BAC 2025-16615
Publicatiedatum 08-09-2026
Advies van de Bezwaarschriftenadviescommissie hersteloperatie toeslagen
Aan: Belastingdienst/Uitvoeringsorganisatie Herstel Toeslagen (hierna: UHT)
Betreft: het bezwaarschrift van belanghebbende
Primair besluit: 3 april 2024 (UHT-DCHO)
Overdracht advies aan UHT: 8 juni 2026
Samenvatting
De Bezwaarschriftenadviescommissie (hierna: de Commissie) adviseert UHT om het bezwaar ongegrond te verklaren.
Onderwerp van advies
Het door gemachtigde namens belanghebbende ingediende bezwaarschrift is gericht tegen de door UHT genomen definitieve beschikking compensatie Kinderopvangtoeslag (hierna: KOT).
Aan belanghebbende is met toepassing van de Wet hersteloperatie toeslagen (hierna: Wht) een compensatie toegekend van € 8.436 voor het jaar 2012 en geen compensatie toegekend voor de jaren 2013 en 2014.
Procesverloop
- Belanghebbende heeft op 28 juni 2022 verzocht om een herbeoordeling van de KOT over de jaren 2012 tot en met 2018. Na overleg met gemachtigde is een herbeoordeling uitgevoerd over de toeslagjaren 2012, 2013 en 2014.
- UHT heeft bij besluit van 9 september 2022 met kenmerk UHT-B DMB2 aan belanghebbende medegedeeld dat zij in aanmerking komt voor een betaling van € 30.000 op grond van de Cathuisregeling.
- UHT heeft bij het bestreden besluit met kenmerk UHT-DCHO van 3 april 2024 aan belanghebbende een compensatie toegekend van € 8.436 voor het toeslagjaar 2012 en geen compensatie toegekend voor de toeslagjaren 2013 en 2014.
- Gemachtigde heeft bij brief van 2 mei 2024, ingekomen op 2 mei 2024, tegen dit besluit bezwaar gemaakt.
- UHT heeft op 15 mei 2025 schriftelijk gereageerd op het bezwaarschrift
- De Commissie heeft gemachtigde op 8 januari 2026 verzocht aan te geven of belanghebbende van haar recht om gehoord te worden gebruik wenst te maken. Daarnaast is gemachtigde in de gelegenheid gesteld om uiterlijk 12 februari 2026 aanvullende bezwaargronden in te dienen.
- Op 21 januari 2026 heeft gemachtigde namens belanghebbende te kennen gegeven dat geen behoefte bestaat om het bezwaar tijdens een hoorzitting mondeling toe te lichten en de Commissie verzocht om een schriftelijke ronde voor het aanvullen van het bezwaar.
- De Commissie heeft op 5 maart 2026 gemachtigde nogmaals in de gelegenheid gesteld om uiterlijk 12 maart 2026 aanvullende bezwaargronden in te dienen.
- Gemachtigde heeft op 27 maart 2026 namens belanghebbende een aanvulling op het bezwaarschrift ingediend.
- Op 4 mei 2026 heeft de Commissie een aanvullende beschouwing, gedateerd
30 april 2026, van UHT ontvangen. - Dit advies wordt uitgebracht door de voorzitter en twee commissieleden.
Ontvankelijkheid
Niet is geschil is dat het bezwaarschrift ontvankelijk is.
Overwegingen ten aanzien van de bezwaren en het bestreden besluit
De Commissie ziet zich gesteld voor de vraag of UHT de toegekende compensatie op de juiste wijze heeft berekend.
Gevolgen van de termijnoverschrijding door UHT
Belanghebbende heeft de Commissie verzocht om advies uit te brengen over de aan UHT op te leggen maatregelen vanwege de termijnoverschrijding bij het nemen van een beslissing op het bezwaar. Het gevolg van een termijnover-schrijding is dat belanghebbende mogelijk recht heeft op een dwangsom.
Hiertoe kan belanghebbende UHT in gebreke stellen en zo nodig in beroep gaan bij de bestuursrechter. De Commissie heeft geen bevoegdheid hierover een advies uit te brengen, omdat dit valt buiten het kader van haar bevoegdheden als bedoeld in artikel 3 van de Instellingsregeling Bezwaarschriftenadviescommissie herstel-operatie toeslagen.
Algemene beginselen van behoorlijk bestuur
Voor zover er sprake is van onzorgvuldige voorbereiding of gebreken in de motivering van het bestreden besluit, kan dat in de beslissing op bezwaar door UHT worden hersteld aan de hand van wat daarover in haar beschouwing is opgemerkt. De Commissie ziet niet in dat UHT het persoonlijk verhaal van belanghebbende – onder meer blijkend uit het beoordelingsformulier – onvoldoende in kaart heeft gebracht. Daarbij neemt de Commissie mede in aanmerking dat UHT in haar aanvullende beschouwing de stukken met betrekking tot het CAF-onderzoek heeft toegelicht. UHT heeft voorts onderzocht of belanghebbende als gevolg van het CAF-onderzoek nadeel heeft ondervonden en stelt dat dit niet het geval is. Tegen deze achtergrond ziet de Commissie geen aanleiding voor het oordeel dat sprake is van een onzorgvuldige voorbereiding of gebreken in de motivering van het bestreden besluit.
Op de zaak betrekking hebbende stukken (FSV, persoonlijk dossier)
Belanghebbende stelt dat zonder het volledige persoonlijke dossier niet kan worden beoordeeld of alle relevante stukken er zijn. De Commissie volgt dit standpunt van belanghebbende niet. De schriftelijke beschouwing en de stukken die daaraan ten grondslag liggen, zijn aan belanghebbende toegezonden.
De Commissie is van oordeel dat UHT met het toezenden van deze stukken en het verstrekken van de achtergrondinformatie over de FSV-vermelding heeft voldaan aan haar verplichting op grond van artikel 7:4 lid 2 Awb om alle op de zaak betrekking hebbende stukken ter inzage te leggen. Dat kan anders zijn als de belanghebbende een duidelijk aanknopingspunt geeft voor een reden waarom het persoonlijk dossier moet worden afgewacht. Dat is hier niet gebeurd. De enkele mogelijkheid dat - bij onbekendheid van de stukken in dat dossier - nog relevante informatie ontbreekt, is niet voldoende. De Commissie adviseert UHT daarom om dit onderdeel van het bezwaar ongegrond te verklaren.
Onderliggende stukken O/GS-beoordeling
Belanghebbende verzoekt om toezending van alle O/GS-stukken. Zij acht deze stukken van groot belang om een volledige beoordeling te kunnen maken. Belanghebbende wordt in haar procesbelang geschaad doordat zij niet over de O/GS-stukken beschikt. De Commissie is van oordeel dat belanghebbende recht heeft op de onderliggende stukken die ten grondslag hebben gelegen aan de O/GS-beoordeling. De Commissie wijst in dit verband op de motie van het lid Ergin die op 10 maart 2026 is aangenomen (Tweede Kamer, vergaderjaar 2025-2026, 36 708, nr. 68) en waarin de Kamer heeft uitgesproken dat UHT standaard en actief inzage geeft in alle stukken die ten grondslag liggen aan de beoordeling van opzet of grove schuld (O/GS) bij belanghebbende. Als de beoordeling van UHT (mede) rust op de vaststelling dat geen informatie beschikbaar is over belanghebbende in een geraadpleegde gegevensbron, dan moet UHT die vaststelling onderbouwen met bijvoorbeeld een schermafbeelding van de resultaten en geraadpleegde systemen. Volledigheidshalve verwijst de Commissie ook naar de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 6 februari 2026, ECLI:NL:RBROT:2026:1545. In het dossier is een schermafbeelding van de geraadpleegde systemen en resultaten opgenomen. Daarmee is naar het oordeel van de Commissie door UHT voldoende inzage gegeven in de stukken die aan de beoordeling van de O/GS ten grondslag liggen. De Commissie adviseert UHT daarom om dit onderdeel van het bezwaar ongegrond te verklaren.
Discriminatie
De Commissie heeft geen bevoegdheid hierover een advies uit te brengen, omdat dit valt buiten het kader van haar bevoegdheden als bedoeld in artikel 3 van de Instellingsregeling Bezwaarschriftenadviescommissie hersteloperatie toeslagen.
Toetsing vooraf en artikel 19 Awir
Belanghebbende stelt dat B/T in strijd met het destijds geldende artikel 19 van de Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen (Awir) niet (tijdig) definitief heeft beslist over het recht op KOT in de betreffende toeslagjaren. Verder betoogt belanghebbende, onder verwijzing naar de Memorie van Toelichting ten aanzien van artikel 16 Awir, dat B/T een onderzoeksplicht vooraf had, op basis van tastbare gegevens, of aanspraak bestond op KOT voordat een voorschot KOT werd toegekend. Het niet voldoen aan deze onderzoeksplicht komt voor rekening van B/T; terugvordering mag dan niet meer. Voor zover belanghebbende hiermee betoogt dat sprake is van vooringenomen handelen door B/T overweegt de Commissie als volgt. De Commissie meent dat het niet vaststellen van definitieve beschikkingen binnen de termijn van artikel 19 van de Awir geen grond is om vooringenomen handelen aan te nemen. Voor zover moet worden uitgegaan van een onderzoeksplicht voor B/T, zoals door belanghebbende is betoogd, geldt hiervoor naar de Commissie meent hetzelfde; het niet hieraan voldoen is geen grond om vooringenomen handelen aan te nemen.
Beoordeling van de hoogte van de KOT
Volgens belanghebbende dient UHT de juistheid van de hoogte van de KOT zoals indertijd definitief vastgesteld te beoordelen. De Commissie overweegt dat de Wht is bedoeld voor herstel van vooringenomen handelen, van hardheid en/of van een onterechte kwalificatie O/GS. De Wht ziet niet op de herziening van in het verleden genomen definitieve KOT beschikkingen. Een beoordeling daarvan valt buiten de reikwijdte van de Wht. De Commissie adviseert UHT daarom om dit onderdeel van het bezwaar ongegrond te verklaren.
Werkelijk geleden schade
Belanghebbende heeft aangevoerd dat zij meer schade heeft geleden dan aan haar is vergoed. De Commissie overweegt dat deze bezwaarschriftprocedure alleen betrekking heeft op de toekenning van de standaardvergoedingen (de zogeheten forfaitaire bedragen) en niet op de vergoeding van de werkelijke schade. Voor het vragen van aanvullende vergoeding van werkelijke schade kan gebruik gemaakt worden van de mogelijkheden, vermeld in www.schadeherstel.toeslagen.nl.
Verrekeningen
Belanghebbende voert aan dat zij in aanmerking komt voor een compensatie van de schade die zij heeft geleden als gevolg van de verrekeningen van de terugvorderingen met de nadien toegekende toeslagen (waaronder de toegekende KOT). De voorliggende procedure heeft alleen betrekking op de toekenning van de standaard vergoedingen en niet op de vergoeding van de werkelijke schade.
Als belanghebbende van mening is dat haar aanvullende compensatie voor de werkelijke schade als gevolg van de verrekeningen toekomt, kan zij een verzoek daartoe indienen bij de CWS. Gelet hierop adviseert de Commissie dit onderdeel van het bezwaar ongegrond te verklaren.
Beoordeling per jaar
UHT heeft de jaren 2012, 2013 en 2014 beoordeeld. Ten aanzien van die jaren overweegt de Commissie als volgt.
Toeslagjaar 2012
Naar aanleiding van het bezwaar heeft UHT de bestreden beschikking heroverwogen. Uit de beschouwing van UHT volgt dat deze heroverweging ertoe leidt dat de compensatieberekening voor het toeslagjaar 2012 op onderdelen niet zal worden aangepast. Omdat de heroverweging leidt tot een lager compensatie-bedrag en belanghebbende niet slechter mag worden door het instellen van bezwaar, wordt het toegekende compensatiebedrag in de beslissing op bezwaar niet neerwaarts aangepast. De Commissie overweegt dat de conclusies van UHT, die door belanghebbende niet meer inhoudelijk bestreden worden, navolgbaar zijn en steun vinden in het dossier. De Commissie adviseert UHT dit onderdeel van het bezwaar ongegrond te verklaren.
Toeslagjaar 2013
Commissie heeft geen aanknopingspunten kunnen vinden om te adviseren dat B/T bij de toekenning, aanpassing of terugvordering van de KOT voor dit jaar institutioneel vooringenomen heeft gehandeld of dat het stelsel te hard heeft uitgewerkt. De KOT is in 2013 naar aanleiding van een reguliere wijziging verlaagd van € 5.733 naar € 5.309. B/T heeft deze verlaging gebaseerd op de gegevens in de jaaropgave die belanghebbende op 20 januari 2015 aan de B/T heeft verstrekt.
Dit betreft een reguliere wijziging.
Aangezien de verlaging minder dan € 1.500 bedraagt, is geen sprake van hardheid. Ook heeft de Commissie geen aanknopingspunten gevonden om aan te nemen dat B/T destijds ten onrechte vermoedde dat bij belanghebbende sprake was van opzet of grove schuld (hierna: O/GS) ten aanzien van het ten onrechte ontvangen van KOT. Voor een tegemoetkoming O/GS is dan ook geen aanleiding. Belanghebbende stelt weliswaar dat de termijn waarbinnen het definitieve besluit is afgegeven dermate lang is dat hij op basis daarvan in aanmerking moet komen voor compensatie, maar de omstandigheid dat de KOT voor 2013 negen maanden later definitief is vastgesteld, maakt op zichzelf niet dat de handelwijze van B/T vooringenomen is of dat het stelsel te hard heeft uitgewerkt. De Commissie adviseert UHT dit onderdeel van het bezwaar ongegrond te verklaren.
Toeslagjaar 2014
De Commissie heeft geen aanknopingspunten kunnen vinden om te adviseren dat B/T bij de toekenning, aanpassing of terugvordering van de KOT voor het toeslagjaar 2014 institutioneel vooringenomen heeft gehandeld of dat het stelsel te hard heeft uitgewerkt. Voor dit toeslagjaar geldt dat belanghebbende de KOT zelf heeft stopgezet. Op 12 maart 2026 heeft UHT een XML-bestand overgelegd, waaruit volgt dat belanghebbende op 3 juni 2014 de KOT per 30 juni 2014 zelf heeft stopgezet. Belanghebbende heeft geen feiten of omstandigheden aangevoerd waardoor aan de juistheid van het XML-bestand getwijfeld zou moeten worden. De stopzetting leidde tot een verlaging van de KOT over 2014 en tot een terugvordering. De terugvordering oversteeg weliswaar het bedrag van
€ 1.500, maar er was geen sprake van een kleine formele tekortkoming, het slechts betalen van een deel van de opvangkosten, fraude door een derde of andere bijzondere omstandigheden, zodat belanghebbende geen aanspraak kan maken op een zogenoemde hardheidstegemoetkoming. De Commissie heeft geen aanknopingspunten gevonden om hierover in het geval van belanghebbende anders te oordelen. De Commissie adviseert UHT dit onderdeel van het bezwaar ongegrond te verklaren.
Overige bezwaren
De Commissie is wat betreft de overige onderdelen van het bezwaar van oordeel dat deze, op zichzelf bezien noch in onderling verband gelezen, niet tot het door belanghebbende gewenste resultaat kunnen leiden.
Proceskosten
Nu de Commissie niet adviseert het primaire besluit te herroepen, is er geen aanleiding een vergoeding van de proceskosten toe te kennen.
Conclusie
Samengevat adviseert de Commissie om het bezwaar ongegrond te verklaren.
[handtekening]
Secretaris
[handtekening]
Fungerend voorzitter