BAC 2025-16677
Publicatiedatum 21-07-2026
Advies van de Bezwaarschriftenadviescommissie hersteloperatie toeslagen
Aan: Belastingdienst/Uitvoeringsorganisatie Herstel Toeslagen (hierna: UHT)
Betreft: het bezwaarschrift van belanghebbende
Primair besluit: 24 augustus 2022 (UHT-DC I A; UHT-DH5 A)
Hoorzitting: 3 februari 2026
Overdracht advies aan UHT: 10 februari 2026
Samenvatting
De Bezwaarschriftenadviescommissie (hierna: de Commissie) adviseert UHT om het bezwaar gegrond te verklaren en proceskosten toe te kennen.
Onderwerp van advies
Het door gemachtigde namens belanghebbende ingediende bezwaarschrift van 19 juni 2024 is gericht tegen de door UHT genomen definitieve beschikkingen afwijzing en herbeoordeling compensatie kinderopvangtoeslag van 24 augustus 2022 (kenmerken UHT-DCI A en UHT-DH5 A).
Aan belanghebbende is met toepassing van de Compensatieregeling CAF 11 en vergelijkbare (CAF-)zaken van 28 augustus 2020 (Stcrt. 2020, nr. 45904) geen compensatie toegekend voor de jaren 2015 en 2016.
Op 5 november 2022 is de Wet van 2 november 2022 houdende regels ten behoeve van de hersteloperatie toeslagen (Wet hersteloperatie toeslagen, hierna: Wht) in werking getreden. Gelet op het bepaalde in de artikelen 8.6 en 9.2 Wht moeten de bestreden beschikkingen geacht worden te zijn genomen op grond van artikel 2.1 en verder van de Wht.
Procesverloop
- Belanghebbende heeft op 9 juni 2020 verzocht om een herbeoordeling van de kinderopvangtoeslag (hierna: KOT).
- De Commissie van Wijzen (hierna: CvW) heeft haar beoordeling van het verzoek van belanghebbende op 9 mei 2022 aan UHT toegestuurd. De CvW heeft geadviseerd dat gedurende de betrokken jaren geen sprake is geweest van institutionele vooringenomenheid of bijzondere omstandigheden.
- UHT heeft bij de bestreden besluiten aan belanghebbende medegedeeld dat hij geen recht heeft op compensatie voor de jaren 2015 en 2016.
- Gemachtigde heeft bij brief van 19 juni 2024 tegen deze besluiten een bezwaarschrift ingediend.
- Gemachtigde heeft bij brief van 6 mei 2025 aanvullende bezwaargronden ingediend.
- UHT heeft op 12 september 2025 schriftelijk gereageerd op het bezwaarschrift.
- Op 3 februari 2026 heeft een hoorzitting plaatsgevonden. Van de hoorzitting is een verslag gemaakt, dat achter het advies is gevoegd.
- Dit advies wordt uitgebracht door de voorzitter, eerste commissielid en tweede commissielid.
Ontvankelijkheid
Niet in geschil is dat het bezwaar ontvankelijk is.
Overwegingen ten aanzien van de bezwaren en de bestreden besluiten
Uit het dossier blijkt dat voor de toeslagjaren 2015 en 2016 verlagingen van de KOT hebben plaatsgevonden op basis van de gegevens die de Belastingdienst/Toeslagen (hierna: B/T) heeft verkregen van het UWV. Omdat niet duidelijk is of de uitvraagbrieven daadwerkelijk zijn verzonden geeft UHT aan dat B/T over die jaren vooringenomen heeft gehandeld.
UHT is echter niet tot compensatie voor vooringenomenheid overgegaan; UHT voert hiervoor aan dat conform haar beleid niet tot compensatie over te gaan als achteraf blijkt dat de terugvordering correct is geweest.
Belanghebbende stelt dat hij in de jaren 2015 en 2016 voltijds werkte en dat zijn partner gedurende 25 uur per week als docent aan de Universiteit van Amsterdam werkzaam was. Daarnaast werkte zij onbezoldigd aan haar proefschrift, nadat haar contract voor het schrijven daarvan na vier jaar afgelopen was en zij het proefschrift nog niet had afgerond. In totaal werkte de partner in genoemde jaren 40 uur per week.
Belanghebbende heeft een verklaring overgelegd van de toenmalig promotor dat de partner 25 uur per week gewerkt heeft aan haar promotie-onderzoek.
UHT betwist niet dat de partner van belanghebbende deze uren heeft gewerkt aan haar promotie-onderzoek en dat kinderopvang gedurende die uren is afgenomen en noodzakelijk was, maar stelt dat compensatie op basis van vooringenomen handelen achterwege blijft wanneer blijkt dat de verlaging achteraf gezien correct was. UHT stelt voorts dat de onbezoldigde uren waarin aan het promotie-onderzoek is gewerkt niet vallen onder de definitie van uren van arbeid in de zin van art. 6, lid 1 onder a van Wet kinderopvang (Wko). Volgens deze bepaling wordt alleen arbeid meegerekend waaruit inkomen in de zin van de Wet op de Inkomstenbelasting wordt genoten. Voorts wordt promotie-onderzoek niet aangemerkt als studie in de zin van artikel 6 Wko. Tijdens de hoorzitting bij de Commissie werd hieraan toegevoegd dat promotie-onderzoek wel zou worden meegerekend als er een contract bestaat tussen de Universiteit en de promovendus.
Niet in geschil is dat de partner in de genoemde jaren de aangevoerde uren heeft besteed aan promotie-onderzoek, maar aan de genoemde voorwaarden is niet voldaan, aldus UHT.
Bezwaargrond: de uren waarin promotie-onderzoek is verricht dienen gelijk gesteld te worden met uren van arbeid in de zin van artikel 6, lid 1 Wko
Belanghebbende voert aan dat niet door UHT betwist wordt dat zijn partner 25 uur per week promotie-onderzoek verrichtte en dat dit arbeidsuren zijn en dat de promotor de werkzaamheden heeft bevestigd. Bovendien is het gebruikelijk dat een promotie-onderzoek niet binnen de contractsduur van vier jaar kan worden afgerond en onbezoldigd wordt voortgezet. Deze werkzaamheden moeten gelijk worden gesteld met werkzaamheden als bedoeld in artikel 6, lid 1 a, Wko.
De Commissie overweegt als volgt. Ze heeft geconstateerd dat in 2025 een voorstel tot wijziging van de Wko in verband met de verbetering van enkele bepalingen op het terrein van kinderopvangtoeslag onderwerp is geweest van een internetconsultatie. In de concept-memorie van toelichting van het voorstel wordt benadrukt dat een goed kinderopvangstelsel belangrijk is om arbeid en zorg voor kinderen te kunnen combineren. Bij promovendi bestaat echter onzekerheid of wel of geen recht bestaat op KOT en is er een hoog risico op terugvorderingen, aldus de toelichting. Ook zijn er promovendi bij wie het huidige art. 6 van de Wko niet voorziet in KOT voor promovendi.
Het wetsvoorstel bevat onder andere de volgende bepaling:
“Artikel 1.6, eerste lid, wordt als volgt gewijzigd: (…) 2. Onder vervanging van de punt aan het slot van onderdeel l door een puntkomma wordt een onderdeel toegevoegd, luidende:
m. een traject volgt gericht op promotie of anderszins onderzoek verricht aan een instelling of academisch ziekenhuis als bedoeld in artikel 1.2 van de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek, waaronder in ieder geval:
1°. een traject gericht op promotie als bedoeld in artikel 7.18 van de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek; en (…).’.
De voorgestelde wijzing van de Wko regelt aldus dat bij elke vorm van promotietraject recht kan bestaan op KOT. De ingangsdatum van de onderdelen van de wet dient nog bij besluit te worden bepaald.
De situatie van de partner van belanghebbende zou zonder twijfel onder de nieuwe bepaling vallen als die in de bestreden jaren van toepassing was geweest.
Ofschoon het voorstel nog niet officieel is ingediend, laat staan al kracht van wet heeft, stelt de Commissie op basis van de toelichting ten eerste vast dat het standpunt van UHT dat bij promovendi een dienstverband of ten minste een formele overeenkomst met de universiteit over het promotie-onderzoek overeenkomt met de toelichting bij het voorstel van wet. Gelet op deze toelichting kan niet gezegd worden dat, in afwijking van de letterlijke tekst van art. 6 Wko, in het geval van belanghebbende recht op KOT bestond, zodat UHT niet gehouden is af te wijken van haar beleid om in dit geval geen compensatie vanwege vooringenomenheid toe te kennen. De Commissie adviseert dan ook de eerste bezwaargrond ongegrond te verklaren.
Hardheidsclausule
Belanghebbende doet voorts een beroep op de bijzondere omstandigheid van het geval. De Commissie gaat ervan uit dat belanghebbende doelt op de hardheidsclausule uit artikel 9.1 Wht.
De Commissie overweegt dat toepassing van de hardheidsclausule slechts aan de orde is indien strikte toepassing van de wet of de beleidsregels zou leiden tot een onbillijkheid van overwegende aard.
De Commissie ontleent aan de toelichting van het voorstel voor wijziging van de Wko ook dat het doel van de Wko is om alle promovendi in aanmerking te laten komen voor kinderopvang en dat tot dusver over hun recht veel onzekerheid bestaat.
Met het voorliggende wetsvoorstel streeft de regering als beleidsdoelen na:
“a) kinderopvang financieel toegankelijk maken voor promovendi en technologisch ontwerpers in opleiding en hun partners;
- duidelijkheid en zekerheid bieden over het recht op KOT voor promovendi en technologisch ontwerpers in opleiding en hun partners;
- minder complexiteit in de KOT-systematiek en afname van het aantal hoge terugvorderingen als gevolg van niet voldoen aan de arbeidseis (alles-of-niets voorwaarde).
Als deze doelen worden gerealiseerd, wordt aan de betreffende ouders de mogelijkheid geboden om het promoveren of studeren en de zorg voor kinderen beter te combineren. Ouders die promoveren of studeren verrichten maatschappelijk belangrijk werk.
Knelpunten in de KOT mogen daarom geen belemmering zijn voor deze ouders om te werken of te studeren” (Pagina 7 Memorie van Toelichting, wetsvoorstel wijziging van de WKo).
Deze overwegingen en alle omstandigheden van belanghebbende en zijn partner in overweging nemende is de Commissie van oordeel dat strikte toepassing van de geldende Wet en beleidsregels gegeven het doel en de strekking ervan in samenhang bezien met het wetsvoorstel tot wijziging van de Wko en de feiten die voorliggen, leidt tot een onbillijkheid van overwegende aard.
De partner van belanghebbende had een arbeidsovereenkomst en werkte daarnaast extra uren aan haar promotieonderzoek voor de universiteit. Dat een promotie-onderzoek langer dan vier jaar kan duren, zeker als men kinderen krijgt, wordt door UHT niet betwist, evenmin als door de staatssecretaris in het wetsvoorstel. Ook wordt niet bestreden dat in de praktijk het promotie-onderzoek onbezoldigd wordt voortgezet en dat in de praktijk van universiteiten niet verlangd wordt of kan worden dat de voortzetting bezoldigd wordt.
Uit het wetsvoorstel en de daarin aangehaalde parlementaire debatten blijkt dat de wetgever voor ogen heeft om promovendi wel degelijk als doelgroeper aan te merken. Ook dit wordt door UHT niet betwist.
B/T heeft erkend in beginsel vooringenomen te hebben gehandeld door onvoldoende navraag te doen. Gelet op de onzekerheid die in het algemeen bestaat over de status van promovendi, zoals vermeld in de toelichting van het wetsvoorstel, kan niet gezegd worden dat er evident geen recht was op KOT en had voldoende navraag bij belanghebbende niet mogen uitblijven. Bij die navraag had bijvoorbeeld de precieze relatie tussen partner van belanghebbende en de universiteit onderzocht kunnen worden en had de partner eventueel opheldering over die relatie kunnen geven of die relatie kunnen formaliseren.
In deze specifieke situatie, waarin de partner in deeltijd werkzaam was bij de universiteit, was er toentertijd geen aanleiding om nadere afspraken met de universiteit te maken over bijvoorbeeld gebruik van de faciliteiten.
Dit alles maakt dat de Commissie van mening is dat in deze specifieke situatie sprake is van een bijzondere of uitzonderlijke omstandigheid, op grond waarvan de hardheidsclausule uit artikel 9.1 Wht van toepassing zou zijn en hierdoor voor belanghebbende wel recht bestaat op compensatie met toepassing van dit artikel.
De proceskosten
Nu de Commissie concludeert tot gegrondverklaring van het bezwaar, adviseert zij tot toewijzing van het verzoek om vergoeding van de proceskosten in deze bezwaarprocedure. Evenals in eerdere zaken adviseert de Commissie daarbij een wegingsfactor 2 te hanteren en de hoogste vergoeding per procespunt toe te kennen.
Conclusie
De Commissie adviseert UHT om het bezwaar gegrond te verklaren en in de beslissing op bezwaar aan belanghebbende compensatie en vergoeding voor de proceskosten toe te kennen.
[handtekening]
Secretaris
[handtekening]
Fungerend voorzitter