BAC 2025-16600
Publicatiedatum 12-05-2026
Advies van de Bezwaarschriftenadviescommissie hersteloperatie toeslagen
Aan: Belastingdienst/Uitvoeringsorganisatie Herstel Toeslagen (hierna: UHT)
Betreft: het bezwaarschrift van belanghebbende
Primair besluit: 27 december 2023 (UHT-DCHOA)
Hoorzitting: n.v.t.
Overdracht advies aan UHT: 13 april 2026
Samenvatting
De Bezwaarschriftenadviescommissie (hierna: de Commissie) adviseert UHT om het bezwaar ongegrond te verklaren.
Onderwerp van advies
Het door gemachtigde namens belanghebbende ingediende bezwaarschrift is gericht tegen de door UHT genomen definitieve beschikking compensatie kinderopvangtoeslag (hierna: KOT).
Aan belanghebbende is met toepassing van de Wet hersteloperatie toeslagen (hierna: Wht) geen compensatie toegekend voor de jaren 2014 tot en met 2017.
Procesverloop
- Belanghebbende heeft op 16 november 2021 verzocht om een herbeoordeling van de KOT over de jaren 2014 tot en met 2016. UHT heeft de jaren 2014 tot en met 2017 herbeoordeeld.
- UHT heeft bij besluit van 10 mei 2022 met kenmerk UHT CHR GU aan belanghebbende medegedeeld dat zij niet in aanmerking komt voor een betaling van €30.000,-.
- De Commissie van Wijzen (hierna: CvW) heeft haar beoordeling van het verzoek van belanghebbende op 16 oktober 2023 aan UHT toegestuurd. De CvW heeft geadviseerd dat gedurende de jaren 2014 tot en met 2017 geen sprake is geweest van institutionele vooringenomenheid of bijzondere omstandigheden.
- UHT heeft bij het bestreden besluit met kenmerk UHT-DCHOA aan belanghebbende geen compensatie toegekend voor de jaren 2014 tot en met 2017.
- Gemachtigde heeft bij brief van 6 februari 2024, ingekomen op dezelfde dag, tegen dit besluit een bezwaarschrift ingediend.
- UHT heeft op 18 maart 2025 schriftelijk gereageerd op het bezwaarschrift.
- Op 10 december 2025 heeft gemachtigde aan de Commissie gemeld dat belanghebbende geen gebruik maakt van de mogelijkheid het bezwaar op een hoorzitting toe te lichten. De Commissie ziet daarom op grond van artikel 7:3 onder c van de Algemene wet bestuursrecht af van het horen van belanghebbende. De op 11 februari 2026 geplande hoorzitting is geannuleerd.
- UHT heeft op 23 februari 2026 een aanvullende beschouwing ingediend.
- De Commissie heeft op 24 februari 2026 aan partijen medegedeeld dat zij zich voldoende geïnformeerd acht om tot een advies te komen.
- Dit advies wordt uitgebracht door de voorzitter en twee commissieleden.
Ontvankelijkheid en algemene opmerkingen
Niet in geschil is dat het bezwaarschrift ontvankelijk is.
Overwegingen ten aanzien van de bezwaren en het bestreden besluit
De Commissie ziet zich gesteld voor de vraag of UHT terecht en op goede gronden is gekomen tot haar beslissing om het verzoek van belanghebbende om compensatie of tegemoetkoming voor de jaren 2014 tot en met 2017 af te wijzen.
Op de zaak betrekking hebbende stukken en persoonlijk dossier
Belanghebbende stelt dat zonder het volledige persoonlijke dossier niet kan worden beoordeeld of alle relevante stukken er zijn. De Commissie volgt dit standpunt van belanghebbende niet. De beschouwing en de stukken die daaraan ten grondslag liggen, zijn aan belanghebbende toegezonden. De Commissie vindt dat UHT met het toezenden van deze stukken heeft voldaan aan haar verplichting op grond van artikel 7:4 lid 2 Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) om alle op de zaak betrekking hebbende stukken ter inzage te leggen. De Commissie adviseert UHT daarom om dit onderdeel van het bezwaar ongegrond te verklaren.
Toeslagjaar 2014
Belanghebbende heeft op 9 september 2014 een aanvraag KOT ingediend, waarbij als ingangsdatum 1 oktober 2014 is opgegeven. Op 21 oktober 2014 heeft de Belastingdienst/Toeslagen (hierna: B/T) een eerste voorschotbeschikking afgegeven.
Belanghebbende stelt dat de KOT over 2014 op enig moment ambtshalve is stopgezet, zonder dat voorafgaand daaraan een nadere uitvraag bij belanghebbende heeft plaatsgevonden.
UHT stelt zich op het standpunt dat de toeslag niet neerwaarts is gecorrigeerd en dat daarom geen sprake is van vooringenomenheid, hardheid of een onterechte O/GS-kwalificatie.
Op basis van het LIC-overzicht 2014 stelt de Commissie vast dat in 2014 geen neerwaartse correctie of terugvordering heeft plaatsgevonden (productie 1000001).
Daarom kan geen sprake zijn van compensatie op grond van vooringenomenheid of hardheid. Gelet op het voorgaande adviseert de Commissie aan UHT om het bezwaar op dit onderdeel ongegrond te verklaren.
Toeslagjaar 2015
In het toeslagjaar 2015 hebben twee neerwaartse correcties plaatsgevonden. Een verlaging van € 4.653 naar € 1.013 op basis van een stopzetting door belanghebbende op 20 april 2015 met ingang van 20 maart 2015. En een verlaging van €1.026,- naar €998,- vanwege een stijging van het inkomen.
Ten aanzien van de eerste verlaging op basis van de stopzetting heeft belanghebbende betoogt dat dit vooringenomen is omdat uit de KOI-viewer (pagina 219) volgt dat de opvang feitelijk heeft voortgeduurd tot en met 30 april 2015.
Deze discrepantie tussen de gehanteerde gegevens en de feitelijke opvangduur vormt volgens belanghebbende een contra-indicatie die aanleiding had kunnen geven tot nader onderzoek of het opvragen van aanvullende informatie bij belanghebbende. Een dergelijke uitvraag is niet verricht.
UHT stelt zich op het standpunt dat B/T de KOT heeft gecorrigeerd op basis van de door belanghebbende doorgegeven stopzetting en dat er geen aanleiding was deze stopzetting in twijfel te trekken dan wel navraag te doen. De Commissie ziet hierin geen aanwijzigingen van vooringenomen handelen. B/T mocht de stopzetting gedaan door belanghebbende verwerken zonder nadere informatie op te vragen, dit getuigt niet van vooringenomen handelen. De tweede verlaging was gebaseerd op een stijging van het inkomen. De Commissie heeft ook hierin geen aanknopingspunten kunnen vinden om te adviseren dat de B/T bij de toekenning, aanpassing of terugvordering van de KOT voor toeslagjaar 2015 institutioneel vooringenomen heeft gehandeld of dat het stelsel te hard heeft uitgewerkt.
Daarnaast heeft belanghebbende ten aanzien van toeslagjaar 2015 aangevoerd dat uit een gespreksnotitie van 29 juli 2015 (pagina 126 van het dossier) blijkt dat de KOT ambtshalve is stopgezet, zonder belanghebbende hierover te informeren. In deze notitie staat “[naam] graag informeren over status stopzetten TP schap met [BSN].”
UHT heeft toegelicht dat dit niet gaat om het stopzetten van de KOT maar het stopzetten van het toeslagpartnerschap, hierop ziet de afkorting TP. Dit volgt ook uit het vervolg van de tekst waarin het lopende bezwaar ten aanzien van het toeslagpartnerschap besproken wordt. Van een ambtshalve stopzetting van de KOT is naar mening van UHT geen sprake.
De Commissie constateert dat de telefoonnotitie niet gaat over het stopzetten van de KOT maar over het toeslagpartnerschap. Uit de overige dossierstukken en beschikkingen blijkt ook niet dat er sprake is geweest van een ambtshalve stopzetting. De Commissie adviseert aan UHT om het bezwaar op dit onderdeel ongegrond te verklaren.
Tot slot is er ten aanzien van het jaar 2015 nog een vraagstuk over het aantal opvanguren zoals vastgesteld in de definitieve beschikking KOT. UHT heeft in de beschouwing van 18 maart 2025 toegelicht dat bij de definitieve vaststelling van de KOT fouten zijn gemaakt. Voor de berekening van het aantal opvanguren per maand is het totaal aantal uren over het jaar (260,51 uur) gedeeld door vier maanden, wat resulteerde in gemiddeld 66 uur per maand.
Dit gemiddelde is toegepast, terwijl de opvangperiode niet is aangepast en is blijven aansluiten op de door belanghebbende doorgegeven stopzettingsdatum. Hierdoor is de KOT te laag vastgesteld.
UHT kwalificeerde dit aanvankelijk als een menselijke fout en niet als vooringenomen handelen.
In de aanvullende beschouwing van 23 februari 2026 heeft UHT dit standpunt echter gewijzigd. Daarbij is nu als uitgangspunt gehanteerd dat, hoewel uit de KOI-viewer blijkt dat gedurende vier maanden opvang heeft plaatsgevonden en belanghebbende 67 uur per maand had aangevraagd, het uitgaan van de stopzettingsdatum bij de definitieve vaststelling navolgbaar is. Volgens UHT betekent het enkele feit dat de opvang feitelijk langer heeft geduurd niet dat over die gehele periode recht op toeslag bestond. Op die grond acht UHT de vaststelling van de KOT over 2015 alsnog correct.
De Commissie overweegt dat het hanteren van de door belanghebbende opgegeven stopzettingsdatum navolgbaar is. Dat de opvang volgens de KOI-viewer langer heeft voortgeduurd, leidt niet zonder meer tot een verdergaand recht op KOT. De Commissie ziet daarom geen aanknopingspunten om vooringenomenheid of hardheid aan te nemen. Gelet op het voorgaande adviseert de Commissie aan UHT om het bezwaar op dit onderdeel ongegrond te verklaren.
Toeslagjaar 2016
Met betrekking tot toeslagjaar 2016, is de terugvordering gebaseerd op de vaststelling dat er een te hoog voorschot is toegekend. Het ging daarbij om een wijziging van de opvanguren van 40 uren naar 38 uren (productie 2700104). UHT stelt zich op het standpunt dat deze bijstellingen in overeenstemming met de wet is uitgevoerd.
Dergelijke bijstellingen geven in beginsel ook geen aanspraak op een zogenoemde hardheidstegemoetkoming. De Commissie heeft geen aanknopingspunten kunnen vinden om te adviseren dat de B/T bij de toekenning, aanpassing of terugvordering van de KOT voor toeslagjaar 2016 institutioneel vooringenomen heeft gehandeld of dat het stelsel te hard heeft uitgewerkt. De Commissie heeft ook geen aanknopingspunten gevonden om hierover in het geval van belanghebbende anders te oordelen. Er was ook geen onterechte kwalificatie O/GS, zodat er ook geen aanspraak is op een daarop gebaseerde vergoeding (productie 1300001). De Commissie adviseert UHT daarom om dit onderdeel van het bezwaar ongegrond te verklaren.
Toeslagjaar 2017
In 2017 is de KOT verlaagd naar aanleiding van urenwijzigingen die door belanghebbende zijn ingediend (producties 2700105 tot en met 2700107) en een stopzetting van de KOT op 23 augustus 2017 per 21 augustus 2017 (productie 2700108). UHT stelt zich op het standpunt dat deze bijstellingen in overeenstemming met de wet is uitgevoerd. Dergelijke bijstellingen geven in beginsel ook geen aanspraak op een zogenoemde hardheidstegemoetkoming.
De Commissie heeft geen aanknopingspunten kunnen vinden om te adviseren dat de B/T bij de toekenning, aanpassing of terugvordering van de KOT voor het toeslagjaar 2017 institutioneel vooringenomen heeft gehandeld of dat het stelsel te hard heeft uitgewerkt. De Commissie heeft ook geen aanknopingspunten gevonden om hierover in het geval van belanghebbende anders te oordelen.
Er was ook geen onterechte kwalificatie O/GS, zodat er ook geen aanspraak is op een daarop gebaseerde vergoeding (productie 1300001). De Commissie adviseert UHT daarom om dit onderdeel van het bezwaar ongegrond te verklaren.
Proceskostenvergoeding
Het bezwaar is naar opvatting van de Commissie ongegrond. Er is geen aanleiding voor herroeping van het bij bezwaar bestreden besluit. De Commissie ziet, gelet op het bepaalde in artikel 7:15 lid 2 Awb, geen aanleiding om UHT te adviseren een proceskostenvergoeding toe te kennen.
Conclusie
Samengevat adviseert de Commissie om het bezwaar ongegrond te verklaren.
[handtekening]
Secretaris
[handtekening]
Fungerend voorzitter