BAC 2025-16649
Publicatiedatum 22-07-2026
Advies van de Bezwaarschriftenadviescommissie hersteloperatie toeslagen
Aan: Belastingdienst/Uitvoeringsorganisatie Herstel Toeslagen (hierna: UHT)
Betreft: het bezwaarschrift van belanghebbende
Primair besluit: 7 oktober 2024 (UHT-DCHO)
Overdracht advies aan UHT: 11 mei 2026
Samenvatting
De Bezwaarschriftenadviescommissie (hierna: de Commissie) adviseert UHT om het bezwaar gedeeltelijk gegrond te verklaren.
Onderwerp van advies
Het door gemachtigde namens belanghebbende ingediende bezwaarschrift is gericht tegen de door UHT genomen definitieve beschikking compensatie kinderopvangtoeslag van 7 oktober 2024 met kenmerk UHT-DCHO (hierna: de bestreden beschikking).
Aan belanghebbende is met toepassing van de Wet hersteloperatie toeslagen (hierna: Wht) compensatie toegekend voor een bedrag van € 31.759 voor het jaar 2009 en geen compensatie toegekend voor de jaren 2007, 2008 en 2010 tot en met 2018.
Procesverloop
- Belanghebbende heeft op 14 juni 2021 verzocht om een herbeoordeling van de kinderopvangtoeslag (hierna: KOT) over de jaren 2006 tot en met 2016.
In overleg met belanghebbende is dit aangepast naar de jaren 2007 tot en met 2018. - UHT heeft bij besluit van 13 juli 2023 aan belanghebbende medegedeeld dat zij in aanmerking komt voor een betaling van € 30.000 op grond van de Catshuisregeling.
- De Commissie van Wijzen (hierna: CvW) heeft haar beoordeling van het verzoek van belanghebbende op 19 augustus 2024 aan UHT toegestuurd. De CvW heeft geadviseerd dat gedurende de jaren 2007, 2008 en 2010 tot en met 2018 geen sprake is geweest van institutionele vooringenomenheid of bijzondere omstandigheden.
- UHT heeft bij de bestreden beschikking aan belanghebbende een compensatie toegekend voor een bedrag van € 31.759 voor het jaar 2009 en geen compensatie toegekend voor de jaren 2007, 2008 en 2010 tot en met 2018.
- Gemachtigde heeft bij brief van 4 november 2024, ingekomen op 4 november 2024, tegen dit besluit een bezwaarschrift ingediend.
- UHT heeft op 14 juli 2025 schriftelijk gereageerd op het bezwaarschrift.
- In de e-mail van 18 december 2025 van de Commissie heeft de Commissie gemachtigde onder meer voorgehouden dat zij vanaf oktober 2025 in alle door haar aangespannen bezwaarschriftenprocedures betreffende integrale beoordelingen – om redenen van meer zaaks overstijgende aard – heeft afgezien van het recht om te worden gehoord. De Commissie heeft om misverstanden uit te sluiten gemachtigde verzocht om aan te geven of ook in deze procedure wordt afgezien van het recht te worden gehoord. Bij dit verzoek is gemachtigde ook in de gelegenheid gesteld nadere bezwaargronden en/of stukken in te dienen tot - naar uit de datum van verzending van de e-mail en de gegeven termijn volgt - 19 maart 2026. Kort samengevat heeft de Commissie in deze
e-mail voorts meegedeeld dat indien geen hoorzitting wordt gewenst en binnen de gegeven termijn geen gebruik is gemaakt van de hiervoor genoemde mogelijkheid nadere stukken in te dienen de Commissie tot advisering zal overgaan. - Bij e-mail van 25 februari 2026 heeft gemachtigde bevestigd dat belang-hebbende ook in deze zaak geen behoefte heeft aan een hoorzitting. Zij verzoekt de Commissie om een nadere schriftelijke ronde in te lassen.
- De Commissie ziet daarom, op grond van artikel 7:3, aanhef en onder c, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb), af van het horen van belanghebbende.
- Bij e-mail van 1 april 2026 heeft de Commissie gemachtigde nogmaals in de gelegenheid gesteld nadere bezwaargronden en/of stukken in te dienen tot - naar uit de datum van verzending van de e-mail en de gegeven termijn volgt – 10 april 2026. Gemachtigde heeft op 13 april 2026 een nadere schriftelijke reactie ingediend.
- Dit advies wordt uitgebracht door de voorzitter en twee commissieleden.
Ontvankelijkheid
Niet in geschil is dat het bezwaarschrift ontvankelijk is.
Overwegingen ten aanzien van de bezwaren en het bestreden besluit
De Commissie zal eerst ingaan op de volgende (algemene) punten en bezwaargronden van belanghebbende:
- Planning;
- Verzoek om persoonlijk dossier;
- Kwalificatie Opzet/Grove Schuld (hierna: O/GS);
- FSV-lijst;
- Verrekeningen;
- Discriminatie;
- Niet tijdig definitief beslissen conform artikel 19 Awir;
- Toetsing vooraf conform artikel 16 Awir;
- Omissies/niet toegekende KOT;
- Informatie uit de KOI-viewer;
- Registratie kinderopvanginstelling (hierna: KOI); • Vooringenomenheid bij het niet beslissen op bezwaar;
- Verzoek ingaan op zienswijze.
De Commissie ziet zich voorts gesteld voor de vraag of UHT terecht en op goede gronden is gekomen tot haar beslissing om het verzoek van belanghebbende om compensatie of tegemoetkoming voor de jaren 2007, 2008 en 2010 tot en met 2018 af te wijzen. Daarnaast ziet zij zich gesteld voor de vraag of UHT de toegekende compensatie voor het jaar 2009 op de juiste wijze heeft berekend. Daartoe zal de Commissie ingaan op de volgende (specifieke) bezwaargronden van belanghebbende:
- Beoordeelde jaren;
- Beoordeling per jaar;
- Forfaitaire vergoedingen voor materiële en immateriële schade.
Planning
De Commissie heeft kennisgenomen van de passages uit de aanvullende beschouwing van de gemachtigde van belanghebbende over de planning van de (zeer vele) bezwaarprocedures bij de BAC waarin zij als gemachtigde optreedt.
De BAC merkt op dat er overleg met de gemachtigde heeft plaatsgevonden.
Op 15 februari 2026 heeft de gemachtigde laten weten dat het bij een welwillende houding van de BAC ten aanzien van eventuele uitstelverzoeken goed zou moeten komen. Op 19 februari 2026 heeft de BAC gesteld dat binnen redelijke grenzen incidentele uitstelverzoeken inderdaad niet zonder welwillendheid worden bezien. Overigens heeft de Commissie in de onderhavige procedure het verzoek tot uitstel van gemachtigde gehonoreerd. De Commissie verwijst hiervoor naar het procesverloop.
Verzoek om persoonlijk dossier
Belanghebbende stelt zich op het standpunt dat uit de aan haar ter beschikking gestelde stukken niet blijkt wat zich precies heeft afgespeeld in haar dossier. Daarbij heeft zij UHT verzocht om haar persoonlijke dossier aan haar te verstrekken.
De schriftelijke reactie/beschouwing en de stukken die daaraan ten grondslag liggen, zijn aan belanghebbende toegezonden. De Commissie vindt dat UHT met het toezenden van deze stukken heeft voldaan aan haar verplichting op grond van artikel 7:4 lid 2 Awb om alle op de zaak betrekking hebbende stukken ter inzage te leggen. Dat kan anders zijn als de belanghebbende een duidelijk aanknopingspunt geeft voor een reden waarom het persoonlijk dossier moet worden afgewacht.
Dat is hier niet gebeurd. De enkele mogelijkheid dat - bij onbekendheid van de stukken in dat dossier - nog relevante informatie ontbreekt, is niet voldoende.
De Commissie adviseert UHT daarom om dit onderdeel van het bezwaar ongegrond te verklaren.
O/GS-kwalificatie
De Commissie acht het ontoereikend dat UHT in het ouderdossier enkel heeft opgenomen dat er geen sprake is geweest van een onterechte O/GS-kwalificatie. De onderliggende stukken hoe deze vaststelling tot stand is gekomen ontbreken. De informatie op grond waarvan Belastingdienst/Toeslagen (hierna: B/T) heeft vastgesteld of belanghebbende in aanmerking komt voor compensatie, maakt onderdeel uit van de op de zaak betrekking hebbende stukken. B/T moet daarbij toelichten welke gegevensbronnen zijn geraadpleegd. Als de beoordeling van B/T (mede) rust op de vaststelling dat geen informatie beschikbaar is over de belanghebbende in een geraadpleegde gegevensbron, dan moet B/T die vaststelling onderbouwen door bijvoorbeeld een schermafbeelding van de resultaten en geraadpleegde systemen. Naar het oordeel van de Commissie kan op grond van het dossier niet worden vastgesteld hoe de conclusie is getrokken dat geen sprake is van O/GS. B/T heeft onvoldoende toegelicht in welke systemen is gezocht en welke resultaten daarin zijn aangetroffen. Nu deze stukken in het dossier ontbreken, kan niet worden vastgesteld dat B/T de benodigde kennis over de relevante feiten heeft vergaard en berust het bestreden besluit niet op een deugdelijke motivering. De Commissie verwijst hierbij mede naar de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 6 februari 2026, ECLI:NL:RBROT:2026:1545 en de op 10 maart 2026 aangenomen motie van het lid Ergin (Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 708, nr. 68). In zoverre slaagt de bezwaargrond.
Aan UHT wordt geadviseerd voorafgaand aan het besluit op bezwaar, met inachtneming van bovenstaande, inzage te geven in alle stukken die ten grondslag liggen aan de O/GSkwalificatie en om belanghebbende de gelegenheid te geven hierop te reageren, eveneens voorafgaand aan het besluit op bezwaar.
FSV-lijst
Belanghebbende verzoekt UHT nader in te gaan op de conclusie dat zij niet voorkomt op de FSV-lijst (Fraude Signalering Voorziening). De Commissie stelt vast dat uit het bezwaardossier blijkt dat belanghebbende niet voorkomt op de FSV-lijst. Het FSV systeem is een systeem dat niet meer wordt gebruikt en daarom uitsluitend kan worden geraadpleegd door medewerkers met een speciale bevoegdheid. UHT heeft niet voldoende bevoegdheden om de door belanghebbende gewenste gedetailleerde informatie te verstrekken.
De Commissie adviseert UHT wel om aan belanghebbende alsnog een schermafdruk van de haar ter beschikking staande informatie te verstrekken tezamen met de beslissing op bezwaar.
Verrekeningen
Belanghebbende voert aan dat zij in aanmerking komt voor een compensatie van de schade die zij heeft geleden als gevolg van de verrekeningen van de terugvorderingen met de nadien toegekende toeslagen (waaronder de toegekende KOT).
De Commissie overweegt dat deze verrekeningen onderdeel zijn van de uitvoering die aan de KOT is gegeven. De nu voorliggende procedure heeft alleen betrekking op de toekenning van de standaard vergoedingen en niet op de vergoeding van de werkelijke schade. Als belanghebbende van mening is dat haar aanvullende compensatie voor de werkelijke schade als gevolg van de verrekeningen toekomt, kan zij een verzoek daartoe indienen op schadeherstel.toeslagen.nl. Gelet hierop adviseert de Commissie dit onderdeel van het bezwaar ongegrond te verklaren.
Discriminatie
Belanghebbende verzoekt UHT nader in te gaan op de vraag of er sprake is geweest van discriminatie. De Commissie overweegt dat zij in het kader van de hersteloperatie toeslagen niet de bevoegdheid heeft om te beoordelen of in het geval van een belanghebbende sprake is geweest van discriminatie.
De compensatiebeschikking gaat uit van forfaitaire bedragen en houdt geen rekening met individuele omstandigheden. Bij de verschillende routes vermeld op schadeherstel.toeslagen.nl worden deze individuele omstandigheden wel meegewogen en kan er een vergoeding worden toegekend voor het ervaren van discriminatie. Hier kan belanghebbende ook haar betoog inbrengen dat zij is gediscrimineerd. Individuele omstandigheden worden, anders dan in deze procedure, bij de verschillende routes vermeld op schadeherstel.toeslagen.nl wel meegewogen.
Niet tijdig definitief beslissen conform artikel 19 Awir
Belanghebbende stelt dat de B/T op grond van artikel 19 van de Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen (Awir) destijds binnen een termijn van negen maanden definitief had moeten beslissen over de aan belanghebbende toekomende KOT, maar dat B/T dit niet heeft gedaan. De Commissie is van oordeel dat dit bezwaar – wat daar verder ook van zij - buiten het bereik van deze (bezwaar)procedure valt en laat het daarom verder onbesproken.
Toetsing vooraf conform artikel 16 Awir
Belanghebbende betoogt, onder verwijzing naar de Memorie van Toelichting ten aanzien van artikel 16 Awir, dat B/T een onderzoeksplicht vooraf had, op basis van tastbare gegevens, of aanspraak bestond op KOT voordat een voorschot KOT werd toegekend. Het niet voldoen aan deze onderzoeksplicht komt voor rekening van B/T; terugvordering mag dan niet meer. Voor zover belanghebbende hiermee betoogt dat sprake is van vooringenomen handelen door B/T overweegt de Commissie als volgt. Het niet voldoen aan de onderzoeksplicht conform artikel 16 Awir, zoals door belanghebbende betoogd, is geen aanleiding om vooringenomen handelen aan te nemen.
Omissies/niet toegekende KOT
Volgens belanghebbende dient UHT de juistheid van de hoogte van de KOT zoals indertijd definitief vastgesteld te beoordelen. De Commissie overweegt dat de Wht is bedoeld voor herstel van vooringenomen handelen, van hardheid en/of van een onterechte kwalificatie O/GS. De Wht ziet niet op de herziening van in het verleden genomen definitieve KOT beschikkingen. Een beoordeling daarvan valt buiten de reikwijdte van de Wht. De Commissie adviseert UHT daarom om dit onderdeel van het bezwaar ongegrond te verklaren.
Informatie uit de KOI-viewer
Belanghebbende stelt dat B/T voor het vaststellen van de KOT niet blindelings op de KOI-viewer mag vertrouwen, omdat kinderopvanginstellingen niet verplicht zijn om de gegevens in de viewer in te vullen.
De Commissie gaat uit van de stelregel dat B/T en UHT mogen uitgaan van de informatie vanuit de KOI-viewer, tenzij er contra-indicaties zijn die het tegendeel aannemelijk maken. Belanghebbende heeft geen informatie naar voren gebracht waaruit blijkt dat de informatie uit de KOI-viewer niet juist is. Deze bezwaargrond treft geen doel.
Registratie KOI
Belanghebbende heeft aangevoerd dat gebreken in de registratie van een KOI belanghebbende niet behoren te worden tegengeworpen.
Met UHT stelt de Commissie vast dat in het geval van belanghebbende niet is gebleken van gebreken in de registratie van de KOI waarvan belanghebbende gebruik heeft gemaakt. De Commissie adviseert UHT derhalve dit onderdeel van het bezwaar ongegrond te verklaren.
Vooringenomenheid bij het niet beslissen op bezwaar
Belanghebbende voert aan dat het niet beslissen op bezwaren die in de herbeoordeelde jaren door belanghebbende zijn gemaakt, vooringenomen handelen oplevert. De Commissie stelt vast dat een dergelijke situatie zich in het geval van belanghebbende niet heeft voorgedaan en adviseert daarom dit onderdeel van het bezwaar ongegrond te verklaren.
Verzoek ingaan op zienswijze
Belanghebbende verzoekt de Commissie om eveneens de gronden die naar voren zijn gebracht in de zienswijze te beoordelen. De Commissie merkt op dat dit niet mogelijk is, aangezien belanghebbende geen zienswijze heeft ingediend alvorens de bestreden beslissing is genomen.
Beoordeelde jaren
Belanghebbende stelt zich op het standpunt dat het niet duidelijk is wat er precies is beoordeeld. UHT heeft in haar beschouwing van 14 juli 2025 per toeslagjaar toegelicht waarom zij van mening is dat belanghebbende geen recht heeft op een herstelregeling voor de jaren 2007, 2008 en 2010 tot en met 2018.
De Commissie heeft geen aanknopingspunten kunnen vinden om te adviseren dat B/T bij de toekenning, aanpassing of terugvordering van de KOT voor de toeslagjaren 2007, 2008 en 2010 tot en met 2018 institutioneel vooringenomen heeft gehandeld of dat het stelsel te hard heeft uitgewerkt. Uit de onderliggende stukken is gebleken dat voor de toeslagjaren 2007, 2008, 2014 en 2015 geen verlaging van de KOT heeft plaatsgevonden. De terugvorderingen KOT over de toeslagjaren 2010 tot en met 2013 en 2016 tot en met 2018 waren gebaseerd op de vaststelling dat er een te hoog voorschot was toegekend. Dat voorschot is ten gevolge van reguliere wijzigingen opnieuw berekend. Deze bijstellingen zijn in overeenstemming met de wet uitgevoerd. Dergelijke bijstellingen geven in beginsel ook geen aanspraak op een zogenoemde hardheidstegemoetkoming.
De Commissie heeft geen aanknopingspunten gevonden om hierover in het geval van belanghebbende anders te oordelen. Er was ook geen onterechte kwalificatie O/GS, zodat er ook geen aanspraak is op een daarop gebaseerde vergoeding.
De Commissie adviseert UHT daarom om dit onderdeel van het bezwaar ongegrond te verklaren.
Beoordeling per jaar
Belanghebbende vindt het opmerkelijk dat voor het toeslagjaar 2009 voorin-genomenheid wordt aangenomen en voor de andere toeslagjaren niet. Zij is van mening dat de toeslagjaren die in de beoordeling zijn meegenomen niet op zichzelf staan. Daardoor zijn volgens haar de toeslagjaren voor of na 2009, waarvoor zij is gecompenseerd, ook jaren die gecompenseerd moeten worden. Ook is zij van mening dat als de terugvordering van andere toeslagjaren heeft geleid tot verrekening of beëindiging, er niet gesteld kan worden dat sommige jaren niet voor een compensatie in aanmerking komen omdat er geen fouten zijn gemaakt.
De Commissie wijst in dit verband op de wetsgeschiedenis van de Wht. In de Memorie van Toelichting wordt dit punt expliciet besproken: “Bij integrale beoordeling wordt vastgesteld wat er is misgegaan met de kinderopvangtoeslag bij een gedupeerde ouder en wordt per berekeningsjaar het herstelbedrag vastgesteld dat op grond van een herstelmaatregel als bedoeld in artikel 2.7 van dit wetsvoorstel wordt toegekend.” (Tweede Kamer, vergaderjaar 2021–2022, 36 151, nr. 3, p. 19).
De Commissie leidt hieruit af dat het kennelijk niet de bedoeling van de wetgever is geweest om een vaststelling van gedupeerd zijn van een toeslagouder automatisch door te trekken naar andere jaren. Volgens de Commissie zal daarom per jaar opnieuw moeten worden vastgesteld of sprake is geweest van vooringenomen handelen dan wel hardheid en of de werkwijze van UHT begrijpelijk en daarmee in overeenstemming is. De enkele – niet nader met feiten of omstandigheden onderbouwde – stelling dat van vooringenomenheid sprake moet zijn geweest in andere toeslagjaren als eenmaal sprake is geweest van vooringenomen handelen door B/T of bijzondere omstandigheden acht de Commissie daarom in zijn algemeenheid onjuist. De Commissie adviseert UHT daarom om dit onderdeel van het bezwaar ongegrond te verklaren.
Forfaitaire vergoedingen voor materiële en immateriële schade
Belanghebbende stelt zich op het standpunt dat de aan haar toegekende compensatie voor het toeslagjaar 2009 niet de werkelijke schade dekt die zij heeft geleden. Ook is zij het niet eens met de wijze waarop de vergoedingen voor materiële en immateriële schade zijn berekend.
Met betrekking tot de hoogte van de toegekende bedragen voor materiële en immateriële schade merkt de Commissie het volgende op. Op grond van artikel 2.3 lid 3 van de Wht is de vergoeding voor materiële schade gelijk aan 25 procent van het bedrag dat als gevolg van de beschikking niet is toegekend of teruggevorderd. Op grond van artikel 2.3 lid 4 van de Wht is de vergoeding voor immateriële schade een forfaitaire vergoeding van € 500 voor ieder half jaar dat is verstreken tussen de dagtekening van een eerste beschikking als bedoeld in artikel 2.2, onderdeel a, en de dagtekening van de eerste beschikking tot toekenning van compensatie, waarbij een deel van een half jaar naar boven wordt afgerond op een half jaar. Het is op basis van de Wht niet mogelijk om af te wijken van deze systematiek en een hogere schadevergoeding toe te kennen. De onderhavige bezwaarschriftprocedure heeft alleen betrekking op de toekenning van genoemde forfaitaire (standaard) vergoedingen en niet op de vergoeding van eventuele hogere werkelijke schade. Voor het vragen van aanvullende vergoeding van werkelijke schade kan gebruik gemaakt worden van de mogelijkheden, vermeld op schadeherstel.toeslagen.nl.
Compensatieberekening
Belanghebbende is gecompenseerd voor vooringenomenheid met betrekking tot het toeslagjaar 2009. UHT heeft in het kader van deze bezwaarprocedure de compensatieberekening ambtshalve getoetst op juistheid. Daarbij is zij tot de conclusie gekomen dat er van een verkeerde einddatum is uitgegaan bij de berekening van de vergoeding voor immateriële schade (component n).
De einddatum is onterecht vastgesteld op 4 oktober 2024. Dit had 7 oktober 2024 moeten zijn. UHT acht daarom de bezwaren van belanghebbende op dit punt gegrond en past de einddatum van de immateriële schadevergoeding aan naar de datum van de beslissing op bezwaar. Voorts stelt UHT dat ook de rente-vergoedingen over de gemiste KOT (component o) verkeerd is berekend.
Dit bedrag had € 11.875 in plaats van € 11.867 moeten zijn.
De Commissie adviseert UHT om dit onderdeel van het bezwaar gegrond te verklaren en de compensatieberekening overeenkomstig haar beschouwing aan te passen in de beslissing op bezwaar.
Overige bezwaren
De Commissie is wat betreft de overige onderdelen van het bezwaar van oordeel dat deze, op zichzelf bezien noch in onderling verband gelezen, tot het door belanghebbende gewenste resultaat kunnen leiden.
Proceskostenvergoeding
Nu het bezwaar tegen de beschikking met kenmerk UHT-DCHO naar het oordeel van de Commissie deels gegrond is, adviseert de Commissie om het verzoek om een vergoeding van de kosten van rechtsbijstand toe te wijzen.
Conclusie
Samengevat adviseert de Commissie om het bezwaar gedeeltelijk gegrond te verklaren en om een vergoeding van de proceskosten voor deze bezwaarprocedure toe te kennen van één procespunt met wegingsfactor twee voor het hoogste tarief.
[handtekening]
Secretaris
[handtekening]
Fungerend voorzitter