BAC 2025-16720
Publicatiedatum 15-07-2026
Advies van de Bezwaarschriftenadviescommissie hersteloperatie toeslagen
Aan: Belastingdienst/Uitvoeringsorganisatie Herstel Toeslagen (hierna: UHT)
Betreft: het bezwaarschrift van belanghebbende
Primair besluit: 20 juni 2024 (UHT-DCHOA) (verder onder meer:
het bestreden besluit)
Hoorzitting: 13 maart 2026
Overdracht advies aan UHT: 13 maart 2026
Samenvatting
De Bezwaarschriftenadviescommissie (hierna: de Commissie) adviseert UHT om het bezwaar ongegrond te verklaren en het verzoek om een vergoeding van de kosten van rechtsbijstand af te wijzen.
Onderwerp van advies
Het door de gemachtigde namens belanghebbende ingediende bezwaarschrift is gericht tegen de door UHT genomen definitieve beschikking compensatie kinderopvangtoeslag van 20 juni 2024 met kenmerk UHT-DCHOA.
Aan belanghebbende is met toepassing van de Wet hersteloperatie toeslagen (hierna: Wht) geen compensatie toegekend voor het jaar 2019.
Procesverloop
- Belanghebbende heeft op onder meer 9 maart 2021 verzocht om een herbeoordeling van de kinderopvangtoeslag (hierna: KOT) over de jaren 2012 tot en met 2019. In overleg met belanghebbende en haar gemachtigde is de beoordeling beperkt tot enkel het jaar 2019.
- UHT heeft bij besluit van 22 maart 2022 aan belanghebbende medegedeeld dat zij (nog) niet in aanmerking komt voor een betaling van € 30.000.
- UHT heeft bij het bestreden besluit aan belanghebbende medegedeeld dat zij geen recht heeft op compensatie voor het jaar 2019.
- Gemachtigde heeft bij brief van 1 augustus 2024 tegen dit besluit een bezwaarschrift ingediend.
- Gemachtigde heeft bij brief van 12 mei 2025 het bezwaarschrift aangevuld.
- UHT heeft op 9 september 2025 schriftelijk gereageerd op het bezwaarschrift.
- Op 13 maart 2026 heeft een hoorzitting plaatsgevonden. Van de hoorzitting is een verslag gemaakt, dat achter het advies is gevoegd.
- Dit advies wordt uitgebracht door de voorzitter en 2 commissieleden.
Ontvankelijkheid
Niet in geschil is dat het bezwaarschrift ontvankelijk is.
Overwegingen ten aanzien van de bezwaren en het bestreden besluit
Op de zaak betrekking hebbende stukken
Belanghebbende heeft verzocht om alle op de zaak betrekking hebbende stukken toe te zenden. De beschouwing en de daaraan ten grondslag gelegde stukken zijn op 8 januari 2026 aan gemachtigde toegezonden. De Commissie vindt dat UHT hiermee heeft voldaan aan de in artikel 7:4 lid 2 van de Algemene wet bestuursrecht neergelegde verplichting om alle op de zaak betrekking hebbende stukken ter inzage te leggen. De Commissie adviseert UHT daarom om dit onderdeel van het bezwaar ongegrond te verklaren.
Omvang van het geschil
Belanghebbende stelt zich op het standpunt dat de jaren 2012 tot en met 2018 ten onrechte niet zijn meegenomen in de herbeoordeling. In haar ogen moet UHT deze beoordeling alsnog doen.
Het uitgangspunt is dat een verzoek om herbeoordeling als hier aan de orde betrekking heeft op alle jaren voor 2020 waarin de aanvrager van compensatie kinderopvangtoeslag heeft aangevraagd, althans waarin de Dienst Toeslagen een beschikking daarover heeft gegeven, tenzij de aanvrager het verzoek heeft beperkt. Of dat laatste aannemelijk is, moet blijken uit alle omstandigheden van het geval, in samenhang beoordeeld, zoals de aanwezigheid van telefoonnotities, vastgelegde gesprekken en andere schriftelijke stukken. De Commissie stelt vast dat het aanvankelijke verzoek om herbeoordeling van belanghebbende zag op de toeslagjaren 2012 tot en met 2019. De persoonlijk zaakbehandelaar heeft het verzoek vervolgens na een gesprek met belanghebbende en haar gemachtigde beperkt tot het jaar 2019. Gemachtigde heeft in dit gesprek aangegeven dat de toeslagjaren 2012 tot en met 2018 buiten beschouwing kunnen worden gelaten. Bovendien heeft UHT geconcludeerd dat er geen KOT aanvragen zijn gedaan in de jaren 2012 tot en met 2018. De Commissie ziet geen aanleiding om hieraan te twijfelen. In dat licht kan niet worden geconcludeerd dat UHT nagelaten heeft de toeslagjaren 2012 tot en met 2018 in de herbeoordeling te betrekken en dat om die reden de bestreden beschikking moet worden herroepen. Nu het oorspronkelijke verzoek en de bestreden beschikking de omvang van de onderhavige bezwaarprocedure bepalen, ziet de Commissie geen mogelijkheden om deze toeslagjaren in haar advisering te betrekken. Het bezwaar is op dit onderdeel ongegrond.
Inhoudelijke bezwaren
De Commissie ziet zich voorts gesteld voor de vraag of UHT terecht en op goede gronden is gekomen tot haar beslissing om het verzoek van belanghebbende om compensatie of tegemoetkoming af te wijzen voor het toeslagjaar 2019.
Hardheidsclausule
Belanghebbende stelt dat de hardheidsclausule uit artikel 9.1, eerste lid, van de Wht van toepassing is.
Op grond van artikel 9.1, eerste lid, van de Wht kan de UHT bij een besluit over toekenning van compensatie, een tegemoetkoming of vergoeding, kwijtschelding van bestuursrechtelijke schulden of betaling van bestuursrechtelijke en privaatrechtelijke schulden afwijken van artikel 2.1, voor zover toepassing van dat artikel gelet op het doel of de strekking ervan zal leiden tot een onbillijkheid van overwegende aard voor degene die heeft verzocht om de toekenning. Daarbij volgt uit de wetsgeschiedenis bij artikel 9.1 van de Wht dat de hardheidsclausule is bedoeld voor een bijzondere situatie waarin niet is voorzien en waarin toepassing van de wetsbepaling tot een zeer onbillijke uitkomst leidt. Een belangrijke voorwaarde daarbij is dat vasthouden aan de toepassing van de betreffende bepaling voor degene die heeft verzocht om toekenning van een van de genoemde herstelregelingen zou leiden tot een onbillijkheid van overwegende aard.
Hoewel het invoelbaar is dat persoonlijke omstandigheden een impact kunnen hebben, meent de Commissie dat nu belanghebbende in deze zaak geen enkele omstandigheid ter zake heeft aangevoerd, de Commissie reeds hierom van oordeel is dat geen sprake is van een bijzondere situatie waarin niet is voorzien en waarin toepassing van de hiervoor genoemde wetsbepaling tot een zeer onbillijke uitkomst leidt. Deze bezwaargrond treft daarom geen doel.
FSV / discriminatie
De Commissie stelt vast dat het op grond van het dossier voldoende aannemelijk is dat belanghebbende niet voorkomt op de FSV-lijst. Het FSV-systeem is een systeem dat niet meer wordt gebruikt en daarom uitsluitend kan worden geraadpleegd door medewerkers met een speciale bevoegdheid. UHT heeft niet voldoende bevoegdheden om de door belanghebbende gewenste gedetailleerde informatie te verstrekken.
Ten aanzien van discriminatie overweegt de Commissie dat van aanwijzingen dat in het geval van belanghebbende sprake is geweest van discriminatie, uit de ter beschikking staande stukken niet is gebleken. De Commissie adviseert UHT de bezwaren ongegrond te verklaren.
Vergoeding van de kosten van rechtsbijstand
Nu de Commissie niet adviseert om het bestreden besluit te herroepen, is er geen aanleiding een vergoeding van de kosten van rechtsbijstand toe te kennen.
Conclusie
Samengevat adviseert de Commissie om:
- het bestreden besluit in stand te laten en de bezwaren hiertegen ongegrond te verklaren;
- en geen vergoeding van de kosten van rechtsbijstand toe te kennen.
[handtekening]
Secretaris
[handtekening]
Fungerend voorzitter