Ga direct naar de inhoud Ga direct naar de filters Ga direct naar de footer

BAC 2025-16596

Advies van de Bezwaarschriftenadviescommissie hersteloperatie toeslagen

Aan: Belastingdienst/Uitvoeringsorganisatie Herstel Toeslagen (hierna: UHT)

Betreft: het bezwaarschrift van belanghebbende

Primair besluit: 4 december 2023 (UHT-DCHA)

Hoorzitting: 5 maart 2026

Overdracht advies aan UHT: 6 mei 2026

Samenvatting

De Bezwaarschriftenadviescommissie (hierna: de Commissie) adviseert UHT om het bezwaar ongegrond te verklaren, het bestreden besluit in stand te laten en het verzoek een proceskostenvergoeding toe te kennen, af te wijzen.

Onderwerp van advies

Het door de gemachtigde namens belanghebbende ingediende bezwaar is gericht tegen het door UHT genomen definitieve besluit compensatie kinderopvang-toeslag met kenmerk UHT-DCHA.

Aan belanghebbende is met toepassing van de Wet hersteloperatie toeslagen (hierna: Wht) geen compensatie toegekend voor de jaren 2016 tot en met 2018.

Procesverloop

  • Belanghebbende heeft op 17 maart 2022 verzocht om herbeoordeling van de kinderopvangtoeslag (hierna: KOT) over de jaren 2017 tot en met 2019.
    In overleg met belanghebbende is de herbeoordeling gewijzigd naar de jaren 2016 tot en met 2018.
  • UHT heeft bij beschikking van 20 juli 2022 aan belanghebbende medegedeeld dat zij niet in aanmerking komt voor een betaling van € 30.000 op grond van de Catshuisregeling en dat de Integrale Beoordeling in gang wordt gezet.
  • De Commissie van Wijzen heeft op 27 november 2023 aan UHT geadviseerd dat gedurende de betrokken jaren geen sprake is geweest van institutionele vooringenomenheid of bijzondere omstandigheden.
  • UHT heeft bij het bestreden besluit aan belanghebbende medegedeeld dat zij geen recht heeft op compensatie of een tegemoetkoming voor de jaren 2016 tot en met 2018.
  • Gemachtigde heeft op 12 januari 2024 tegen dit besluit een bezwaarschrift ingediend.
  • UHT heeft op 15 april 2025 schriftelijk gereageerd op het bezwaar.
  • Op 5 maart 2026 heeft een hoorzitting plaatsgevonden. Van de hoorzitting is een verslag gemaakt, dat achter dit advies is gevoegd.
  • Gemachtigde heeft, daartoe door de Commissie ter zitting in de gelegenheid gesteld, op 25 maart 2026 aanvullende stukken ingediend. UHT heeft daar op
    31 maart 2026 op gereageerd.
  • Dit advies wordt uitgebracht door de voorzitter en twee commissieleden.

Ontvankelijkheid

Niet in geschil is dat het bezwaar ontvankelijk is.

Overwegingen ten aanzien van de bezwaren en het bestreden besluit

De Commissie ziet zich gesteld voor de vraag of UHT terecht en op goede gronden is gekomen tot haar beslissing het verzoek van belanghebbende om compensatie of tegemoetkoming af te wijzen. Ter gelegenheid van de hoorzitting heeft gemachtigde namens belanghebbende uitdrukkelijk verklaard dat het bezwaar uitsluitend ziet op de beslissing geen vergoeding of tegemoetkoming toe te kennen voor toeslagjaar 2018.

Toeslagjaar 2018
Belanghebbende stelt dat zij over het toeslagjaar 2018 in aanmerking komt voor compensatie vanwege institutioneel vooringenomen handelen dan wel hardheid van het stelsel. Belanghebbende betoogt dat zij een wijziging van het aantal opvanguren heeft doorgegeven per 14 mei 2018 omdat haar zoon (geboren op
10 mei 2014) op 10 mei 2018 de leeftijd van 4 jaar had bereikt en sindsdien alleen gebruikmaakte van buitenschoolse opvang. Belanghebbende stelt dat de hoogte van de KOT evenwel reeds vanaf 2 april 2018 door Belastingdienst/Toeslagen (hierna: B/T) is verlaagd.

Belanghebbende betoogt dat zij over de periode 2 april 2018 tot en met 14 mei 2018 dus meer KOT had moeten krijgen.

UHT stelt dat de KOT inderdaad met ingang van 2 april 2018 was verlaagd maar dat belanghebbende op 20 juni 2018 telefonisch heeft doorgegeven dat de wijziging van dagopvang naar buitenschoolse opvang pas per 18 mei 2018 heeft plaatsgevonden. Ten gevolge hiervan is de KOT weer opwaarts bijgesteld en heeft belanghebbende over de periode 2 april 2018 tot 18 mei 2018 aanvullende KOT gekregen. Belanghebbende is over de desbetreffende periode feitelijk geen KOT misgelopen.

De Commissie overweegt dat niet aannemelijk is geworden dat bij de toekenning, aanpassing of terugvordering van de KOT voor 2018 sprake is geweest van institutioneel vooringenomen handelen door B/T dan wel van hardheid van het stelsel. Er hebben twee neerwaartse bijstellingen van de KOT plaatsgevonden in 2018. De neerwaartse correctie van 22 mei 2018 was het gevolg van een door belanghebbende doorgegeven wijziging in het aantal opvang uren. In het dossier bevindt zich een TVS melding van de wijziging (bladzijde 329), waaruit blijkt dat belanghebbende zelf als datum van ingang van het lagere aantal opvanguren
2 april 2018 heeft vermeld. Nadat belanghebbende op 20 juni 2018 had doorgegeven dat de wijziging eerst per 18 mei 2018 diende in te gaan en niet per
2 april 2018 heeft UHT de niet uitbetaalde KOT over de desbetreffende periode alsnog uitbetaald.

Ten aanzien van de neerwaartse wijziging van de KOT tot nihil van 21 augustus 2018 geldt dat er een TVS-melding van de desbetreffende stopzetting in het dossier aanwezig is (bladzijde 331). Belanghebbende heeft ook niet betwist dat zij de KOT zelf heeft stopgezet en zij heeft tijdens de hoorzitting verklaard dat zij in de zomer van 2018 naar Curaçao is verhuisd. De Commissie acht het daarom voldoende aannemelijk dat belanghebbende de KOT over het toeslagjaar 2018 zelf heeft stopgezet.

Financiële ontwrichting
Belanghebbende heeft nog betoogd dat zij nog steeds problemen ondervindt met betrekking tot de KOT over 2018. Gemachtigde heeft – daartoe door de Commissie in de gelegenheid gesteld – namens belanghebbende nadere stukken ingebracht ter onderbouwing van de stelling dat belanghebbende in 2018 een betalings-achterstand had bij de kinderopvanginstelling, dat zij hiervoor een betalings-regeling probeerde te treffen en dat zij in Curaçao is benaderd door een incassobureau. Al met al betoogt belanghebbende dat de door B/T doorgevoerde verlagingen hebben geresulteerd in financiële ontwrichtingen dat zij daarom in aanmerking komt voor hardheidscompensatie.

De Commissie overweegt dat uit de ingebrachte stukken inderdaad volgt dat belanghebbende gedurende langere tijd problemen heeft ondervonden met betrekking tot het betalen van de kinderopvangkosten over 2018. De Commissie ziet echter geen aanknopingspunten voor de conclusie dat deze problemen het gevolg waren van vooringenomen handelen door B/T dan wel van hardheid van het stelsel, zoals gedefinieerd in de Wht. Het feit dat de KOT aanvankelijk is verlaagd met ingang van 2 april 2018 heeft mogelijk tot enige liquiditeitsproblemen geleid maar belanghebbende moet in staat zijn geweest eventuele daardoor ontstane verplichtingen alsnog na te komen toen de achterstallige KOT werd nabetaald. Het verlagen van de KOT per 2 april 2018 was voorts niet het gevolg van vooringenomen handelen van B/T maar van een door belanghebbende gemaakte fout bij het opgeven van de ingangsdatum van de wijziging. Hetgeen is opgemerkt ten aanzien van de verkrijging van een betalingsregeling met de kinderopvanginstelling kan evenmin tot het door belanghebbende gewenste resultaat leiden.

Verder is naar het oordeel van de Commissie ook geen sprake geweest van een onterechte kwalificatie O/GS, zodat ook hierop geen aanspraak kan worden gemaakt. De Commissie adviseert UHT daarom om dit onderdeel van het bezwaar ongegrond te verklaren. De Commissie adviseert het bezwaar op dit onderdeel ongegrond te verklaren.

Kosten rechtsbijstand
Nu het bezwaar naar het oordeel van de Commissie ongegrond is en het bestreden besluit niet behoeft te worden herroepen, adviseert de Commissie het verzoek om vergoeding voor de kosten van rechtsbijstand af te wijzen.

Conclusie

Samengevat adviseert de Commissie om het bezwaar ongegrond te verklaren, het bestreden besluit in stand te laten en het verzoek een proceskostenvergoeding toe te kennen, af te wijzen.

[handtekening]

Secretaris

[handtekening]

Fungerend voorzitter