om een herbeoordeling van de kinderopvangtoeslag (hierna: KOT) over de toeslagjaren 2009 tot en met 2013.
- UHT heeft bij het bestreden besluit aan belanghebbende een compensatie toegekend van € 28.076 voor het toeslagjaar 2009 op grond van voor-ingenomenheid, en een O/GS-tegemoetkoming toegekend van € 567 voor het toeslagjaar 2012. Voor de toeslagjaren 2010, 2011 en 2013 bestaat volgens UHT geen recht op compensatie of tegemoetkoming.
- Gemachtigde heeft bij brief van 6 februari 2024 tegen dit besluit een bezwaarschrift ingediend.
- Gemachtigde heeft bij brief van 4 juli 2025 het bezwaar aangevuld.
- UHT heeft op 21 augustus 2025 schriftelijk gereageerd.
- Op 27 februari 2026 heeft een hoorzitting plaatsgevonden. Van de hoorzitting is een verslag gemaakt, dat achter het advies is gevoegd.
- Naar aanleiding van het verzoek van de Commissie ter zitting heeft gemachtigde op 24 maart 2026 een nadere schriftelijke reactie ingediend.
- Eveneens naar aanleiding van het verzoek van de Commissie ter zitting heeft UHT op 2 april 2026 een aanvullende schriftelijke beschouwing ingediend.
- Dit advies wordt uitgebracht door de voorzitter en twee commissieleden.
Ontvankelijkheid
Niet in geschil is dat het bezwaar ontvankelijk is.
Overwegingen ten aanzien van de bezwaren en het bestreden besluit
Procedurele bezwaren
Inzage onderliggende dossier
Belanghebbende heeft verzocht om inzage in het onderliggende dossier.
De schriftelijke beschouwing en de op de zaak betrekking hebbende stukken zijn op 31 december 2025 aan de gemachtigde van belanghebbende toegezonden.
De Commissie heeft geen aanknopingspunten gevonden om aan te nemen dat hier niet is voldaan aan de in artikel 7:4, lid 2, Algemene wet bestuursrecht neergelegde verplichting.
Beoordeling toeslagjaren 2009 tot en met 2013
De Commissie ziet zich, mede gelet op de nadere precisering van het bezwaar ter zitting, inhoudende dat het toeslagjaar 2009 niet langer in geschil is, gesteld voor de beantwoording van de vraag of UHT, terecht en op goede gronden is gekomen tot haar beslissing om het verzoek van belanghebbende om compensatie voor de toeslagjaren 2010 tot en met 2013, af te wijzen.
Beoordeling afwijzing compensatie toeslagjaren 2010 en 2011
In haar aanvullende schriftelijke beschouwing van 2 april 2026 heeft UHT aangegeven dat belanghebbende voor de toeslagjaren 2010 en 2011 alsnog in aanmerking komt voor compensatie grond van vooringenomenheid.
De Commissie zal UHT dienovereenkomstig adviseren. Het bezwaar is in zoverre gegrond.
De (gedeeltelijke) gegrondbevinding van het bezwaar zal ook leiden tot aanpassing van alle, ingevolge de Wht daarmee samenhangende, vergoedingen met inachtneming van dit advies. Tevens adviseert de Commissie om daarbij, conform het door UHT zelf op dit punt gehanteerde beleid, de einddatum van de daarvoor in aanmerking komende vergoedingen vast te stellen op de datum tot aan de dagtekening van de beslissing op bezwaar.
Beoordeling afwijzing compensatie toeslagjaren 2012 en 2013
Belanghebbende maakt aanspraak op compensatie voor de toeslagjaren 2012 en 2013. Met betrekking tot het toeslagjaar 2012 stelt belanghebbende dat zij geen vraagbrieven van de Belastingdienst/Toeslagen (hierna: B/T) heeft ontvangen, waardoor de nihilstelling van de KOT volgens haar duidt op een vooringenomen handelswijze. Voor het toeslagjaar 2013 stelt belanghebbende dat zij de KOT noodgedwongen heeft moeten stopzetten als gevolg van de in de voorgaande jaren ontstane problemen.
De Commissie overweegt hierover als volgt. Voor compensatie komt, ingevolge het bepaalde in de Wht, voor zover hier van belang, kortweg, in aanmerking de ouder waarvan aannemelijk is dat de vaststelling van zijn of haar aanspraak op KOT in enig jaar onderdeel is geweest van vooringenomenheid van B/T dan wel van hardheid van het stelsel.
Ten aanzien van het toeslagjaar 2012 was sprake van drie neerwaartse bijstellingen van de KOT. De eerste neerwaartse bijstelling volgde naar aanleiding van een door of namens belanghebbende doorgegeven stopzetting van de KOT op 12 januari 2012 met ingang van 1 januari 2012. Vervolgens is door of namens belanghebbend op 29 augustus 2012 met ingang van 1 september 2012 weer KOT aangevraagd. De tweede neerwaartse bijstelling volgde naar aanleiding van een verhoging van het toetsingsinkomen. In het kader van de definitieve vaststelling van het recht op KOT heeft B/T bij vraagbrieven van 8 april 2015 en 22 april 2015 verzocht om aanvullende informatie over de toeslagpartner van belanghebbende. Uit het dossier blijkt niet dat belanghebbende op deze verzoeken om informatie heeft gereageerd. Nu een reactie uitbleef, heeft B/T bij een derde neerwaartse bijstelling, bij definitieve beschikking van 16 oktober 2015, de KOT voor het toeslagjaar 2012 ambtshalve op nihil gesteld. De Commissie is van opvatting dat belanghebbende voldoende in de gelegenheid is gesteld om haar recht op KOT aannemelijk te maken, voordat B/T tot nihilstelling is overgegaan.
Ten aanzien van het toeslagjaar 2013 was eveneens sprake van drie neerwaartse bijstellingen van de KOT. De eerste neerwaartse bijstelling volgde naar aanleiding van een verhoging van het toetsingsinkomen. De tweede neerwaartse bijstelling volgde naar aanleiding van een door of namens belanghebbende doorgegeven stopzetting van de KOT op 22 februari 2013 met ingang van 31 januari 2013. Belanghebbende heeft aangevoerd dat zij de KOT noodgedwongen heeft moeten stopzetten door de problemen met B/T. De Commissie merkt in dit verband op dat de Wht is bedoeld voor herstel van vooringenomen handelen, hardheid of een onterechte O/GS-kwalificatie en heeft geen betrekking op de herziening van definitieve KOT-besluiten. Voor zover belanghebbende stelt dat het gemis aan KOT over dit jaar het gevolg is van de wijze waarop zij in de voorafgaande jaren is behandeld en dat zij om die reden vanaf 1 februari 2013 geen (geregistreerde) opvang meer heeft genoten, kan zij ingevolge artikel 2.1, lid 3, van de Wht een verzoek indienen om aanvullende compensatie voor werkelijke schade. De derde neerwaartse bijstelling volgde naar aanleiding van doorgegeven opvanggegevens via de kinderopvanginstelling-viewer, waaruit bleek dat minder opvanguren waren afgenomen. De Commissie overweegt dat een dergelijke verlaging op zichzelf niet als vooringenomen handelen kan worden aangemerkt, tenzij B/T, gelet op de beschikbare informatie, in redelijkheid had moeten twijfelen aan de juistheid van deze gegevens. In het voorliggende geval acht de Commissie daarvan geen sprake.
Concluderend heeft de Commissie geen aanwijzingen gevonden dat in de toeslagjaren 2012 en 2013 sprake is geweest van een vooringenomen handelwijze of nalaten door B/T jegens belanghebbende. Evenmin zijn aanwijzingen gevonden voor hardheid als bedoeld in de Wht. Voorts was er in het toeslagjaar 2013 geen sprake van een onterechte O/GSkwalificatie, zodat voor dat jaar ook geen aanspraak bestaat op een daarop gebaseerde tegemoetkoming. De Commissie zal daarom UHT adviseren het bezwaar op dit onderdeel ongegrond te verklaren.
Algemene beginselen van behoorlijk bestuur
Belanghebbende stelt dat het bestreden besluit in strijd met het motiverings- en zorgvuldigheidsbeginsel is genomen.
Aangezien het bestreden besluit met kenmerk UHT-DCHO niet in stand kan blijven, zoals volgt uit het voorgaande, staat vast dat de totstandkoming onvoldoende zorgvuldig is geweest en de motivering bij beslissing op bezwaar moet worden verbeterd.
Vergoeding van de kosten van rechtsbijstand
Nu het bezwaar naar de opvatting van de Commissie gedeeltelijk gegrond is en leidt tot herroeping van de bestreden beschikking met kernmerk UHT-DCHO adviseert de Commissie om de vergoeding van de kosten van rechtsbijstand in deze bezwaarprocedure toe te wijzen. Op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht heeft belanghebbende recht op een forfaitaire vergoeding op basis van 2 procespunten (gegrond bezwaarschrift en verschijnen hoorzitting) met een wegingsfactor 2. Net als in eerdere zaken adviseert de Commissie daarbij de hoogste vergoeding per procespunt toe te kennen.
Conclusie
Samengevat adviseert de Commissie aan UHT, de hiervoor geformuleerde vraag gedeeltelijk ontkennend beantwoordend, om het bezwaar gericht tegen het besluit van 25 januari 2024 met kenmerk UHT-DCHO gedeeltelijk gegrond te verklaren en om:
- op grond van vooringenomenheid alsnog compensatie toe te kennen voor de toeslagjaren 2010 en 2011 en het daarop betrekking hebbende besluit in zoverre te herroepen
- alle, ingevolge de Wht, daarmee samenhangende, vergoedingen opnieuw te berekenen met inachtneming van dit advies, en daarbij, conform het door UHT zelf op dit punt gehanteerde beleid, de einddatum van de daarvoor in aanmerking komende vergoedingen vast te stellen op de datum tot aan de dagtekening van de beslissing op bezwaar en het bestreden besluit in zo verre te herroepen;
- het bezwaar voor het overige ongegrond te verklaren;
- een vergoeding van de proceskosten voor de onderhavige bezwaarprocedure toe te kennen van twee procespunten met wegingsfactor twee voor het hoogste tarief.
[handtekening]
Secretaris
[handtekening]
Fungerend voorzitter