Ga direct naar de inhoud Ga direct naar de filters Ga direct naar de footer

BAC 2025-16714

Advies van de Bezwaarschriftenadviescommissie hersteloperatie toeslagen

Aan: Belastingdienst/Uitvoeringsorganisatie Herstel Toeslagen (hierna: UHT)

Betreft: het bezwaarschrift van belanghebbende

Primair besluit: 15 mei 2024 (UHT-DCHOA)

Overdracht advies aan UHT:6 maart 2026

Samenvatting

De Bezwaarschriftenadviescommissie (hierna: de Commissie) adviseert UHT om het bezwaar ongegrond te verklaren en geen proceskostenvergoeding toe te kennen.

Onderwerp van advies

De gemachtigde heeft namens belanghebbende bezwaar gemaakt tegen het besluit van 15 mei 2024 (UHT-DCHOA) waarbij belanghebbende is meegedeeld: dat er bij de herbeoordeling over de toeslagjaren 2008 tot en met 2015 niet is gebleken van fouten en dat belanghebbende daarom geen recht heeft op compensatie.

Procesverloop

  • Belanghebbende heeft een verzoek gedaan voor een herbeoordeling van haar kinderopvangtoeslag (hierna: KOT).
  • Bij brief van 16 december 2021 is belanghebbende meegedeeld dat zij, in het kader van de eerste toets, vooralsnog geen recht heeft op een betaling van
    € 30.000.
  • Op 6 mei 2024 heeft de Commissie van Wijzen (hierna: CvW) advies uitgebracht. De CvW heeft overwogen, kort gezegd, dat voor de toeslagjaren 2008 tot en met 2015 geen herstelregeling van toepassing is.
  • Bij brief van 15 mei 2024 is het bestreden besluit genomen.
  • Bij brief van 19 juni 2024 heeft gemachtigde tegen dit besluit bezwaar gemaakt.
  • Op 10 juni 2025 heeft UHT een schriftelijke reactie ingediend.
  • Op 27 januari 2026 heeft de Commissie aan gemachtigde gevraagd kenbaar te maken of er wordt afgezien van het recht om te worden gehoord en zo ja, om uiterlijk 4 maart 2026 eventueel aanvullende gronden van bezwaar in te dienen.
  • Op 3 februari 2026 heeft gemachtigde laten weten dat belanghebbende geen behoefte heeft aan een hoorzitting.
  • Gemachtigde heeft geen gebruik gemaakt van de gelegenheid om aanvullende gronden van bezwaar in te dienen.
  • Dit advies wordt uitgebracht door de voorzitter en 2 commissieleden.

Ontvankelijkheid

Niet in geschil is dat het bezwaarschrift ontvankelijk is.

Overwegingen ten aanzien van de bezwaren en het bestreden besluit

De Commissie ziet zich gesteld voor de vraag of UHT terecht en op goede gronden is gekomen tot haar beslissing om het verzoek van belanghebbende om compensatie of tegemoetkoming af te wijzen.

Persoonlijk dossier
Met betrekking tot de bezwaargrond dat belanghebbende inzage wil in haar persoonlijke dossier, oordeelt de Commissie als volgt. Hoewel de Commissie begrijpt dat belanghebbende graag toegang wil tot haar volledige persoonlijke dossier, is UHT op grond van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) alleen verplicht om de stukken die relevant zijn voor de zaak te overleggen. Het volledige persoonlijke dossier van belanghebbende is veel omvangrijker en valt niet onder de definitie van ‘op de zaak betrekking hebbende stukken’. UHT heeft de documenten waarop het bestreden besluit is gebaseerd in het geding gebracht en de Commissie heeft geen aanwijzingen dat er relevante stukken ontbreken.
Op basis van de overgelegde documenten is het voldoende duidelijk hoe tot het besluit is gekomen dat belanghebbende geen recht heeft op compensatie op basis van de Wet hersteloperatie toeslagen (Wht). De Commissie adviseert daarom dit onderdeel van het bezwaar ongegrond te verklaren.

Herbeoordeelde toeslagjaren
De KOT voor 2008 tot en met 2013 en 2015 is, naar op grond van de stukken aannemelijk is geworden, bijgesteld naar aanleiding van informatie afkomstig van de kinderopvanginstelling, minder afgenomen uren, een lager uurtarief, een hoger toetsingsinkomen, het hebben van een toeslagpartner en een door belanghebbende doorgegeven stopzetting. De Commissie heeft geen aanleiding om te twijfelen aan de producties waaruit dit blijkt.

De slotsom is dat de verplichting tot terugbetaling van de KOT het gevolg is van reguliere correcties. Dat kan niet worden aangemerkt als institutioneel vooringenomen handelen. De reguliere correcties wijzen ook niet op onbillijkheden vanwege de hardheid waarmee het wettelijk systeem werd toegepast.

Daarbij ligt het in de aard van een voorschot besloten dat de werkelijke, later vast te stellen aanspraak, op een lager bedrag kan uitkomen. Aan een voorschot kan in beginsel niet het gerechtvaardigde vertrouwen worden ontleend dat een definitieve aanspraak op een daarmee overeenstemmend bedrag bestaat.

Toeslagjaar 2014
Niet in geschil is dat ten aanzien van belanghebbende bij de uitvoering van de KOT in het jaar 2014 sprake is geweest van vooringenomenheid. Als vooringenomenheid wordt vastgesteld, dan is de compensatieregeling van toepassing. Uit artikel 2.1, tweede lid, van de Wet hersteloperatie toeslagen (hierna: Wht) volgt echter dat compensatie achterwege blijft indien sprake is van ernstige onregelmatigheden die aan belanghebbende toerekenbaar zijn. Van een ernstige onregelmatigheid is in ieder geval sprake als blijkt dat de ouder evident geen recht had op KOT in de betreffende jaren.

UHT heeft aangegeven dat er sprake is van evident geen recht op KOT, omdat belanghebbende in 2014 geen gebruik heeft gemaakt van geregistreerde opvang.

Nu niet is voldaan aan de eis van het gebruik van geregistreerde opvang, had belanghebbende voor toeslagjaar 2014 evident geen recht op KOT. Gelet op het voorgaande heeft UHT zich terecht op het standpunt gesteld dat belanghebbende geen aanspraak kan maken op de compensatieregeling of de hardheidscompensatie.

Conclusie

Gelet op het vorenstaande adviseert de Commissie:

  • het bestreden besluit niet te herroepen;
  • het bezwaar ongegrond te verklaren;
  • geen proceskostenvergoeding toe te kennen.

[handtekening]

Secretaris

[handtekening]

Fungerend voorzitter