BAC 2025-16716
Publicatiedatum 15-07-2026
Advies van de Bezwaarschriftenadviescommissie hersteloperatie toeslagen
Aan: Belastingdienst/Uitvoeringsorganisatie Herstel Toeslagen (hierna: UHT)
Betreft: het bezwaarschrift van belanghebbende
Primair besluit: 13 maart 2024 (UHT-DCHOA)
Hoorzitting: 13 april 2026 om 10:00 uur
Overdracht advies aan UHT: 6 mei 2026
Samenvatting
De Bezwaarschriftenadviescommissie (hierna: de Commissie) adviseert UHT om het bezwaar ongegrond te verklaren, het bestreden besluit in stand te laten en geen proceskostenvergoeding toe te kennen.
Onderwerp van advies
Het door de gemachtigde namens belanghebbende ingediende bezwaarschrift is gericht tegen het door UHT genomen definitieve besluit compensatie kinderopvangtoeslag, hierna aangeduid als het bestreden besluit.
Aan belanghebbende is met toepassing van de Wet hersteloperatie toeslagen (hierna: Wht) geen compensatie toegekend voor het toeslagjaar 2017.
Procesverloop
- Belanghebbende heeft op 3 februari 2021 verzocht om een herbeoordeling van de kinderopvangtoeslag (hierna: KOT) over het toeslagjaar 2017.
- UHT heeft bij besluit van 1 mei 2021 met kenmerk CAP/UCF/21/093 UHT aan belanghebbende meegedeeld dat hij niet in aanmerking komt voor een betaling van € 30.000 op grond van de Catshuisregeling.
- De Commissie van Wijzen (hierna: CvW) heeft haar beoordeling van het verzoek van belanghebbende op 1 maart 2024 aan de Belastingdienst/Toeslagen (hierna: B/T) toegestuurd. De CvW heeft in haar advies geoordeeld dat B/T zich terecht op het standpunt stelt dat de compensatieregeling van artikel 2.1, eerste lid, van de Wht niet van toepassing is voor het toeslagjaar 2017.
- UHT heeft bij het bestreden besluit aan belanghebbende meegedeeld dat hij geen recht heeft op compensatie voor het toeslagjaar 2017.
- Gemachtigde heeft bij brief van 15 april 2024, ingekomen op 18 april 2024, tegen dit besluit een bezwaarschrift ingediend.
- Gemachtigde heeft bij brief van 3 juli 2025, ingekomen op 4 juli 2025, het bezwaarschrift aangevuld.
- UHT heeft op 2 september 2025 schriftelijk gereageerd op het bezwaarschrift.
- Gemachtigde heeft op 13 februari 2026 het bezwaarschrift aangevuld.
- Op 13 april 2026 heeft een hoorzitting plaatsgevonden. Van de hoorzitting is een verslag gemaakt, dat achter het advies is gevoegd.
- Gemachtigde heeft op 31 maart 2026 het bezwaarschrift aangevuld.
- UHT heeft, daartoe door de Commissie ter zitting verzocht, op 20 april 2026 een aanvullende productie ingediend. Gemachtigde heeft op 24 april 2026 daarop gereageerd.
- Dit advies wordt uitgebracht door de voorzitter en twee commissieleden.
Ontvankelijkheid
Niet in geschil is dat het bezwaar ontvankelijk is.
Overwegingen ten aanzien van de bezwaren en het bestreden besluit
De Commissie ziet zich gesteld voor de vraag of UHT terecht en op goede gronden is gekomen tot haar beslissing om het verzoek van belanghebbende om compensatie of tegemoetkoming af te wijzen.
Motiveringsbeginsel
Belanghebbende stelt dat het bestreden besluit onvoldoende is gemotiveerd.
Voor zover het bestreden besluit onzorgvuldig is voorbereid of gemotiveerd, heeft UHT naar het oordeel van de Commissie de gebreken hersteld aan de hand van wat daarover in haar beschouwing is opgemerkt. De Commissie adviseert UHT dit onderdeel van het bezwaar ongegrond te verklaren.
Toeslagjaar 2017
De Commissie heeft geen aanknopingspunten gevonden om te adviseren dat B/T bij de toekenning, aanpassing of terugvordering van de KOT over het toeslagjaar 2017 institutioneel vooringenomen heeft gehandeld of dat het stelsel te hard heeft uitgewerkt. De KOT voor dit jaar is op 9 juni 2017 per 1 januari 2017 aangevraagd voor de zoon van belanghebbende. B/T heeft per 1 maart 2017 KOT toegekend. B/T kon de KOT niet per een eerdere datum toekennen, omdat KOT op grond van artikel 1.3 lid 2 onder aanhef b Wet kinderopvang, zoals dat destijds luidde, niet met meer dan drie maanden terugwerkende kracht kan worden aangevraagd. De Commissie is daarom van oordeel dat dit niet duidt op vooringenomen handelen door B/T of hardheid van het stelsel.
De eerste verlaging van de KOT was het gevolg van de stopzetting van de KOT door belanghebbende op 29 oktober 2017 per 1 augustus 2017. De KOT is vervolgens op nihil gesteld op grond van een door belanghebbende ingestuurd antwoord-formulier. In dit formulier heeft hij aangekruist dat hij in 2017 geen gebruik van kinderopvang heeft gemaakt. Belanghebbende stelt dat B/T naar aanleiding van het ontvangen formulier eerst contact met hem had moeten opnemen voordat de KOT op nihil werd gesteld. De Commissie is van oordeel dat B/T mocht vertrouwen op de juistheid van het door belanghebbende ingestuurde formulier. Er bestond geen aanleiding uitvraag te doen naar informatie over de kinderopvang die zijn dochter genoot, omdat de KOT-aanvraag zag op zijn zoon. Belanghebbende heeft vervolgens in bezwaar stukken overgelegd waaruit volgt dat hij kinderopvang voor zijn dochter heeft afgenomen. Op de overgelegde stukken staat weliswaar de naam van zijn dochter, maar het burgerservice-nummer van zijn zoon. B/T heeft op grond van de overgelegde stukken alsnog KOT toegekend, op naam van de zoon. Omdat deze zoon op dat moment ouder dan vier jaar is, en daarom geen recht heeft op KOT voor dagopvang, kent B/T KOT toe voor buitenschoolse opvang. Hiervoor wordt met een lager uurtarief gerekend. De Commissie begrijpt dat wanneer de aanvraag eerder en voor het juiste kind was ingediend, belanghebbende recht had op meer KOT dan destijds aan hem is toegekend.
De verantwoordelijkheid voor het indienen van een juiste aanvraag ligt echter niet bij B/T, maar bij belanghebbende. Het lag niet binnen de mogelijkheden van B/T om KOT voor de dochter toe te kennen, omdat voor haar geen aanvraag was ingediend. Daarnaast bevatten de overgelegde stukken onjuiste informatie, wat tot onduidelijkheid heeft geleid. De Commissie is daarom van oordeel dat B/T destijds – gegeven de geschetste omstandigheden - niet vooringenomen of te hard heeft gehandeld.
De Commissie overweegt in dat verband dat in de onderhavige bezwaarprocedure uitsluitend wordt getoetst of belanghebbende recht heeft op compensatie op basis van de Wht. De procedure ziet niet op onjuistheden bij de vaststelling van de KOT in het verleden of op de herziening van in het verleden genomen definitieve KOTbeschikkingen. Een beoordeling daarvan valt buiten de reikwijdte van de Wht.
De Commissie heeft ook geen aanwijzingen gevonden dat B/T jegens belanghebbende heeft gehandeld op grond van de onterechte veronderstelling dat deze opzettelijk dan wel met grove schuld onterecht KOT heeft ontvangen, zodat ook geen aanspraak bestaat op een daarop gebaseerde tegemoetkoming.
De Commissie adviseert UHT daarom om ook dit onderdeel van het bezwaar ongegrond te verklaren.
Proceskostenvergoeding
Nu de Commissie niet adviseert het primaire besluit te herroepen, bestaat geen aanleiding een vergoeding van de proceskosten toe te kennen.
Conclusie
Samengevat adviseert de Commissie om het bezwaar ongegrond te verklaren en om:
- het bestreden besluit in stand te laten;
- geen proceskostenvergoeding toe te kennen.
[handtekening]
Secretaris
[handtekening]
Fungerend voorzitter