Ga direct naar de inhoud Ga direct naar de filters Ga direct naar de footer

BAC 2025-16588

Advies van de Bezwaarschriftenadviescommissie hersteloperatie toeslagen

Aan: Belastingdienst/Uitvoeringsorganisatie Herstel Toeslagen (hierna: UHT)

Betreft: het bezwaarschrift van belanghebbende

Primair besluit: 18 oktober 2023 (UHT-DCHA)

Hoorzitting: 14 januari 2026

Overdracht advies aan UHT: 4 februari 2026

Samenvatting

De Bezwaarschriftenadviescommissie (hierna: de Commissie) adviseert UHT om het bezwaar ongegrond te verklaren.

Onderwerp van advies

Het door gemachtigde namens belanghebbende ingediende bezwaarschrift is gericht tegen de door UHT genomen definitieve beschikking compensatie kinderopvangtoeslag van 18 oktober 2023 met kenmerk UHT-DCHA (hierna: de bestreden beschikking).

Aan belanghebbende is met toepassing van de Wet hersteloperatie toeslagen (hierna: Wht) geen compensatie toegekend voor de jaren 2009 tot en met 2019.

Procesverloop

  • Belanghebbende heeft op 1 april 2021 verzocht om een herbeoordeling van de kinderopvangtoeslag (hierna: KOT) over de jaren 2010 tot en met 2015. Uiteindelijk heeft UHT de jaren 2009 tot en met 2019 herbeoordeeld.
  • UHT heeft bij besluit van 16 december 2021 aan belanghebbende meegedeeld dat zij niet in aanmerking komt voor een betaling van € 30.000,-.
  • Bij vooraankondiging van 30 maart 2023 heeft UHT aan belanghebbende de voorlopige beslissing meegedeeld dat zij niet in aanmerking komt voor een herstelregeling voor de jaren 2009 tot en met 2019.
  • Gemachtigde heeft op 31 mei 2023 hierop zijn zienswijze gegeven.
  • De Commissie van Wijzen (hierna: CvW) heeft haar beoordeling van het verzoek van belanghebbende op 28 april 2023 en 18 september 2023 aan UHT toegestuurd. De CvW heeft geadviseerd dat gedurende de jaren 2009 tot en met 2017 geen sprake is geweest van institutionele vooringenomenheid of bijzondere omstandigheden. De door belanghebbende ingediende zienswijze heeft de CvW geen aanleiding gegeven anders te oordelen dan UHT heeft gedaan.
  • UHT heeft bij bestreden besluit aan belanghebbende meegedeeld dat zij geen recht heeft op compensatie voor de jaren 2009 tot en met 2019.
  • Gemachtigde heeft bij brief van 27 november 2023 tegen dit besluit een bezwaarschrift ingediend.
  • UHT heeft op 25 september 2025 schriftelijk gereageerd op het bezwaarschrift.
  • Op 14 januari 2026 heeft een hoorzitting plaatsgevonden. Van de hoorzitting is een verslag gemaakt, dat achter het advies is gevoegd.
  • Dit advies wordt uitgebracht door de voorzitter, eerste commissielid en tweede commissielid.

Ontvankelijkheid

Niet in geschil is dat het bezwaarschrift ontvankelijk is.

Overwegingen ten aanzien van de bezwaren en het bestreden besluit

De Commissie ziet zich gesteld voor de vraag of UHT op goede gronden is gekomen tot haar beslissing om het verzoek van belanghebbende om compensatie of tegemoetkoming af te wijzen. Naar aanleiding van de hoorzitting stelt de Commissie vast dat enkel de toeslagjaren 2013, 2014 en 2015 in geschil zijn. De Commissie beperkt zich tot bespreking van die jaren.

Toeslagjaar 2013

Belanghebbende betoogt dat zij ten onrechte niet is gecompenseerd voor het toeslagjaar 2013. De beschikking van 21 september 2013 heeft geleid tot een terugvordering van meer dan € 1.500,- (productie 1213005). Als gevolg hiervan dient toepassing gegeven te worden aan de hardheidsregeling.

De Commissie overweegt hierover als volgt.

Gevallen waarin de KOT rechtstreeks is uitbetaald aan de kinderopvanginstelling maar bij de ouder wordt teruggevorderd omdat het recht op KOT lager bleek te zijn, kunnen volgens vaste uitvoeringspraktijk - zoals opgenomen in het Handboek Integrale Beoordeling Vaktechniek van UHT - een bijzondere omstandigheid opleveren die aanleiding geeft tot recht op compensatie wegens hardheid. Voor het aannemen van het bestaan van een bijzondere omstandigheid is, volgens die praktijk, niet voldoende dat de KOT met ten minste € 1.500,- is verlaagd. Ook moet duidelijk zijn dat een bedrag van ten minste € 1.500,- teveel is uitbetaald aan de kinderopvanginstelling en niet ten goede is gekomen aan belanghebbende. De Commissie heeft in de Wht geen aanknopingspunten gevonden die zouden moeten leiden tot de opvatting dat deze praktijk zich niet met die wet zou verdragen of anderszins in strijd zou komen met een wet in formele zin of een rechtsregel van hogere orde. Evenmin acht de Commissie plaats voor de opvatting dat deze praktijk een toets aan het evenredigheidsbeginsel niet zou kunnen doorstaan.

De Commissie volgt UHT in het standpunt dat in dit geval, gegeven deze praktijk, geen aanspraak bestaat op compensatie wegens hardheid van het stelsel. Uit het overzicht van het Landelijk Incasso Centrum (LIC-overzicht) over 2013 (productie 2700019) volgt dat een bedrag van € 14.277,- aan KOT is overgemaakt aan de kinderopvanginstellingen. De totale opvangkosten waren hoger, namelijk €16.599,- (KOI-viewer producties 1213013 en 1213014). De aan de kinderopvanginstellingen uitgekeerde KOT is daarmee volledig aan belanghebbende ten goede gekomen; er is geen sprake van een bedrag van ten minste € 1.500,- dat teveel is uitbetaald aan de kinderopvanginstellingen en niet ten goede is gekomen aan belanghebbende. Dit betekent dat niet is voldaan aan de hiervoor beschreven eisen van UHT voor toekenning van compensatie wegens hardheid van het stelsel.

De Commissie heeft geen aanknopingspunten gevonden dat UHT hier ten gunste van belanghebbende van deze praktijk had moeten afwijken. De bezwaargrond van belanghebbende slaagt niet.

Toeslagjaren 2014 en 2015

Belanghebbende stelt dat de stopzetting van de KOT per 27 april 2014 onterecht is geweest. De stopzetting voor het toeslagjaar 2014 heeft geleid tot een forse neerwaartse bijstelling bij beschikking van 5 juni 2015. Voor het toeslagjaar 2015 heeft dit geleid tot een nihilbeschikking op 21 mei 2015. Belanghebbende betwist dat zij de KOT heeft stopgezet. Zij kan zich niet herinneren door welke omstandigheid zij zelf de KOT destijds zou hebben stopgezet. Evenmin blijkt uit het dossier wat de reden voor de stopzetting is geweest.

De Commissie stelt vast dat belanghebbende in 2015 zowel de KOT 2014 (op 23 april 2015 per 27 april 2014) als de KOT 2015 (op 6 maart 2015 per 16 april 2015) heeft stopgezet (productie 2700006, pagina 847 en productie 2700007, pagina 849).

Uit de gespreksnotities van 11 juni 2015 (pagina 99 en 755) blijkt dat de stopzetting van de KOT 2014 op 23 april 2015 per 27 april 2014 niet haar bedoeling is geweest en dit is na navraag door B/T bij belanghebbende door B/T hersteld; bij definitieve beschikking van 10 juli 2015 is weer KOT toegekend voor het gehele toeslagjaar 2014.

Voor het toeslagjaar 2015 is blijkens de KOI-viewers (productie 1215017 en 1215018, pagina 361 en 363) sprake geweest van opvang in de periode 1 januari tot en met 15 april 2015 en vervolgens vanaf 1 juli 2015 tot en met 31 december 2015. Uit het beschikkingsoverzicht (productie 0200002, pagina 23 en verder) leidt de Commissie af dat voor deze periodes ook KOT is toegekend bij voorschotbeschikkingen van 21 juli 2015, 29 december 2015 en bij definitieve beschikking van 11 november 2016. Van vooringenomen handelen of hardheid is gelet op vorenstaande naar de Commissie meent, geen sprake.

De Commissie wijst erop dat de door UHT voor de hoorzitting overgelegde productie 2700027 niet ziet op toeslagjaar 2015 maar op toeslagjaar 2014. Dit betreft dezelfde productie als 2700006, over de stopzetting van de KOT op 23 april 2015 per 27 april 2014. Hiervan staat gelet op de gespreksnotities vast dat belanghebbende dit wel heeft gedaan maar dat dit niet haar bedoeling was. B/T heeft hierover wél navraag gedaan, en naar aanleiding daarvan is de KOT weer toegekend voor het hele jaar 2014. Het foutief benoemen van deze productie heeft naar de Commissie constateert helaas voor verwarring gezorgd.

De Commissie is van oordeel dat belanghebbende voor deze toeslagjaren niet in aanmerking komt voor compensatie op grond van de Wht. De Commissie adviseert het bezwaar op dit onderdeel ongegrond te verklaren.

Zorgvuldigheids- en motiveringsbeginsel

Belanghebbende voert aan dat UHT bij de totstandkoming van het bestreden besluit heeft gehandeld in strijd met het zorgvuldigheids- en motiveringsbeginsel.

Daaromtrent overweegt de Commissie als volgt. Voor zover sprake is van onzorgvuldige voorbereiding of gebreken in de motivering van het bestreden besluit, kan dat in de beslissing op bezwaar door UHT worden hersteld aan de hand van wat daarover in haar beschouwing is opgemerkt.

Op de zaak betrekking hebbende stukken – persoonlijk dossier

Belanghebbende stelt dat zonder het volledige persoonlijke dossier niet kan worden beoordeeld of alle relevante stukken er zijn. De Commissie volgt dit standpunt van belanghebbende niet. De beschouwing en de stukken die daaraan ten grondslag liggen, inclusief de LIC-overzichten, zijn aan belanghebbende toegezonden. De Commissie vindt dat UHT met het toezenden van deze stukken heeft voldaan aan haar verplichting op grond van artikel 7:4 lid 2 Awb om alle op de zaak betrekking hebbende stukken ter inzage te leggen. Dat kan anders zijn als de belanghebbende een duidelijk aanknopingspunt geeft voor een reden waarom het persoonlijk dossier moet worden afgewacht. Dat is hier niet gebeurd. De enkele mogelijkheid dat - bij onbekendheid van de stukken in dat dossier - nog relevante informatie ontbreekt, is niet voldoende. De Commissie adviseert UHT daarom om dit onderdeel van het bezwaar ongegrond te verklaren.

Proceskostenvergoeding

Nu de Commissie niet adviseert het primaire besluit te herroepen, is er geen aanleiding een vergoeding van de proceskosten toe te kennen.

Conclusie

Samengevat adviseert de Commissie om het bezwaar ongegrond te verklaren.

[handtekening]

Secretaris

[handtekening]

Fungerend voorzitter