Ga direct naar de inhoud Ga direct naar de filters Ga direct naar de footer

BAC 2025-16671

Advies van de Bezwaarschriftenadviescommissie hersteloperatie toeslagen

Aan: Belastingdienst/Uitvoeringsorganisatie Herstel Toeslagen (hierna: UHT)

Betreft: het bezwaarschrift van belanghebbende

Primair besluit: 25 maart 2024 met kenmerk UHT-DCHOA

Hoorzitting: 26 mei 2026

Overdracht advies aan UHT: 1 juni 2026

Samenvatting

De Bezwaarschriftenadviescommissie (hierna: de Commissie) adviseert UHT om het bezwaar ongegrond te verklaren en het verzoek om een proceskostenvergoeding af te wijzen.

Onderwerp van advies

Het door gemachtigde namens belanghebbende ingediende bezwaarschrift is gericht tegen het door UHT genomen definitieve besluit beoordeling kinderopvangtoeslag van 25 maart 2024 met kenmerk UHT-DCHOA (hierna: het bestreden besluit).

Aan belanghebbende is met toepassing van de Wet hersteloperatie toeslagen (hierna: Wht) geen compensatie toegekend voor de jaren 2014 tot en met 2019.

Procesverloop

  • Belanghebbende heeft op 19 april 2022 verzocht om een herbeoordeling van de kinderopvangtoeslag (hierna: KOT) over de jaren 2014 tot en met 2019 (hierna: de betrokken jaren).
  • UHT heeft belanghebbende met de besluiten van 28 juli 2022 en 31 oktober 2022 meegedeeld dat zij niet in aanmerking komt voor de € 30.000-regeling.
  • UHT heeft belanghebbende met het besluit van 16 januari 2024 laten weten dat zij voorlopig niet in aanmerking komt voor compensatie over de betrokken jaren.
  • De Commissie van Wijzen (hierna: CvW) heeft haar beoordeling van het verzoek van belanghebbende op 12 maart 2024 aan UHT toegestuurd. De CvW heeft geadviseerd dat gedurende de betrokken jaren geen sprake is geweest van institutionele vooringenomenheid of bijzondere omstandigheden.
  • UHT heeft bij het bestreden besluit van 25 maart 2024 aan belanghebbende meegedeeld dat zij geen recht heeft op compensatie voor de jaren 2014 tot en met 2019.
  • Gemachtigde heeft bij brief van 2 april 2024 tegen dit besluit een bezwaarschrift ingediend.
  • UHT heeft op 24 september 2025 schriftelijk gereageerd op het bezwaarschrift.
  • Op 18 mei 2026 heeft gemachtigde een aanvullend bezwaarschrift ingebracht.
  • Op 21 mei 2026 heeft UHT een aanvullende beschouwing ingebracht.
  • Op 26 mei 2026 heeft een hoorzitting plaatsgevonden. Van de hoorzitting is een verslag gemaakt, dat achter het advies is gevoegd.
  • Dit advies wordt uitgebracht door de voorzitter en twee commissieleden.

Ontvankelijkheid en algemene opmerkingen

Niet in geschil is dat het bezwaar ontvankelijk is.

Overwegingen ten aanzien van de bezwaren en het bestreden besluit

De Commissie zal allereerst ingaan op de volgende bezwaargronden:

  • Op de zaak betrekking hebbende stukken;
  • Het motiverings-en zorgvuldigheidsbeginsel;
  • Het niet tijdig definitief beslissen volgens artikel 19 van de Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen (hierna: Awir).

Op de zaak betrekking hebbende stukken

Belanghebbende stelt dat zij niet beschikt over alle onderliggende stukken. Op grond van artikel 6:17 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) is het bestuursorgaan dat bevoegd is op het bezwaar te beslissen verplicht de op de zaak betrekking hebbende stukken aan de gemachtigde ter beschikking te stellen.

De Commissie stelt vast dat UHT op 14 juli 2025 het ouderdossier heeft toegezonden.

De Commissie heeft gemachtigde op 21 januari 2026 in het bezit gesteld van het ouderdossier, inclusief de beschouwing van 24 september 2025. Aan het ouderdossier zijn daarbij de producties 2800001 tot en met 2800007 toegevoegd.

Gemachtigde is daarmee in het bezit gesteld van alle op de zaak betrekking hebbende stukken.

Deze bezwaargrond treft, gelet op het voorgaande, geen doel.

Het motiverings-en zorgvuldigheidsbeginsel

Belanghebbende stelt dat het bestreden besluit onvoldoende zorgvuldig en deugdelijk is gemotiveerd.

De Commissie kan UHT volgen in het ingenomen standpunt ten aanzien van de motivering van het besluit en de zorgvuldigheid van het daaraan ten grondslag liggende onderzoek. De Commissie is van oordeel dat UHT het bestreden besluit uitvoerig en goed onderbouwd heeft gemotiveerd. In de beschouwing van 24 september 2025 heeft UHT, met verwijzing naar diverse producties van de onderliggende stukken, op een inzichtelijke wijze toegelicht waarom belanghebbende over de betrokken jaren geen recht heeft op compensatie. Gelet hierop treft deze bezwaargrond geen doel.

De Commissie ziet zich verder gesteld voor de vraag of UHT terecht en op goede gronden is gekomen tot haar beslissing om het verzoek van belanghebbende om compensatie of tegemoetkoming af te wijzen.

Het niet tijdig definitief beslissen volgens artikel 19 van de Awir

Belanghebbende stelt dat de Belastingdienst/Toeslagen (hierna: B/T) in strijd met het destijds geldende artikel 19 van de Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen (Awir) niet (tijdig) definitief heeft beslist over het recht op KOT in het betreffende toeslagjaar.

Voor zover belanghebbende hiermee betoogt dat sprake is van vooringenomen handelen door B/T overweegt de Commissie als volgt. De Commissie meent dat het niet vaststellen van definitieve beschikkingen binnen de termijn van artikel 19 van de Awir op zichzelf, zonder andere bijkomende factoren, geen aanleiding is om vooringenomen handelen aan te nemen.

De Commissie zal nu verder ingaan op de toeslagjaren 2014 tot en met 2019.

Toeslagjaren 2014 en 2018

De Commissie overweegt dat voor toekenning van compensatie op grond van institutionele vooringenomenheid of toepassing van de hardheidsregeling in beginsel vereist is dat sprake is geweest van een neerwaartse aanpassing van de KOT. Als in het betreffende toeslagjaar geen neerwaartse bijstelling heeft plaatsgevonden, bestaat in beginsel geen grond voor compensatie.

Slechts in uitzonderlijke, schrijnende gevallen kan aanleiding bestaan om van dit uitgangspunt af te wijken. Daarbij geldt een strenge maatstaf. Van een schrijnend geval is slechts sprake indien actuele en bijzondere omstandigheden aannemelijk zijn die hebben geleid tot ernstige en structurele financiële nood, zware medische problematiek of andere ontwrichtende persoonlijke situaties. Het is aan betrokkene om dergelijke omstandigheden concreet en met objectieve bewijsstukken te onderbouwen. Alleen in dat geval kan aanleiding bestaan om af te wijken van de wettelijke regeling.

De Commissie is van oordeel dat in de situatie van belanghebbende niet is gebleken van zodanige uitzonderlijke en voldoende onderbouwde omstandigheden dat afwijking van het uitgangspunt gerechtvaardigd zou zijn.

Reguliere aanpassingen voor de toeslagjaren 2015 tot en met 2017 en 2019

De Commissie heeft geen aanknopingspunten kunnen vinden om te adviseren dat B/T bij de toekenning, aanpassing of terugvordering van de KOT voor de toeslagjaren 2015 tot en met 2017 en 2019 institutioneel vooringenomen heeft gehandeld of dat het stelsel te hard heeft uitgewerkt. De terugvorderingen van KOT over deze jaren waren gebaseerd op de vaststelling dat er een te hoog voorschot was toegekend. Dat voorschot is door reguliere wijzigingen opnieuw berekend. Het gaat daarbij om het volgende:

  • wijzigingen in het aantal opvanguren,
  • wijzigingen in het aantal gewerkte uren,
  • toepassing van de arbeidsurenkoppeling,
  • en een hoger toetsingsinkomen.

Deze bijstellingen zijn in overeenstemming met de wet uitgevoerd. Dergelijke bijstellingen geven in beginsel ook geen aanspraak op een zogenoemde hardheidstegemoetkoming. De Commissie heeft geen aanknopingspunten gevonden om hierover in het geval van belanghebbende anders te oordelen.

De Commissie merkt met betrekking tot de wijzigingen van 6 januari 2015 en 18 februari 2015 nog het volgende op. Deze wijzigingen zijn namens de burger doorgevoerd.

Allereerst betreft het een wijziging met ingang van 1 januari 2015, inhoudende dat gebruik wordt gemaakt van kinderopvanginstelling [naam KOI 1], waarbij 90 uur per maand wordt afgenomen tegen een uurtarief van € 7,05. Deze wijziging is gemeld op 6 januari 2015. Daarnaast is op 18 februari 2015 namens de burger gemeld dat met ingang van 2 maart 2015 gebruik wordt gemaakt van kinderopvanginstelling [naam KOI 2], waarbij belanghebbende 96 uur per maand afneemt tegen een uurtarief van € 6,90. Deze meldingen zijn respectievelijk telefonisch en elektronisch verwerkt. Met de vermelding “Brontype 07 – namens burger” worden wijzigingen administratief geregistreerd. Daarmee is niet vastgelegd wie de wijziging feitelijk heeft ingevoerd.

Deze wijzigingen hebben geleid tot de voorschotbeschikkingen van 21 februari 2015 en 21 maart 2015. Indien belanghebbende zich niet met deze voorlopige vaststelling van de KOT kon verenigen, had het in de rede gelegen dat zij daartegen bezwaar maakte. Door dit na te laten, heeft belanghebbende de beschikkingen die het resultaat waren van de ontvangen meldingen van wijzigingen in de afname van kinderopvang, en daarmee ook indirect de meldingen zelf, onweersproken gelaten. De Commissie ziet geen aanknopingspunten voor de conclusie dat sprake is van vooringenomen handelen door B/T.

De Commissie stelt voorts vast dat ook in toeslagjaar 2016 een vergelijkbare wijziging met ingang van 1 juli 2016 door B/T is doorgevoerd met de vermelding “Brontype 07 – namens burger”, waarbij belanghebbende 238 uur per maand afneemt tegen een uurtarief van € 6,89. Tegen de daaropvolgende voorschotbeschikking van 10 maart 2017 heeft belanghebbende evenmin bezwaar gemaakt. Uiteindelijk is de KOT over 2016 definitief vastgesteld op basis van een door een ambtenaar van B/T doorgevoerde aanpassing na ontvangst van de jaaropgave, waarbij het aantal opvanguren is vastgesteld op 207 uur per maand.

Met betrekking tot toeslagjaar 2017 merkt de Commissie op dat op 20 maart 2017 en 13 november 2017 op de tijdlijn van het Informatie- en beoordelingsformulier vergelijkbare meldingen zijn aangetroffen. Daaruit blijkt dat namens de burger wijzigingen zijn doorgevoerd, die hebben geleid tot voorschotbeschikkingen waarmee belanghebbende zich kennelijk kon verenigen.

De Commissie gaat tot slot in op de beoordeling van de O/GS-kwalificatie.

O/GS-kwalificatie

De Commissie acht het ontoereikend dat UHT op pagina 389 van het ouderdossier enkel heeft opgenomen dat er geen sprake is geweest van een onterechte O/GS-kwalificatie. De onderliggende stukken die deze zienswijze onderbouwen, ontbreken. De informatie op grond waarvan B/T heeft vastgesteld of belanghebbende in aanmerking komt voor compensatie, maakt onderdeel uit van de op de zaak betrekking hebbende stukken. B/T moet toelichten welke gegevensbronnen zijn geraadpleegd. B/T heeft onvoldoende toegelicht in welke systemen is gezocht en welke resultaten daarin zijn aangetroffen. Nu deze informatie in het dossier ontbreekt, kan niet worden vastgesteld dat B/T de benodigde kennis over de relevante feiten heeft vergaard en berust het bestreden besluit niet op een deugdelijke motivering. De Commissie verwijst hierbij mede naar de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 6 februari 2026, ECLI:NL:RBROT:2026:1545 en de op 10 maart 2026 aangenomen motie van het lid Ergin (Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 708, nr. 68). In zoverre slaagt de bezwaargrond.

Aan UHT wordt geadviseerd voorafgaand aan het besluit op bezwaar, met inachtneming van bovenstaande, belanghebbende inzage te geven in alle stukken die ten grondslag liggen aan de O/GS-kwalificatie en om belanghebbende de gelegenheid te geven hierop te reageren, eveneens voorafgaand aan het besluit op bezwaar.

Proceskostenvergoeding

Nu de Commissie niet adviseert het bestreden besluit te herroepen, is er geen aanleiding een vergoeding van de proceskosten toe te kennen.

Conclusie

Samengevat adviseert de Commissie om het bezwaar ongegrond te verklaren en het verzoek om een proceskostenvergoeding af te wijzen.

[handtekening]

Secretaris

[handtekening]

Fungerend voorzitter