Ga direct naar de inhoud Ga direct naar de filters Ga direct naar de footer

BAC 2025-16581

Advies van de Bezwaarschriftenadviescommissie hersteloperatie toeslagen

Aan: Belastingdienst/Uitvoeringsorganisatie Herstel Toeslagen (hierna: UHT)

Betreft: het bezwaarschrift van belanghebbende

Primair besluit: 9 oktober 2023 (UHT-DCHO)

Hoorzitting: 10 februari 2026

Overdracht advies aan UHT: 5 maart 2026

Samenvatting

De Bezwaarschriftenadviescommissie (hierna: de Commissie) adviseert UHT om het bezwaar gedeeltelijk gegrond te verklaren.

Onderwerp van advies

Het door de gemachtigde namens belanghebbende ingediende bezwaarschrift is gericht tegen de door UHT genomen definitieve beschikkingen compensatie kinderopvangtoeslag van 9 oktober 2023 met kenmerk UHT-DCHO en van 16 april 2025 met kenmerk UHT-DDCHOA (hierna: de bestreden besluiten).

Aan belanghebbende is met toepassing van de Wet hersteloperatie toeslagen (hierna: Wht) bij de eerste beschikking compensatie toegekend voor een bedrag van € 40.740 voor de jaren 2010 en 2013 en geen compensatie toegekend voor het jaar 2011.

Daarnaast is aan belanghebbende een tegemoetkoming Opzet/Grove Schuld (hierna: O/GS) toegekend voor een bedrag van € 4.108 voor de jaren 2013 tot en met 2015. Bij de tweede beschikking is aan belanghebbende geen verdere herstelregeling toegekend.

Procesverloop

  • Belanghebbende heeft op 18 januari 2021 verzocht om een herbeoordeling van de kinderopvangtoeslag (hierna: KOT) over de jaren 2013 tot en met 2015.
    In overleg met de persoonlijk zaakbehandelaar zijn de jaren 2010 en 2011 daaraan toegevoegd.
  • Belanghebbende heeft op 11 maart 2021 € 30.000 ontvangen in het kader van de Catshuisregeling.
  • De Commissie van Wijzen (hierna: CvW) heeft haar beoordeling van het verzoek van belanghebbende op 19 juni 2023 aan UHT toegestuurd. De CvW heeft geoordeeld dat voor het jaar 2010 sprake was van vooringenomenheid maar niet voor de jaren 2011, 2014 en 2015. Daarnaast heeft de CvW geadviseerd dat belanghebbende recht heeft op een O/GS-tegemoetkoming voor de jaren 2013 tot en met 2015.
  • UHT heeft bij bestreden besluit aan belanghebbende compensatie toegekend voor een bedrag van € 40.740 voor de jaren 2010 en 2013 en geen compensatie toegekend voor het jaar 2011. Daarnaast is aan belanghebbende een tegemoetkoming O/GS toegekend voor een bedrag van € 4.108 voor de jaren 2013 tot en met 2015.
  • Gemachtigde heeft bij brief van 26 oktober 2023, ingekomen op 1 november 2023, tegen dit besluit een bezwaarschrift ingediend.
  • UHT heeft op 16 april 2025 het tweede bestreden besluit genomen en op 6 mei 2025 schriftelijk gereageerd op het bezwaarschrift.
  • Op 10 februari 2026 heeft een hoorzitting plaatsgevonden. Van de hoorzitting is een verslag gemaakt, dat achter het advies is gevoegd.
  • Dit advies wordt uitgebracht door de voorzitter en 2 commissieleden.

Ontvankelijkheid

Niet in geschil is dat de bezwaren ontvankelijk zijn.

Overwegingen ten aanzien van de bezwaren en het bestreden besluit

De Commissie ziet zich gesteld voor de vraag of UHT de toegekende bedragen voor de jaren 2010 en 2013 tot en met 2015 op de juiste wijze heeft berekend en terecht en op goede gronden is gekomen tot haar beslissing om het verzoek van belanghebbende om compensatie of tegemoetkoming voor andere jaren af te wijzen.

Compensatieberekening
De compensatieberekening is in het kader van de bezwaarprocedure ambtshalve door UHT getoetst op juistheid. UHT stelt dat van een verkeerde start- en einddatum bij de berekening van de vergoeding van immateriële schade (component n) is uitgegaan. Bij de compensatieberekening is onterecht uitgegaan van een ingangsdatum van 4 maart 2014. Dit had 6 januari 2015 moeten zijn. Daarnaast is onterecht uitgegaan van een einddatum van 5 oktober 2023. Dit zou 9 oktober 2023 moeten zijn. UHT acht daarom de bezwaren van belanghebbende op dit punt gegrond en past de einddatum van de immateriële schadevergoeding aan naar de datum van de beslissing op bezwaar.

Voorts stelt UHT dat voor de toeslagjaren 2010 en 2013 de rentevergoedingen over de gemiste KOT (component o) verkeerd zijn berekend. Voor het toeslagjaar 2010 moet dit € 6.149 zijn in plaats van € 6.140. Voor het toeslagjaar 2013 moet dit € 2.611 zijn in plaats van € 2.606. UHT acht daarom de bezwaren van belanghebbende op dit punt gegrond en past de bedragen aan in de beslissing op bezwaar.

Aangezien UHT de bezwaren van belanghebbende deels gegrond acht, past zij de aanvullende vergoeding van 1% van het subtotaal (component p) aan in de beslissing op bezwaar.

De Commissie adviseert UHT de compensatieberekening overeenkomstig haar beschouwing aan te passen in de beslissing op bezwaar.

Ambtshalve toetsing compensatieregeling
In het kader van de bezwaarprocedure heeft UHT getoetst of belanghebbende in aanmerking komt voor een herstelregeling voor de toeslagjaren 2005 tot en met 2009, 2012, en 2014 tot en met 2019. Uit de onderliggende stukken is gebleken dat belanghebbende geen aanvraag KOT heeft gedaan voor de toeslagjaren 2005 tot en met 2007 en 2016 tot en met 2019. Voor deze jaren heeft belanghebbende daarom geen recht op een herstelregeling.

Reguliere bijstellingen
De Commissie heeft ook geen aanknopingspunten kunnen vinden om te adviseren dat de Belastingdienst/Toeslagen (hierna: B/T) bij de toekenning, aanpassing of terugvordering van de KOT voor de toeslagjaren 2008, 2009, 2014 en 2015 institutioneel vooringenomen heeft gehandeld of dat het stelsel te hard heeft uitgewerkt. Over het toeslagjaar 2008 heeft er enkel een opwaartse bijstelling plaatsgevonden, waaruit geen terugvordering is voortgevloeid.
De terugvorderingen KOT over de toeslagjaren 2009, 2014 en 2015 waren gebaseerd op de vaststelling dat er een te hoog voorschot was toegekend.
Dat voorschot is door reguliere wijzigingen opnieuw berekend. Deze bijstellingen zijn in overeenstemming met de wet uitgevoerd. Dergelijke bijstellingen geven in beginsel ook geen aanspraak op een zogenoemde hardheidstegemoetkoming.

De Commissie heeft geen aanknopingspunten gevonden om hierover in het geval van belanghebbende anders te oordelen. Over de toeslagjaren 2014 en 2015 is er sprake van een onterechte kwalificatie O/GS. Bij de bestreden beschikking heeft belanghebbende daarvoor reeds een tegemoetkoming O/GS ontvangen. Voor de overige toeslagjaren was er geen onterechte kwalificatie O/GS, zodat er ook geen aanspraak is op een daarop gebaseerde vergoeding. De Commissie adviseert UHT daarom om dit onderdeel van het bezwaar ongegrond te verklaren

KOT rechtstreeks uitbetaald aan de kinderopvanginstelling
Volgens gemachtigde is in de jaren 2011 en 2012 sprake van hardheid van het stelsel, omdat de KOT rechtstreeks aan de kinderopvanginstelling is betaald, terwijl vervolgens bedragen van meer dan € 1.500 van belanghebbende zijn terug-gevorderd. De Commissie overweegt hierover als volgt.

Gevallen waarin de KOT rechtstreeks is uitbetaald aan de kinderopvanginstelling maar bij de ouder wordt teruggevorderd omdat het recht op KOT lager bleek te zijn, kunnen volgens vaste uitvoeringspraktijk - zoals opgenomen in het Handboek Integrale Beoordeling Vaktechniek van UHT - een bijzondere omstandigheid opleveren die aanleiding geeft tot recht op compensatie wegens hardheid. Voor het aannemen van het bestaan van een bijzondere omstandigheid is, volgens die praktijk, niet voldoende dat bij de ouder een bedrag van ten minste € 1.500 is teruggevorderd. Ook moet duidelijk zijn dat een bedrag van ten minste € 1.500 teveel is uitbetaald aan de kinderopvanginstelling en niet ten goede is gekomen aan belanghebbende. De Commissie heeft in de Wht geen aanknopingspunten gevonden die zouden moeten leiden tot de opvatting dat deze praktijk zich niet met die wet zou verdragen of anderszins in strijd zou komen met een wet in formele zin of een rechtsregel van hogere orde. Evenmin acht de Commissie plaats voor de opvatting dat deze praktijk een toets aan het evenredigheidsbeginsel niet zou kunnen doorstaan.

De Commissie is van oordeel dat in dit geval geen aanspraak bestaat op compensatie wegens hardheid van het stelsel. UHT heeft de berekening voor de jaren 2011 en 2012 in haar beschouwing nader toegelicht. Voor het jaar 2011 heeft de kinderopvanginstelling een terugbetaling gedaan aan belanghebbende. Voor wat betreft het jaar 2012 zijn de betalingen ook aan de kinderopvanginstelling betaald maar heeft zoals blijkt uit het LIC-overzicht in dat jaar volledige verrekening plaatsgevonden waardoor van belanghebbende geen bedrag is teruggevorderd. Dit leidt tot de conclusie dat er geen reden is voor compensatie wegens hardheid van het stelsel.

Proceskostenvergoeding
Nu het bezwaar tegen de beschikking met kenmerk UHT-DCHO naar het oordeel van de Commissie deels gegrond is, adviseert de Commissie om het verzoek om een vergoeding van de kosten van rechtsbijstand toe te wijzen.

Conclusie

Samengevat adviseert de Commissie om het bezwaar gedeeltelijk gegrond te verklaren en om een vergoeding van de proceskosten voor deze bezwaarprocedure toe te kennen van twee procespunten met wegingsfactor twee voor het hoogste tarief.

[handtekening]

Secretaris

[handtekening]

Fungerend voorzitter