Ga direct naar de inhoud Ga direct naar de filters Ga direct naar de footer

BAC 2025-16731

Advies van de Bezwaarschriftenadviescommissie hersteloperatie toeslagen

Aan: Belastingdienst/Uitvoeringsorganisatie Herstel Toeslagen (hierna: UHT)

Betreft: het bezwaarschrift van belanghebbende

Primair besluit: 25 november 2024 (UHT-DCHOA)

Hoorzitting: 9 maart 2026

Overdracht advies aan UHT: 16 april 2026

Samenvatting

De Bezwaarschriftenadviescommissie (hierna: de Commissie) adviseert UHT om het bezwaar ongegrond te verklaren.

Onderwerp van advies

Het door de gemachtigde namens belanghebbende ingediende bezwaarschrift is gericht tegen de door UHT genomen definitieve beschikking compensatie kinderopvangtoeslag, hierna het bestreden besluit.

Aan belanghebbende is met toepassing van de Wet hersteloperatie toeslagen (hierna: Wht) geen compensatie toegekend voor de jaren 2013, 2014, 2015 en 2016.

Procesverloop

  • Belanghebbende heeft op 22 februari 2023 verzocht om een herbeoordeling van de kinderopvangtoeslag (hierna: KOT) over de jaren 2013, 2014, 2015 en 2016.
  • UHT heeft bij bestreden besluit aan belanghebbende medegedeeld dat zij geen recht heeft op compensatie voor de jaren 2013, 2014, 2015 en 2016.
  • Gemachtigde heeft bij brief van 28 november 2024, ingekomen op 29 november 2024, tegen dit besluit een bezwaarschrift ingediend.
  • UHT heeft op 18 september 2025 schriftelijk gereageerd op het bezwaarschrift.
  • Op 9 maart 2026 heeft een hoorzitting plaatsgevonden. Van de hoorzitting is een verslag gemaakt, dat achter het advies is gevoegd.
  • UHT heeft, daartoe door de Commissie ter zitting verzocht, op 9 maart 2026 een nadere schriftelijke reactie ingediend. Gemachtigde heeft daar op 14 april 2026 op gereageerd.
  • Dit advies wordt uitgebracht door de voorzitter en twee commissieleden.

Ontvankelijkheid

Niet in geschil is dat het bezwaar ontvankelijk is.

Overwegingen ten aanzien van de bezwaren en het bestreden besluit

De Commissie ziet zich gesteld voor de vraag of UHT terecht en op goede gronden is gekomen tot haar beslissing om het verzoek van belanghebbende om compensatie of tegemoetkoming af te wijzen.

Dossier
De Commissie is van opvatting dat aan belanghebbende de op de zaak betrekking hebbende stukken zijn verstrekt. Daarmee is voldaan is aan de in artikel 7:4 lid 2 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) neergelegde verplichting om alle op de zaak betrekking hebbende stukken ter inzage te leggen. UHT heeft schriftelijk gereageerd op het bezwaarschrift en nadere stukken ingediend. Hierdoor hebben gemachtigde en belanghebbende kennis kunnen nemen van de op de zaak betrekking hebbende stukken en gelegenheid gehad om daarop te reageren. De Commissie ziet in de concrete stellingen van belanghebbende en UHT geen aanleiding om aan te nemen dat in het beschikbaar gestelde dossier stukken zouden ontbreken die van enig belang zouden kunnen zijn geweest voor het door UHT genomen besluit. Daarom adviseert de Commissie UHT om het bezwaar op dit onderdeel ongegrond te verklaren.

Toeslagjaar 2013
De Commissie overweegt dat niet aannemelijk is geworden dat de aanpassing van de KOT over toeslagjaar 2013 het gevolg is geweest van institutioneel vooringenomen handelen door de Belastingdienst/Toeslagen (B/T) dan wel van hardheid van het stelsel. Uit de stukken blijkt dat belanghebbende op 28 december 2012 een voorschotbeschikking heeft ontvangen van € 3.375. Over dit toeslagjaar hebben vervolgens twee verlagingen plaatsgevonden. De verlaging bij beschikking van 21 juni 2013, waarbij de KOT is vastgesteld op € 1.960, hield verband met een stopzetting per 31 juli 2013. Uit de systemen volgt dat deze stopzetting op 30 mei 2013 digitaal is doorgegeven. De Commissie ziet in hetgeen belanghebbende daartegen heeft aangevoerd onvoldoende aanknopingspunten om te oordelen dat UHT niet van de juistheid van deze systeeminformatie mocht uitgaan. Deze wijziging moet daarom worden aangemerkt als een reguliere wijziging. De verlaging bij beschikking van 5 augustus 2016, waarbij de KOT is vastgesteld op €1.903, hield verband met een verhoging van het toetsingsinkomen van € 11.210 naar € 18.953. De Commissie overweegt dat B/T bij de vaststelling van het recht op KOT mocht uitgaan van de beschikbare inkomensgegevens. Ook deze bijstelling is daarom aan te merken als een reguliere wijziging. Voor zover belanghebbende in bezwaar heeft bedoeld te betogen dat de KOT destijds inhoudelijk onjuist is vastgesteld, geldt bovendien dat de Wht niet ziet op herziening van definitief vastgestelde KOT-beschikkingen. De stelling van belanghebbende dat twee onbekende personen op haar adres stonden ingeschreven, leidt niet tot een ander oordeel. Uit de toelichting van UHT volgt dat de aanpassingen zoals neergelegd in voornoemde beschikkingen uitsluitend zijn gebaseerd op het toetsingsinkomen van belanghebbende. Niet is gebleken dat inkomen van derden in de berekening van de KOT is betrokken. De Commissie heeft daarom geen aanleiding om aan te nemen dat deze omstandigheid van invloed is geweest op de KOT over 2013.
Ook de door belanghebbende genoemde omstandigheden, waaronder het ontvangen van een bijstandsuitkering, het verrichten van feitelijke werkzaamheden en het feit dat het kind gebruik maakte van kinderopvang, brengen niet mee dat sprake is van vooringenomen handelen. Die omstandigheden doen niet af aan het feit dat de wijzigingen in dit toeslagjaar reguliere bijstellingen betroffen. Nu bovendien geen sprake is van een verlaging of terugvordering van € 1.500 of meer, bestaat evenmin aanspraak op compensatie op grond van hardheid. Van een onterechte Opzet/Grove Schuld (hierna O/GS) -kwalificatie is evenmin gebleken.
Daarom adviseert de Commissie UHT om het bezwaar op dit onderdeel ongegrond te verklaren.

Toeslagjaar 2014
De Commissie overweegt dat niet aannemelijk is geworden dat de aanpassing van de KOT over toeslagjaar 2014 het gevolg is geweest van institutioneel vooringenomen handelen door de Belastingdienst/Toeslagen dan wel van hardheid van het stelsel. Uit de stukken blijkt dat belanghebbende op 21 februari 2014, overeenkomstig haar  aanvraag van 24 januari 2014, een voorschotbeschikking heeft ontvangen van € 1.995. Nadien heeft één verlaging plaatsgevonden. Bij beschikking van 5 augustus 2016 is de KOT verlaagd naar €739. Deze verlaging hield verband met de door belanghebbende op 5 april 2016 verstrekte jaaropgave, waaruit volgde dat minder uren kinderopvang waren afgenomen dan waarvan eerder was uitgegaan, namelijk gemiddeld 12 uur per maand in plaats van 33 uur per maand. De Commissie overweegt dat B/T in beginsel mocht afgaan op de door belanghebbende zelf aangeleverde gegevens. De verlaging berust daarmee op een reguliere wijziging. De door belanghebbende genoemde omstandigheden, waaronder het ontvangen van een bijstandsuitkering, het verrichten van feitelijke werkzaamheden en het feit dat het kind gebruik maakte van kinderopvang, leiden niet tot een ander oordeel. Deze omstandigheden maken niet dat de verlaging alsnog moet worden aangemerkt als een gevolg van vooringenomen handelen. De Commissie heeft ook overigens geen aanknopingspunten gevonden om te oordelen dat sprake is van andere dan reguliere bijstellingen. Nu geen sprake is van institutioneel vooringenomen handelen en evenmin van hardheid van het stelsel, bestaat geen aanspraak op compensatie op grond van de Wht voor dit toeslagjaar. Daarbij komt dat niet is voldaan aan de voorwaarde voor toepassing van de hardheidsregeling dat sprake moet zijn van een verlaging of terugvordering van € 1.500 of meer. Evenmin is gebleken van een onterechte O/GS-kwalificatie. Daarom adviseert de Commissie UHT om het bezwaar op dit onderdeel ongegrond te verklaren.

Toeslagjaar 2015
De Commissie overweegt dat niet aannemelijk is geworden dat de aanpassingen van de KOT over toeslagjaar 2015 het gevolg zijn geweest van institutioneel vooringenomen handelen door de Belastingdienst/Toeslagen dan wel van hardheid van het stelsel. Uit de stukken blijkt dat belanghebbende op 28 december 2014 een voorschotbeschikking heeft ontvangen van € 2.251, waarna twee verlagingen hebben plaatsgevonden. De eerste verlaging is neergelegd in de beschikking van 21 januari 2015, waarbij de KOT is verlaagd naar € 188. Deze verlaging hield verband met een stopzetting per 1 februari 2015. Uit de systemen volgt dat deze stopzetting op 10 december 2014 digitaal is doorgegeven. De Commissie ziet geen concrete aanknopingspunten om te oordelen dat B/T niet van de juistheid van deze systeeminformatie mocht uitgaan. Deze verlaging moet daarom worden aangemerkt als een reguliere wijziging. De tweede verlaging is neergelegd in de beschikking van 21 november 2015, waarbij de KOT is verlaagd van € 191 naar € 188. Deze verlaging hield verband met een verhoging van het toetsingsinkomen van € 14.700 naar € 18.000, welke op 6 oktober 2015 digitaal is doorgegeven. Ook deze verlaging berust daarmee op door belanghebbende verstrekte dan wel in de systemen beschikbare gegevens en moet worden aangemerkt als een reguliere wijziging. De door belanghebbende genoemde omstandigheden, waaronder het ontvangen van een bijstandsuitkering, het verrichten van feitelijke werkzaamheden en het feit dat het kind gebruik maakte van kinderopvang, leiden niet tot de conclusie dat deze reguliere wijzigingen toch als vooringenomen handelen moeten worden beschouwd. De Commissie heeft ook overigens geen aanwijzingen gevonden dat de verlaging van de KOT over 2015 binnen het bereik van de Wht valt. Ten aanzien van hardheid overweegt de Commissie dat weliswaar sprake is van een verlaging van de KOT van € 1.500 of meer, maar dat uit de stukken volgt dat de KOT op het rekeningnummer van belanghebbende is overgemaakt. Van een situatie waarin te veel betaalde KOT aan de kinderopvanginstelling is uitbetaald en vervolgens van de ouder is teruggevorderd, is dan geen sprake. Ook is niet gebleken van een kleine formele tekortkoming, fraude door een derde of andere bijzondere omstandigheden die maken dat het stelsel in dit geval te hard heeft uitgewerkt. De Commissie ziet daarom geen grond voor compensatie op basis van hardheid. Van een onterechte O/GS-kwalificatie is evenmin gebleken. Daarom adviseert de Commissie UHT om het bezwaar op dit onderdeel ongegrond te verklaren.

Toeslagjaar 2016
De Commissie overweegt dat niet aannemelijk is geworden dat met betrekking tot de KOT over toeslagjaar 2016 sprake is geweest van institutioneel vooringenomen handelen door de Belastingdienst/Toeslagen dan wel van hardheid van het stelsel. Uit de stukken blijkt dat belanghebbende op 21 oktober 2016, overeenkomstig de aanvraag van 2 september 2016, een voorschotbeschikking heeft ontvangen van
€1.600. Niet is gebleken dat B/T de KOT over dit toeslagjaar neerwaarts heeft gecorrigeerd of heeft teruggevorderd. Reeds daarom ontbreekt een aanknopingspunt voor het oordeel dat sprake is geweest van vooringenomen handelen. Ook voor toepassing van de hardheidsregeling bestaat geen grond, nu een dergelijke compensatie is gekoppeld aan een verlaging, nihil stelling of terugvordering die voortvloeit uit vooringenomen handelen of hardheid. Evenmin is gebleken van een onterechte O/GS-kwalificatie over dit toeslagjaar. Daarom adviseert de Commissie UHT om het bezwaar op dit onderdeel ongegrond te verklaren.

XML-bestanden
Belanghebbende heeft aangevoerd dat zij de in de XML-bestanden vermelde wijzigingen niet zelf heeft doorgegeven en heeft ter onderbouwing stukken overgelegd waaruit volgt dat zij in de betreffende periode opleidingen heeft gevolgd. De Commissie volgt haar daarin niet. Uit de door UHT overgelegde aanvullende beschouwing en de daarbij gevoegde XML-bestanden volgt dat de stopzettingen van de KOT in 2013 en 2015 en de wijziging van het toetsingsinkomen in 2015 als door belanghebbende doorgegeven wijzigingen zijn geregistreerd. Wat belanghebbende daartegenover heeft gesteld, is onvoldoende concreet om aan de juistheid daarvan te twijfelen. De door haar overgelegde stukken laten wel zien dat zij opleidingen heeft gevolgd, maar daaruit volgt niet welke tijdsbesteding die opleidingen vergden en evenmin dat zij daarom deze wijzigingen niet zelf heeft kunnen doorgeven. Daarmee heeft belanghebbende niet aannemelijk gemaakt dat de geregistreerde wijzigingen niet van haar afkomstig waren. De Commissie adviseert UHT om dit bezwaaronderdeel ongegrond te verklaren.

Niet beoordeelde jaren 2017 en 2018
Belanghebbende stelt zich op het standpunt dat zij ook voor de niet-herbeoordeelde toeslagjaren 2017 en 2018 als gedupeerde dient te worden aangemerkt. Uitgangspunt is dat een verzoek om herbeoordeling betrekking heeft op alle jaren vóór 2020 waarin KOT is aangevraagd en/of waarover een beschikking is genomen, tenzij aannemelijk is dat de ouder het verzoek heeft beperkt. Of van een dergelijke beperking sprake is, moet blijken uit de omstandigheden van het geval, in onderlinge samenhang bezien. De Commissie stelt vast dat belanghebbende op 22 februari 2023 een herbeoordelingsverzoek heeft ingediend voor de toeslagjaren 2013 tot en met 2016. Op het beoordelingsformulier is vermeld dat, na afstemming met belanghebbende, uitsluitend deze jaren zouden worden herbeoordeeld. Tegen deze achtergrond kan niet worden geconcludeerd dat UHT gehouden was om ook de toeslagjaren 2017 en 2018 in de herbeoordeling te betrekken. Nu het oorspronkelijke verzoek om herbeoordeling en de daarop gevolgde beoordeling de omvang van deze bezwaarprocedure bepalen, ziet de Commissie geen reden om de toeslagjaren 2017 en 2018 alsnog inhoudelijk in deze procedure te betrekken. De Commissie neemt er kennis van dat UHT het in bezwaar gedane verzoek om ook deze jaren (en de overige jaren waarvoor KOT was aangevraagd) opnieuw te beoordelen heeft doorgezet naar de primaire afdeling. Indien deze herbeoordeling leidt tot een voor bezwaar vatbaar besluit, staat daartegen voor belanghebbende de mogelijkheid van bezwaar open zoals zij dat ook ter zitting wenste. De Commissie houdt deze bezwaarprocedure daarom niet aan. Het bezwaar is op dit onderdeel ongegrond.

Overige jaren
Ten aanzien van de overige niet herbeoordeelde jaren verwijst de Commissie naar de voorgaande overweging en het hoorverslag; UHT heeft toegezegd alle nietherbeoordeelde jaren te zullen herbeoordelen en de uitkomst daarvan te zullen neerleggen in een voor bezwaar vatbaar besluit.

Proceskosten
Nu de Commissie niet adviseert het primaire besluit te herroepen, is er geen aanleiding een vergoeding van de proceskosten toe te kennen.

Conclusie

Samengevat adviseert de Commissie om het bezwaar ongegrond te verklaren.

[handtekening]

Secretaris

[handtekening]

Fungerend voorzitter