Ga direct naar de inhoud Ga direct naar de filters Ga direct naar de footer

BAC 2025-16569

Advies van de Bezwaarschriftenadviescommissie hersteloperatie toeslagen

Aan: Belastingdienst/Uitvoeringsorganisatie Herstel Toeslagen (hierna: UHT)

Betreft: het bezwaarschrift van belanghebbende

Primair besluit: 21 juni 2024 (UHT-DCHO)

Hoorzitting: 22 april 2026

Overdracht advies aan UHT: 27 april 2026

Samenvatting

De Bezwaarschriftenadviescommissie (hierna: de Commissie) adviseert UHT om het bezwaar gegrond te verklaren, het bestreden besluit te herroepen en het verzoek om vergoeding van de proceskosten toe te wijzen.

Onderwerp van advies

Het door de gemachtigde) namens belanghebbende ingediende bezwaarschrift is gericht tegen de door UHT genomen definitieve beschikking compensatie kinderopvangtoeslag van 21 juni 2024 (hierna: het bestreden besluit).
Aan belanghebbende is met toepassing van de Wet hersteloperatie toeslagen (hierna: Wht) een definitieve compensatie toegekend van €9.660,- voor het jaar 2005 en geen compensatie toegekend voor de jaren 2006 en 2007.

Procesverloop

  • Belanghebbende heeft op 24 januari 2022 verzocht om herbeoordeling van de kinderopvangtoeslag (hierna: KOT) over de jaren 2005 tot en met 2008. UHT heeft een beoordeling gemaakt over de jaren 2005 tot en met 2007.
  • UHT heeft bij besluit van 15 maart 2024 aan belanghebbende medegedeeld dat zij in aanmerking komt voor een betaling van €30.000,-. Dat bedrag is aan belanghebbende betaald.
  • De Commissie van Wijzen (hierna: CvW) heeft haar beoordeling van het verzoek van belanghebbende op 7 mei 2024 aan UHT toegestuurd. De CvW heeft geoordeeld dat gedurende de jaren 2006 en 2007 geen sprake is geweest van institutionele vooringenomenheid of bijzondere omstandigheden.
  • UHT heeft bij het bestreden besluit aan belanghebbende een definitieve compensatie toegekend van €9.660,- voor het jaar 2005 en geen compensatie toegekend voor de jaren 2006 en 2007.
  • Gemachtigde heeft bij brief van 18 juni 2024, ingekomen op diezelfde datum, tegen dit besluit een bezwaarschrift ingediend.
  • UHT heeft op 18 juni 2025 schriftelijk gereageerd op het bezwaarschrift.
  • Gemachtigde heeft bij e-mailberichten van 20 en 21 april 2026 de gronden van het bezwaar aangevuld en een memo overgelegd.
  • UHT heeft voorafgaand aan de hoorzitting in een e-mailbericht van 22 april 2026 in reactie daarop enkele stukken overgelegd.
  • Op 22 april 2026 heeft een hoorzitting plaatsgevonden. Van de hoorzitting is een verslag gemaakt, dat achter het advies is gevoegd.
  • Dit advies wordt uitgebracht door de voorzitter en twee commissieleden.

Ontvankelijkheid

Niet in geschil is dat het bezwaarschrift ontvankelijk is.

Overwegingen ten aanzien van de bezwaren en het bestreden besluit

Procedurele bezwaren

Motivering bestreden besluit / zorgvuldigheid / volledig dossier
Belanghebbende voert aan, samengevat weergegeven, dat het bestreden besluit onvoldoende isgemotiveerd en onzorgvuldig tot stand is gekomen. Belanghebbende verzoekt daarnaast om toezending van de op de zaak betrekking hebbende stukken.

De Commissie heeft geen aanknopingspunten gevonden voor de stelling van belanghebbende dat de motivering van het bestreden besluit onvolledig moet worden geacht of dat de voorbereiding daarvan onzorgvuldig is geweest.
De Commissie constateert dat UHT in bezwaar een schriftelijke beschouwing heeft ingediend, waarin UHT een aanvullende uitgebreide uitleg heeft gegeven met behulp van het informatie- en beoordelingsformulier, overzichten van het Landelijk Incassocentrum (hierna: “LIC”) en overige producties. Naar het oordeel van de Commissie is het bestreden besluit hierdoor thans voorzien van een dragende motivering.

Voorts overweegt de Commissie dat de schriftelijke beschouwing en het ouderdossier op 8 januari 2026 aan gemachtigde zijn gezonden. Gemachtigde en belanghebbende hebben hierdoor kennis kunnen nemen van de op de zaak betrekking hebbende stukken en zij hebben de gelegenheid gehad om daarop te reageren. Uit de stellingname van belanghebbende volgt niet dat in het aan de Commissie en belanghebbende beschikbaar gestelde ouderdossier nog stukken zouden ontbreken die van belang zijn voor het door UHT genomen besluit.
Van enige schending van het bepaalde bij artikel 7:4, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) is dan ook niet gebleken.

De Commissie adviseert dit onderdeel van het bezwaar ongegrond te verklaren.

Compensatie 2005
UHT heeft in reactie op het bezwaar van belanghebbende de compensatieberekening ten aanzien van het jaar 2005 nagerekend en vastgesteld dat die berekening op een enkel punt onjuist is geweest. Component o, de toeslagrente over gemiste KOT, moet zijn €3.584,- in plaats van €3.592,-.
Omdat deze fout in het voordeel van belanghebbende is, wordt deze niet aangepast.

De Commissie neemt met instemming hiervan kennis en adviseert het bezwaar op dit punt ongegrond te verklaren.

Afwijzing compensatie 2006 en 2007
De Commissie ziet zich gesteld voor de vraag of UHT terecht en op goede gronden is gekomen tot haar beslissing om het verzoek van belanghebbende om compensatie of tegemoetkoming de jaren 2006 en 2007 af te wijzen.

Voor compensatie komt, ingevolge het bepaalde in de Wht, in aanmerking de ouder waarvan aannemelijk is dat de vaststelling van zijn of haar aanspraak op KOT in enig jaar onderdeel is geweest van een institutioneel vooringenomen handelwijze van B/T of hardheid van het stelsel.

Tussen partijen is niet in geschil dat belanghebbende in 2006 en 2007 opvang heeft afgenomen voor haar dochter. UHT erkent dat immers op de hoorzitting. Verder staat vast dat belanghebbende KOT heeft aangevraagd voor het jaar 2005. Zij was een alleenstaande moeder en werkte fulltime, zodat zij opvang nodig had voor haar dochter gedurende vijf dagen per week. Belanghebbende heeft op zitting toegelicht dat de feitelijke situatie in 2006 en 2007 niet is veranderd ten opzichte van het jaar 2005. Ook toen werkte zij fulltime en had zij alle werkdagen opvang nodig voor haar dochter, die zij ook heeft afgenomen. Gegeven de consistente verklaring van belanghebbende, zowel in het dossier als ook op de hoorzitting, is naar het oordeel van de Commissie aannemelijk dat belanghebbende voor de jaren 2006 en 2007 KOT heeft aangevraagd.

Dat volgens UHT geen KOT-aanvraag voor 2006/2007 in de systemen van B/T is terug te vinden, moge zo zijn, maar niet uitgesloten is dat de aanvraag van belanghebbende is zoekgeraakt of dat de aanvraag wel is ontvangen door B/T maar daar nimmer op is beslist. Bij deze stand van zaken is de Commissie van opvatting dat B/T jegens belanghebbende vooringenomen heeft gehandeld over de jaren 2006 en 2007.

Dat belanghebbende als gevolg van die vooringenomen handelwijze schade heeft geleden is afdoende gebleken. Belanghebbende heeft op de hoorzitting verklaard dat zij op enig moment in 2006 te horen kreeg van de kinderopvanginstelling dat haar kind niet meer welkom was bij de opvang. Belanghebbende moest op zoek naar een tijdelijke oplossing. Belanghebbende heeft voor een bepaalde periode de kosten van opvang zelf betaald en daarnaast vrienden ingeschakeld om haar dochter op te vangen. Belanghebbende was door deze situatie soms afwezig op het werk, als gevolg waarvan zij geen vast contract kreeg van haar werkgever. Uiteindelijk is belanghebbende in 2007 vertrokken uit Nederland en naar België verhuisd omdat dit alles haar teveel werd.

Evenwel, deze bezwaarschriftprocedure heeft alleen betrekking op de toekenning van de standaardvergoedingen (de zogeheten forfaitaire bedragen) en niet op de vergoeding van de werkelijke schade. De schade van belanghebbende zoals hiervoor omschreven valt buiten het kader van deze procedure tot vaststelling van standaardvergoedingen en dient te worden gecompenseerd in de procedure tot vaststelling van de door een belanghebbende geleden werkelijke schade als gevolg van de KOT-problematiek. Voor het vragen van vergoeding van werkelijke schade kan gebruik gemaakt worden van de mogelijkheden, vermeld in www.schadeherstel.toeslagen.nl.

Conclusie
De Commissie adviseert UHT het bezwaar van belanghebbende gegrond te verklaren en het bestreden besluit te herroepen.

Proceskostenvergoeding
Nu de bezwaren gegrond zijn en zullen moeten leiden tot herroeping van de bestreden beschikking met kenmerk UHT-DCHO, zal de Commissie UHT adviseren de kosten van rechtsbijstand te vergoeden. Op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht heeft belanghebbende recht op een forfaitaire vergoeding op basis van 2 procespunten (bezwaarschrift en verschijnen hoorzitting). Net als in eerdere zaken adviseert de Commissie daarbij de hoogste vergoeding per procespunt toe te kennen.

Conclusie

Samengevat adviseert de Commissie om:

  • het bezwaar gegrond te verklaren en het bestreden besluit te herroepen;
  • een vergoeding van de proceskosten voor de onderhavige bezwaarprocedure toe te kennen van twee procespunten met wegingsfactor twee voor het hoogste tarief.

[handtekening]

Secretaris

[handtekening]

Fungerend voorzitter