Ga direct naar de inhoud Ga direct naar de filters Ga direct naar de footer

BAC 2025-16711

Advies van de Bezwaarschriftenadviescommissie hersteloperatie toeslagen

Aan: Belastingdienst/Uitvoeringsorganisatie Herstel Toeslagen (hierna: UHT)

Betreft: het bezwaarschrift van belanghebbende

Primair besluit: 18 april 2024 (UHT-DCHOA)

Hoorzitting: 2 april 2026 om 11:00 uur

Overdracht advies aan UHT: 14 april 2026

Samenvatting

De Bezwaarschriftenadviescommissie (hierna: de Commissie) adviseert UHT om het bezwaarschrift ongegrond te verklaren en het bestreden besluit in stand te laten.

Onderwerp van advies

Het door gemachtigde namens belanghebbende ingediende bezwaarschrift is gericht tegen de door UHT genomen definitieve beschikking compensatie kinderopvangtoeslag.

Aan belanghebbende is met toepassing van de Wet hersteloperatie toeslagen (hierna: Wht) geen compensatie toegekend voor de jaren 2016 en 2017.

Procesverloop

  • Belanghebbende heeft op 24 en 25 oktober 2023 verzocht om een herbeoordeling van de kinderopvangtoeslag (hierna: KOT) over de jaren 2015, 2016 en 2017. Nadien is in overleg met belanghebbende dit verzoek beperkt tot de jaren 2016 en 2017.
  • UHT heeft bij beschikking van 22 december 2023 aan belanghebbende medegedeeld dat zij niet in aanmerking komt voor een betaling van € 30.000,-.
  • De Commissie van Wijzen (hierna: CvW) heeft haar beoordeling van het verzoek van belanghebbende op 9 april 2024 aan UHT toegestuurd. De CvW heeft geadviseerd dat gedurende de betrokken jaren geen sprake is geweest van institutionele vooringenomenheid of bijzondere omstandigheden.
  • UHT heeft bij bestreden beschikking aan belanghebbende medegedeeld dat zij geen recht heeft op compensatie voor de jaren 2016 en 2017.
  • Gemachtigde heeft bij brief van 9 mei 2024 tegen deze beschikking een bezwaarschrift ingediend.
  • UHT heeft op 31 mei 2025 schriftelijk gereageerd op het bezwaarschrift.
  • UHT heeft op 1 april 2026 een aanvullende productie aangeleverd.
  • Op 2 april 2026 heeft een hoorzitting plaatsgevonden. Van de hoorzitting is een verslag gemaakt, dat achter het advies is gevoegd.
  • Dit advies wordt uitgebracht door de voorzitter en twee commissieleden.

Ontvankelijkheid en algemene opmerkingen

Niet in geschil is dat het bezwaarschrift ontvankelijk is.

Overwegingen ten aanzien van de bezwaren en het bestreden besluit

Zorgvuldigheids- en motiveringsbeginsel

Belanghebbende stelt dat het bestreden besluit onvoldoende zorgvuldig is voorbereid en onvoldoende gemotiveerd is. Met de door UHT in bezwaar ingediende schriftelijke beschouwing en de overgelegde stukken, is in ieder geval thans geen sprake van strijd met de door belanghebbende genoemde algemene beginselen van behoorlijk bestuur. De vraag of die strijd er wel was ten tijde van het bestreden besluit behoeft in dit geval geen beantwoording. De nadere toelichting over de voorbereiding en motivering van het bestreden besluit leidt immers niet tot het herroepen daarvan.

Vertrouwensbeginsel

De Commissie overweegt dat belanghebbende zich beroept op het vertrouwensbeginsel. Voor een geslaagd beroep op het vertrouwensbeginsel is vereist dat sprake is van een aan het bestuursorgaan toe te rekenen concrete en ondubbelzinnige toezegging, waaraan rechtens te honoreren verwachtingen kunnen worden ontleend.

Van een dergelijke toezegging is in dit geval geen sprake. Reeds bij de eerste toets is vastgesteld dat belanghebbende niet als gedupeerde is aangemerkt en geen recht had op € 30.000 in het kader van de Catshuisregeling. De later, in het kader van de integrale beoordeling, verzonden brief van 6 maart 2024 waarin is vermeld dat belanghebbende eerder € 30.000 heeft ontvangen vanwege de Catshuisregeling en daarom geen extra geld krijgt, moet tegen die achtergrond worden aangemerkt als een kennelijke fout. Deze fout is bovendien één dag later, met een brief van 7 maart 2024, hersteld. Gelet op de voorgeschiedenis en de inhoud van het dossier kon de brief van 6 maart 2024 redelijkerwijs niet worden opgevat als een concrete en ondubbelzinnige toezegging dat belanghebbende alsnog als gedupeerde zou worden aangemerkt of alsnog aanspraak zou hebben op compensatie.

Dat belanghebbende door deze onjuiste brief verwarring heeft kunnen ervaren, acht de Commissie voorstelbaar. Dat is echter onvoldoende voor het oordeel dat het vertrouwensbeginsel is geschonden. Bijkomende omstandigheden die zouden maken dat belanghebbende desalniettemin gerechtvaardigd op deze brief mocht vertrouwen, zijn niet aannemelijk geworden. De Commissie adviseert het bezwaar op dit punt ongegrond te verklaren.

Toeslagjaren 2016 en 2017

Belanghebbende voert aan dat ten onrechte geen compensatie is toegekend voor de toeslagjaren 2016 en 2017.

De Commissie heeft geen aanknopingspunten kunnen vinden om te adviseren dat de Belastingdienst/Toeslagen (hierna: B/T) bij de toekenning, aanpassing of terugvordering van de KOT voor de toeslagjaren 2016 en 2017 institutioneel vooringenomen heeft gehandeld of dat het stelsel te hard heeft uitgewerkt.

In 2016 hebben er geen neerwaartse bijstellingen plaatsgevonden.

In 2017 heeft één neerwaartse bijstelling plaatsgevonden. Bij besluit van 21 november 2017 is de KOT verlaagd van € 11.339 naar € 2.835, omdat uit de gegevens van DUO was gebleken, dat het kind van belanghebbende was gestart op de basisschool, waardoor er geen recht meer bestond op dagopvang én vanwege een stopzetting van de KOT door belanghebbende zelf met ingang van 1 april 2017.

De terugvordering KOT over deze jaren was gebaseerd op de vaststelling dat er een te hoog voorschot was toegekend. Dat voorschot is door reguliere wijzigingen opnieuw berekend. Deze bijstellingen zijn in overeenstemming met de wet uitgevoerd. Dergelijke bijstellingen geven in beginsel ook geen aanspraak op een zogenoemde hardheidstegemoetkoming. De Commissie heeft geen aanknopingspunten gevonden om hierover in het geval van belanghebbende anders te oordelen. Er was ook geen onterechte kwalificatie O/GS, zodat er ook geen aanspraak is op een daarop gebaseerde vergoeding. De Commissie adviseert UHT daarom om dit onderdeel van het bezwaar ongegrond te verklaren.

Proceskostenvergoeding

Belanghebbende heeft verzocht om een proceskostenveroordeling toe te kennen conform het Besluit proceskosten bestuursrecht. Aangezien het bezwaar naar het oordeel van de Commissie ongegrond is en de bestreden beslissing in stand kan blijven, adviseert de Commissie om belanghebbende geen proceskostenvergoeding toe te kennen.

Conclusie

Samengevat adviseert de Commissie om het bezwaar ongegrond te verklaren en het bestreden besluit in stand te laten.

[handtekening]

Secretaris

[handtekening]

Fungerend voorzitter