BAC 2025-16667
Publicatiedatum 22-07-2026
Advies van de Bezwaarschriftenadviescommissie hersteloperatie toeslagen
Aan: Belastingdienst/Uitvoeringsorganisatie Herstel Toeslagen (hierna: UHT)
Betreft: het bezwaarschrift van belanghebbende
Primair besluit: 21 september 2023 (UHT-DCHA)
Hoorzitting: 22 januari 2026
Overdracht advies aan UHT: 2 februari 2026
Samenvatting
De Bezwaarschriftenadviescommissie (hierna: de Commissie) adviseert UHT om het bezwaarschrift ongegrond te verklaren en het bestreden besluit in stand te laten.
Onderwerp van advies
Het door belanghebbende ingediende bezwaarschrift is gericht tegen de door UHT genomen definitieve beschikking compensatie kinderopvangtoeslag.
Aan belanghebbende is met toepassing van de Wet hersteloperatie toeslagen (hierna: Wht) geen compensatie toegekend voor de jaren 2009 tot en met 2012.
Procesverloop
- Belanghebbende heeft op 14 april 2021 verzocht om een herbeoordeling van de kinderopvangtoeslag (hierna: KOT) over de jaren 2011 tot en met 2014. In de beoordeling van het verzoek is deze periode aangepast naar de jaren 2009 tot en met 2012.
- UHT heeft bij beschikking van 19 april 2022 aan belanghebbende medegedeeld dat zij niet in aanmerking komt voor een betaling van € 30.000,-, als bedoeld in de Catshuisregeling.
- UHT heeft bij de bestreden beschikking van 21 september 2023 aan belanghebbende medegedeeld dat zij geen recht heeft op compensatie voor de jaren 2009 tot en met 2012.
- Belanghebbende heeft bij brief van 2 november 2023 tegen deze beschikking een bezwaarschrift ingediend.
- UHT heeft op 1 september 2025 schriftelijk gereageerd op het bezwaarschrift.
- Op 22 januari 2026 heeft een hoorzitting plaatsgevonden. Van de hoorzitting is een verslag gemaakt, dat achter het advies is gevoegd.
- Dit advies wordt uitgebracht door de voorzitter, eerste commissielid en tweede commissielid.
Ontvankelijkheid
Niet in geschil is dat het bezwaarschrift ontvankelijk is.
Overwegingen ten aanzien van de bezwaren en het bestreden besluit
Toeslagjaar 2012
Belanghebbende voert aan dat haar ten onrechte geen compensatie is toegekend voor het jaar 2012. Zij stelt dat zij op 30 november 2011 de KOT voor haar kinderen heeft stopgezet, maar dat de Belastingdienst/Toeslagen (hierna: B/T) deze stopzetting onjuist heeft verwerkt. Als gevolg hiervan is in 2012 alsnog KOT aan haar uitbetaald. Volgens belanghebbende heeft zij deze bedragen teruggestort en hierover meerdere malen contact opgenomen met B/T om de situatie te corrigeren. Desondanks is in 2016 beslag gelegd ter invordering van de over 2012 te veel ontvangen KOT.
De Commissie overweegt als volgt. Uit een kopie uit het digitale burgerportaal blijkt dat belanghebbende op 25 oktober 2011 de KOT voor één kind met ingang van 1 augustus 2011 heeft stopgezet. Vervolgens heeft belanghebbende op 1 december 2011 telefonisch de KOT voor beide kinderen stopgezet per 1 december 2011. Volgens belanghebbende heeft zij de KOT stopgezet, omdat zij met haar kinderen in 2012 ging verhuizen naar Curaçao. Vaststaat dat deze laatste stopzetting door B/T niet correct is verwerkt, waardoor B/T de KOT in 2012 voor één van de kinderen aan belanghebbende is blijven uitbetalen.
De Commissie stelt voorop dat voor het aannemen van institutionele vooringenomenheid meer is vereist dan een onjuiste of onzorgvuldige verwerking van gegevens door B/T. Daarvoor moet sprake zijn van een bevooroordeelde of structureel onjuiste handelwijze jegens de ouder, zoals het zonder individuele beoordeling onthouden, stopzetten of terugvorderen van KOT. Van dergelijke omstandigheden is in dit geval niet gebleken. De voortgezette uitbetaling van de KOT is het gevolg geweest van een administratieve verwerkingsfout en niet van vooringenomen handelen jegens belanghebbende.
Voor de beoordeling of sprake is van hardheid overweegt de Commissie dat hardheid ziet op situaties waarin de toepassing van het wettelijke stelsel heeft geleid tot onbillijkheden van overwegende aard. B/T heeft de stopzetting van de KOT niet goed verwerkt. De Commissie is van oordeel, dat B/T de ten onrechte betaalde KOT mocht terugvorderen toen de gemaakte fout aan het licht kwam. Dat belanghebbende herhaaldelijk contact zou hebben opgenomen met B/T en B/T zou hebben geattendeerd op de fout is niet van belang, omdat ook dan B/T de KOT mocht terugvorderen waarop belanghebbende geen recht (meer) had.
Voorts blijkt uit het door belanghebbende overgelegde overzicht niet dat zij in 2012 de over dat jaar onterecht ontvangen KOT heeft terugbetaald. Op het overzicht zijn twee terugbetalingen te zien, maar die hadden betrekking op de jaren 2009 (één betaling), 2010 (één betaling) en 2011 (drie betalingen). Ook uit het overzicht van het Landelijk Incasso Centrum (hierna: LIC) blijkt niet dat er in 2012 betalingen zijn verricht door belanghebbende waarmee de ontvangen KOT 2012 is terugbetaald.
Hoewel het nadelige gevolg zijn oorsprong vindt in het administratief niet goed verwerken van de stopzetting door B/T, is dit onvoldoende om te concluderen dat bij de terugvordering van de ten onrechte doorbetaalde KOT sprake is van hardheid in de zin van de Wht.
Ten overvloede overweegt de Commissie het volgende. De Commissie begrijpt dat de foute verwerking van de stopzetting KOT door B/T en de daaropvolgende onterechte uitbetalingen voor belanghebbende tot verwarring en moeilijkheden heeft geleid. Het niet juist verwerken van de stopzetting door B/T heeft geleid tot een situatie waarin belanghebbende werd geconfronteerd met uitbetalingen en later vergaande invorderingsmaatregelen, die erg belastend voor belanghebbende zijn geweest. De Wht biedt naar het oordeel van de Commissie geen mogelijkheden om belanghebbende hierin tegemoet te komen.
Gelet hierop adviseert de Commissie UHT het bezwaar ongegrond te verklaren.
Conclusie
Samengevat adviseert de Commissie om het bezwaar ongegrond te verklaren en het bestreden besluit in stand te laten.
[handtekening]
Secretaris
[handtekening]
Fungerend voorzitter