Ga direct naar de inhoud Ga direct naar de filters Ga direct naar de footer

BAC 2025-16627

Advies van de Bezwaarschriftenadviescommissie hersteloperatie toeslagen

Aan: Belastingdienst/Uitvoeringsorganisatie Herstel Toeslagen (hierna: UHT)

Betreft: het bezwaarschrift van belanghebbende

Primair besluit: 18 september 2023 (UHT-DCHA)

Hoorzitting: 15 april 2026

Overdracht advies aan UHT: 26 mei 2026

Samenvatting

De Bezwaarschriftenadviescommissie (hierna: de Commissie) adviseert UHT om het bezwaar ongegrond te verklaren.

Onderwerp van advies

Het door gemachtigde namens belanghebbende ingediende bezwaarschrift is gericht tegen de door UHT genomen definitieve beschikking compensatie kinderopvangtoeslag.

Aan belanghebbende is met toepassing van de Wet hersteloperatie toeslagen (hierna: Wht) geen compensatie toegekend voor de jaren 2012 tot en met 2014.

Procesverloop

  • Belanghebbende heeft op 26 januari 2021 verzocht om een herbeoordeling van de kinderopvangtoeslag (hierna: KOT). In overleg met belanghebbende heeft UHT de jaren 2012 tot en met 2014 herbeoordeeld.
  • De Commissie van Wijzen (hierna: CvW) heeft haar beoordeling van het verzoek van belanghebbende op 18 augustus 2023 aan UHT toegestuurd. De CvW heeft geadviseerd dat gedurende de jaren 2012 tot en met 2014 geen sprake is geweest van institutionele vooringenomenheid of bijzondere omstandigheden.
  • UHT heeft bij besluit van 18 september 2023 met kenmerk UHT-DCHA (hierna: bestreden besluit) aan belanghebbende meegedeeld dat zij geen recht heeft op compensatie voor de jaren 2012 tot en met 2014.
  • Gemachtigde heeft bij brief van 23 juli 2024 tegen dit besluit een bezwaarschrift ingediend.
  • UHT heeft op 12 mei 2025 schriftelijk gereageerd op het bezwaarschrift.
  • Gemachtigde heeft bij brief van 4 april 2026, het bezwaarschrift aangevuld.
  • UHT heeft op 7 april 2026 schriftelijk hierop gereageerd.
  • Gemachtigde heeft op 10 april 2026 het bezwaarschrift aangevuld.
  • Op 15 april 2026 heeft een hoorzitting plaatsgevonden. Van de hoorzitting is een verslag gemaakt, dat achter het advies is gevoegd.
  • UHT heeft, daartoe door de Commissie ter zitting verzocht, op 22 april 2026 een nadere schriftelijke reactie ingediend. Gemachtigde heeft daar op 23 april 2026 op gereageerd.
  • Dit advies wordt uitgebracht door de voorzitter en twee commissieleden.

Ontvankelijkheid

Niet in geschil is dat het bezwaarschrift ontvankelijk is.

Overwegingen ten aanzien van de bezwaren en het bestreden besluit

De Commissie ziet zich gesteld voor de vraag of UHT terecht en op goede gronden is gekomen tot haar beslissing om het verzoek van belanghebbende om compensatie of tegemoetkoming af te wijzen.

Herbeoordeling toeslagjaren 2010 en 2011
UHT heeft de herbeoordeling van de KOT ambtshalve uitgebreid met de toeslagjaren 2010 en 2011, en de uitkomsten daarvan kenbaar gemaakt in de beschouwing van 12 mei 2025.

De Commissie is van oordeel dat in deze beschouwing beslissingen ten aanzien van voormelde toeslagjaren liggen besloten die het karakter hebben van beschikkingen in de zin van artikel 1:3 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb).

Gelet op artikel 6:19 van de Awb, waarin is bepaald dat een bezwaar van rechtswege mede betrekking heeft op een beschikking die de bestreden beschikking wijzigt, intrekt of vervangt, wordt het bezwaar geacht zich ook uit te strekken tot de desbetreffende beschikkingen die besloten liggen in voormelde schriftelijke beschouwing.

De Commissie stelt verder vast dat de jaren 2010 en 2011 niet in geschil zijn.

Toeslagjaren 2012 tot en met 2014
De Commissie heeft geen aanknopingspunten kunnen vinden om te adviseren dat de Belastingdienst/Toeslagen (hierna: B/T) bij de toekenning, aanpassing of terugvordering van de KOT voor de toeslagjaren 2012 tot en met 2014 institutioneel vooringenomen heeft gehandeld of dat het stelsel te hard heeft uitgewerkt. De verlagingen van de KOT over deze toeslagjaren was gebaseerd op de vaststelling dat een te hoog voorschot was toegekend. Dat voorschot is door reguliere wijzigingen opnieuw berekend. Deze bijstellingen zijn in overeenstemming met de wet uitgevoerd.

Voor 2012 geldt specifiek dat de in het LIC overzicht vermelde te betalen bedragen op 21 juni 2012 van €4.172,- en €3.006,-, in totaal €7.178,-, een gevolg zijn van de verlaging van de KOT van €11.412,- naar €4.234,- bij besluit van 21 juni 2012.
Het verschil hiertussen is het te betalen bedrag van €7.178,-. Deze verlaging is het gevolg van de stopzetting van de KOT door belanghebbende per 15 mei 2012 voor beide kinderen. Dit betreft dus een reguliere wijziging.

Daarna heeft belanghebbende per 1 september 2012 weer KOT aangevraagd.
Aan haar is bij besluit van 29 december 2012 een bedrag aan KOT toegekend van €7.916,- wat heeft geleid tot het te ontvangen bedrag op 29 december 2012 van €3.683,-; dit is het verschil tussen het eerder toegekende bedrag bij besluit van
21 juni 2012 van €4.234,- en het bij besluit van 29 december 2012 toegekende bedrag van €7.916,-. Daarvan is een bedrag van €2.913,- uitbetaald aan belanghebbende; een bedrag van €770,- is afgeboekt.

Volgens gemachtigde is over het jaar 2012 sprake van hardheid van het stelsel, omdat de KOT rechtstreeks aan de kinderopvanginstelling is betaald, terwijl vervolgens bedragen van belanghebbende zijn teruggevorderd, middels verrekening.

De Commissie overweegt hierover als volgt. Gevallen waarin de KOT rechtstreeks is uitbetaald aan de kinderopvanginstelling maar bij de ouder wordt teruggevorderd omdat het recht op KOT lager bleek te zijn, kunnen volgens vaste uitvoerings-praktijk - zoals opgenomen in het Handboek Integrale Beoordeling Vaktechniek van UHT - een bijzondere omstandigheid opleveren die aanleiding geeft tot recht op compensatie wegens hardheid. Voor het aannemen van het bestaan van een bijzondere omstandigheid is, volgens die praktijk, niet voldoende dat bij de ouder een bedrag van ten minste €1.500,- is teruggevorderd. Ook moet duidelijk zijn dat een bedrag van ten minste €1.500,- teveel is uitbetaald aan de kinderopvang-instelling en niet ten goede is gekomen aan belanghebbende. De Commissie heeft in de Wht geen aanknopingspunten gevonden die zouden moeten leiden tot de opvatting dat deze praktijk zich niet met die wet zou verdragen of anderszins in strijd zou komen met een wet in formele zin of een rechtsregel van hogere orde. Evenmin acht de Commissie plaats voor de opvatting dat deze praktijk een toets aan het evenredigheidsbeginsel niet zou kunnen doorstaan. De Commissie volgt UHT in het standpunt dat in dit geval, gegeven deze praktijk, over 2012 geen aanspraak bestaat op compensatie wegens hardheid van het stelsel. UHT heeft de berekening voor het jaar 2012 in de aanvullende beschouwing van 22 april 2026 nader toegelicht en de opvangkosten van Stichting Kinderopvang [naam kinderopvang] vergeleken met de KOT die aan die kinderopvanginstelling is betaald. Voor dit jaar is aannemelijk geworden dat het bedrag dat teveel is uitgekeerd aan de kinderopvanginstelling en niet aan belanghebbende ten goede kwam, lager was dan €1.500,-. Blijkens het LIC-overzicht 2012 (productie 2800007) is een bedrag van €5.706,- overgemaakt aan de kinderopvanginstelling. De daadwerkelijke opvangkosten, afgeleid uit de gegevens van de definitieve beschikking KOT 2012, waren €5.657,22. Het teveel aan de kinderopvanginstelling betaalde bedrag is dus €48,78.

Dit leidt tot de conclusie dat niet is voldaan aan de hiervoor beschreven eisen van UHT voor toekenning van compensatie wegens hardheid van het stelsel.

De Commissie heeft in de stukken en datgene wat op de zitting is besproken ook geen aanleiding kunnen vinden voor de opvatting dat UHT hier ten gunste van belanghebbende van deze praktijk had moeten afwijken. Het door belang-hebbende op dit punt ontwikkelde bezwaar treft dan ook geen doel.

O/GS-stukken
Belanghebbende heeft verzocht om de onderliggende stukken O/GS en hiertoe een verzoek ingediend bij UHT.

De Commissie overweegt als volgt. Gelet op de op 10 maart 2026 aangenomen motie van het lid Ergin (Tweede Kamer, vergaderjaar 2025-2026, 36 708, nr. 68) dient UHT standaard en actief inzage geven in alle stukken die ten grondslag liggen aan de O/GSkwalificatie. Als de beoordeling van UHT (mede) rust op de vaststelling dat geen informatie beschikbaar is over belanghebbende in een geraadpleegde gegevensbron, dan moet UHT die vaststelling onderbouwen met bijvoorbeeld een schermafbeelding van de resultaten en geraadpleegde systemen. De Commissie verwijst in dit verband naar de uitspraak van rechtbank Rotterdam van 6 februari 2026, ECLI:NL:RBROT:2026:1545. Deze onderliggende stukken ontbreken in dit geval.
De Commissie adviseert UHT om, voorafgaand aan het besluit op bezwaar, met inachtneming van bovenstaande, inzage te geven in alle stukken die ten grondslag liggen aan de O/GS-kwalificatie en om belanghebbende de gelegenheid te geven hierop te reageren, eveneens voorafgaand aan het besluit op bezwaar.

Proceskostenvergoeding
Nu de Commissie niet adviseert het primaire besluit te herroepen, is er geen aanleiding een vergoeding van de proceskosten toe te kennen.

Conclusie

Samengevat adviseert de Commissie om het bezwaar ongegrond te verklaren.           

[handtekening]

Secretaris

[handtekening]

Fungerend voorzitter