Ga direct naar de inhoud Ga direct naar de filters Ga direct naar de footer

BAC 2025-16540

Advies van de Bezwaarschriftenadviescommissie hersteloperatie toeslagen

Aan: Belastingdienst/Uitvoeringsorganisatie Herstel Toeslagen (hierna: UHT)

Betreft: het bezwaarschrift van belanghebbende

Primair besluit: 13 augustus 2024 (UHT-DCHO)

Hoorzitting: niet gehouden

Overdracht advies aan UHT: 19 mei 2026

Samenvatting

De Bezwaarschriftenadviescommissie (hierna

Onderwerp van advies

Het door gemachtigde namens belanghebbende ingediende bezwaarschrift is gericht tegen de door UHT genomen definitieve beschikking compensatie kinderopvangtoeslag.

Aan belanghebbende is met toepassing van de Wet hersteloperatie toeslagen (hierna: Wht) compensatie toegekend voor een bedrag van € 78.157,- voor de perioden mei tot en met september 2007, 2008, 2009, 2010, en maart tot en met mei 2011. Aan belanghebbende is geen compensatie toegekend voor de perioden oktober tot en met december 2007, januari en februari 2011, juni tot en met november 2011 en 2012.

Procesverloop

  • Belanghebbende heeft op 30 december 2022 verzocht om een herbeoordeling van de kinderopvangtoeslag (hierna: KOT) over de jaren 2007 tot en met 2012.
  • UHT heeft bij besluit van 23 februari 2023 aan belanghebbende medegedeeld dat zij in aanmerking komt voor een betaling van € 30.000,-.
  • De Commissie van Wijzen (hierna: CvW) heeft haar beoordeling van het verzoek van belanghebbende op 1 augustus 2024 aan UHT toegestuurd. De CvW heeft geadviseerd dat gedurende de maanden oktober tot en met december 2007, de maanden januari, februari, juni tot en met november 2011 en de jaren 2012 tot en met 2014 geen sprake is geweest van institutionele vooringenomenheid of bijzondere omstandigheden.
  • UHT heeft bij het bestreden besluit aan belanghebbende een compensatie toegekend voor een bedrag van € 78.157,- voor de perioden mei tot en met september 2007, 2008, 2009, 2010, en maart tot en met mei 2011.
    Aan belanghebbende is geen compensatie toegekend voor de perioden oktober tot en met december 2007, januari en februari 2011, juni tot en met november 2011 en 2012.
  • Gemachtigde heeft bij brief van 10 september 2024, ingekomen op dezelfde datum, tegen dit besluit een bezwaarschrift ingediend.
  • UHT heeft op 2 september 2025 schriftelijk gereageerd op het bezwaarschrift.
  • Gemachtigde heeft op 11 februari 2026 aangegeven dat belanghebbende ervan afziet te worden gehoord op het bezwaarschrift. De Commissie ziet daarom gelet op artikel 7:3 onder c van de Algemene wet bestuursrecht af van het horen van belanghebbende.
  • Gemachtigde heeft het bezwaar op 26 maart 2026 aangevuld. UHT heeft daar op 15 april 2026 op gereageerd.
  • Dit advies wordt uitgebracht door de voorzitter en twee commissieleden.

Ontvankelijkheid

Niet in geschil is dat het bezwaarschrift ontvankelijk is.

Overwegingen ten aanzien van de bezwaren en het bestreden besluit

De Commissie ziet zich gesteld voor de vraag of UHT de toegekende compensatie op de juiste wijze heeft berekend en terecht en op goede gronden is gekomen tot haar beslissing om het verzoek van belanghebbende om compensatie of tegemoetkoming voor de jaren 2007 (deels), 2011 (deels) en 2012 af te wijzen.

De waarde van hoor en wederhoor
De Commissie constateert dat de belanghebbende blijkens het gestelde op de eerste bladzijden van de aanvullende beschouwing van de gemachtigde over het nut en het belang van een hoorzitting een opvatting heeft die afwijkt van de breed gedragen zienswijze van de BAC. De BAC volstaat met een verwijzing naar hetgeen over het beginsel van hoor en wederhoor, zoals toegepast via de weg van een hoorzitting bij de BAC, als hoeksteen van rechtsbescherming is opgetekend in
‘De waarde van hoor en wederhoor’, Jaarverslag 2025 van de Bezwaarschriftenadviescommissie Hersteloperatie Toeslagen, vermeld op de website van de Bezwaarschriftenadviescommissie.

Overschrijding beslistermijn
Belanghebbende heeft de Commissie verzocht om advies uit te brengen over de aan UHT op te leggen maatregelen vanwege de termijnoverschrijding bij het nemen van een beslissing op het bezwaar.

Het gevolg van een termijnoverschrijding is dat belanghebbende mogelijk recht heeft op een dwangsom. Hiertoe kan belanghebbende UHT in gebreke stellen en zo nodig in beroep gaan bij de bestuursrechter. De Commissie heeft geen bevoegdheid hierover een advies uit te brengen, omdat dit valt buiten het kader van haar bevoegdheden als bedoeld in artikel 3 van de Instellingsregeling Bezwaarschriftenadviescommissie hersteloperatie toeslagen.

Op de zaak betrekking hebbende stukken (O/GS, Persoonlijk dossier, FSV)
Gemachtigde verzoekt om alle stukken die ten grondslag liggen aan het onderzoek naar  O/GS-kwalificaties. Zij stelt dat belanghebbende in haar procesbelang geschaad wordt doordat zij niet over de O/GS-stukken beschikt.

De Commissie is van oordeel dat belanghebbende recht heeft op de onderliggende stukken die ten grondslag hebben gelegen aan de O/GS-beoordeling.
De Commissie wijst in dit verband op de motie van het lid Ergin die op 10 maart 2026 is aangenomen (Tweede Kamer, vergaderjaar 2025-2026, 36 708, nr. 68) en waarin de Kamer heeft uitgesproken dat UHT standaard en actief inzage geeft in alle stukken die ten grondslag liggen aan de O/GS kwalificatie. Als de beoordeling van UHT (mede) rust op de vaststelling dat geen informatie beschikbaar is over belanghebbende in een geraadpleegde gegevensbron, dan moet UHT die vaststelling onderbouwen met bijvoorbeeld een schermafbeelding van de resultaten en geraadpleegde systemen. Volledigheidshalve verwijst de Commissie ook naar de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 6 februari 2026, ECLI:NKL:RBROT:2026:1545. Derhalve adviseert de Commissie aan UHT om voorafgaand aan het besluit op bezwaar, met inachtneming van bovenstaande, inzage te geven in alle stukken die ten grondslag liggen aan de O/GSkwalificatie en om belanghebbende de gelegenheid te geven hierop te reageren, eveneens voorafgaand aan het besluit op bezwaar.

De stelling van gemachtigde dat het volledige persoonlijke dossier verstrekt dient te worden om te kunnen beoordelen of alle relevante stukken er zijn, volgt de Commissie niet. Behoudens de O/GS-stukken vindt de Commissie dat UHT met het toezenden van het ouderdossier, dat ook de door gemachtigde gevraagde achtergrond informatie over de FSV vermelding bevat (productie (nr)), heeft voldaan aan haar verplichting op grond van artikel 7:4 lid 2 Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) om alle op de zaak betrekking hebbende stukken ter inzage te leggen. Dat kan anders zijn als de belanghebbende een duidelijk aanknopingspunt geeft voor een reden waarom het persoonlijk dossier moet worden afgewacht. Dat is hier niet gebeurd. De enkele mogelijkheid dat - bij onbekendheid van de stukken in dat dossier - nog relevante informatie ontbreekt, is niet voldoende. De Commissie adviseert UHT daarom om dit onderdeel van het bezwaar ongegrond te verklaren.

Beoordeling per jaar
Belanghebbende vindt het opmerkelijk dat voor sommige jaren vooringenomen handelen wordt aangenomen, en voor andere jaren weer niet. Een selectie in jaren op basis van neerwaartse correcties of nihilstellingen doet geen recht aan de situatie van gedupeerde ouders.

De Commissie wijst in dit verband op de wetsgeschiedenis van de Wht. In de Memorie van Toelichting wordt dit punt expliciet besproken: “Bij integrale beoordeling wordt vastgesteld wat er is misgegaan met de kinderopvangtoeslag bij een gedupeerde ouder en wordt per berekeningsjaar het herstelbedrag vastgesteld dat op grond van een herstelmaatregel als bedoeld in artikel 2.7 van dit wetsvoorstel wordt toegekend.” (Tweede Kamer, vergaderjaar 2021–2022, 36 151, nr. 3, p. 19). De Commissie leidt hieruit af dat het kennelijk niet de bedoeling van de wetgever is geweest om een vaststelling van gedupeerd zijn van een toeslagouder automatisch door te trekken naar andere jaren. Volgens de Commissie zal daarom per jaar opnieuw moeten worden vastgesteld of sprake is geweest van vooringenomen handelen dan wel hardheid en of de werkwijze van UHT begrijpelijk en daarmee in overeenstemming is. De enkele – niet nader met feiten of omstandigheden onderbouwde – stelling dat van vooringenomenheid sprake moet zijn geweest in andere toeslagjaren als eenmaal sprake is geweest van vooringenomen handelen door B/T of bijzondere omstandigheden acht de Commissie daarom in zijn algemeenheid onjuist. De Commissie adviseert UHT dit onderdeel van het bezwaar ongegrond te verklaren.

Toeslagjaar 2007
Tussen partijen is niet in geschil dat de Belastingdienst/Toeslagen (hierna: B/T) vooringenomen heeft gehandeld ten aanzien van toeslagjaar 2007, waarover per
1 mei  KOT was aangevraagd. UHT heeft de compensatie beperkt tot de maanden mei tot en met september 2007, omdat volgens UHT over de maanden oktober tot en met december 2007 sprake was van evident geen recht op KOT.

UHT voert daarbij aan dat uit de KOI-viewer volgt dat enkel in de periode 16 mei tot en met 28 september 2007 kinderopvang is afgenomen (producties (nr) t/m (nr)). Ook wijst UHT erop dat belanghebbende volgens de systemen studeerde van januari tot en met juli 2007 (productie (nr), blz. 145).

Belanghebbende voert aan dat zij in haar herinnering het gehele jaar 2007 opvang heeft afgenomen. Zij stelt daarom dat zij aanspraak maakt op compensatie over de gehele periode mei tot en met december 2007.

De Commissie overweegt dat compensatie voor vooringenomen handelen ingevolge artikel 2.1 lid 2 Wht niet wordt toegekend indien de door de aanvrager van KOT geleden schade te wijten is aan ernstige onregelmatigheden die aan hem toerekenbaar zijn. De situatie van evident geen recht op KOT valt onder artikel 2.1 lid 2 Wht. De bewijslast hiervoor ligt bij UHT. Buiten de verklaring van belanghebbende in bezwaar, heeft de

Commissie geen aanknopingspunt gevonden voor de conclusie dat de informatie uit de KOI-viewer van 2007 incorrect of onvolledig zou zijn. Uit het dossier volgt dat belanghebbende de aanvraag per 1 mei 2007 voor (naam) met terugwerkende kracht heeft gedaan. Per 1 januari 2008 is belanghebbende gestart bij een andere opvang, BSO (naam), zo kan worden aangenomen op basis van de aanvraag van
8 januari 2008 (productie (nr)) en de plaatsingsovereenkomst met (naam)/BSO de (naam) (productie (nr)). Meldingen of andere aanknopingspunten dat tussen 28 september 2007 en 1 januari 2008 nog opvang elders zou zijn afgenomen zijn er niet.

De Commissie is daarom van oordeel dat sprake was van evident geen recht op KOT in de periode oktober tot en met december 2007. Volgens het eigen beleid van UHT kan in uitzonderlijke situaties sprake zijn van hardheid. De Commissie stelt vast dat niet, althans onvoldoende, is gebleken dat belanghebbende in zodanige, voor de toepassing van dit beleid relevante, uitzonderlijke omstandigheden heeft verkeerd.

UHT heeft de compensatie over periode oktober tot en met december 2007 daarom terecht en op goede gronden afgewezen. Het bezwaar treft geen doel.

Toeslagjaar 2008
Ten aanzien van het jaar 2008 heeft belanghebbende aangevoerd dat zonder de jaaropgave niet kan worden vastgesteld wat de juiste hoogte van de KOT had moeten zijn. Component a van de compensatieberekening kan daarom niet op juistheid worden gecontroleerd.

De Commissie overweegt dat de Wht is bedoeld voor herstel van vooringenomen handelen, van hardheid en/of van een onterechte kwalificatie O/GS. De Wht ziet niet op de herziening van in het verleden genomen definitieve KOT Beschikkingen. Een beoordeling daarvan valt buiten de reikwijdte van de Wht. De Commissie adviseert UHT daarom om dit onderdeel van het bezwaar ongegrond te verklaren.

Toeslagjaar 2009
Aan belanghebbende is compensatie toegekend voor het vooringenomen handelen van B/T door de KOT bij beschikking van 20 april 2011 op nihil te stellen. Voorafgaand aan deze nihilstelling is de KOT over 2009 tweemaal verlaagd wegens stopzettingen, namelijk bij beschikkingen van 12 november 2009 en 13 november 2009. Belanghebbende heeft UHT verzocht om de onderliggende meldingen van deze stopzettingen over te leggen. Daarnaast stelt zij dat zonder onderbouwing van de stopzettingen, uitgegaan moet worden van een startdatum voor de vergoeding van immateriële schade per 1 november 2009.

UHT heeft als reactie hierop toegelicht dat de stopzettingen zijn gedaan op basis van meldingen van belanghebbende van 24 oktober 2009 en 25 oktober 2009 waaruit bleek dat zij de KOT respectievelijk per 1 december 2009 (productie (nr)) en per 1 november 2009 wilde stopzetten (productie (nr)).

De Commissie is van mening dat B/T mocht uitgaan van de juistheid van de meldingen van 24 oktober 2009 en 25 oktober 2009. De verwerking van deze stopzettingen heeft geleid tot de beschikkingen van 12 november 2009 en
13 november 2009. Van vooringenomen handelen of hardheid is daarbij niet gebleken. Aan belanghebbende komt volgens de Commissie daarom geen hogere compensatie voor toeslagjaar 2009 toe. Evenmin is er aanleiding om de startdatum voor de vergoeding van immateriële schade te wijzigen naar
1 november 2009. Het bezwaar treft geen doel.

Toeslagjaar 2010
Belanghebbende voert aan dat over het jaar 2010 sprake is geweest van vooringenomen handelen, nu aangenomen moet worden dat voorafgaand aan de nihilstelling bij beschikking van 12 januari 2012, slechts éénmaal uitvraag is gedaan bij belanghebbende. Daarnaast heeft belanghebbende UHT om uitleg verzocht t.a.v. de eerdere wijzigingen en verlagingen van de KOT over toeslagjaar 2010.

De Commissie overweegt dat aan belanghebbende een compensatie op grond van hardheid is toegekend voor het jaar 2010 met als grondslag een bedrag van
€ 9.784,- (component e), kortgezegd omdat de kinderopvanginstellingen dit bedrag aan KOT te veel hadden ontvangen en dit niet ten goede van belanghebbende is gekomen.  Verder geldt voor het jaar 2010 dat de stopzetting per 1 april 2010 er toe heeft geleid dat de KOT werd bijgesteld van € 19.244,- (beschikking 22 oktober 2010) naar € 4.974,- (beschikking 2 april 2011). Uit het dossier volgt dat op 17 februari 2011 door of namens belanghebbende opdracht is gegeven tot deze stopzetting (productie (nr)). B/T mocht uitgaan van de juistheid van deze melding. De Commissie is daarom van mening dat het hier om een reguliere bijstelling gaat en er geen sprake was van een vooringenomen handeling door B/T.

De overige verlagingen inclusief de nihilstelling over 2010 die belanghebbende ter discussie stelt, bedragen minder dan de grondslag van de reeds toegekende compensatie op grond van hardheid. Daarom zou het vaststellen van een vooringenomen handeling of hardheid in andere zin dan reeds is vastgesteld, niet tot een hogere compensatie over toeslagjaar 2010 en dus niet tot het door belanghebbende beoogde resultaat kunnen leiden. De Commissie laat een verdere bespreking van deze verlagingen daarom achterwege en adviseert UHT om het bezwaar ten aanzien van toeslagjaar 2010 ongegrond te verklaren.

Toeslagjaar 2011
Belanghebbende heeft UHT om een toelichting gevraagd over de verlaging van haar KOT over 2011 bij beschikking van 21 april 2011. Daarnaast stelt belanghebbende ten aanzien van de beschikking van 13 januari 2012 dat B/T de KOT niet had mogen stopzetten per 3 november 2011, enkel op basis van het gegeven dat haar toeslagpartner naar Curaçao was geëmigreerd. 

De Commissie heeft voor wat betreft de beschikking van 21 april 2011 met instemming kennisgenomen van de toelichting die UHT heeft gegeven in haar reactie van 15 april 2026. Deze bijstelling, als gevolg van een urenwijziging, is in overeenstemming met de wet uitgevoerd en kan niet tot compensatie onder de Wht leiden.

Hetzelfde geldt volgens de Commissie voor de beschikking van 13 januari 2012. B/T heeft bij die beschikking uitvoering gegeven aan artikel 1.6 lid 3 Wko (geldend tot 4 maart 2022), dat regelde dat er geen recht op KOT bestond indien de toeslagpartner van een aanvrager buiten de EU of Zwitserland verbleef. Dat de toeslagpartner van belanghebbende per 3 november 2011 op Curaçao woonde kan worden herleid uit productie (nr) en is niet door belanghebbende betwist.
Ook voor deze bijstelling heeft de Commissie daarom geen aanknopingspunt gevonden voor vooringenomen handelen of hardheid.

Tussen partijen is niet in geschil dat B/T vooringenomen heeft gehandeld ten aanzien van de nihilstelling van de KOT over 2011 bij beschikking van 16 mei 2013.

UHT heeft de compensatie beperkt tot de maanden maart tot en met mei 2011, omdat volgens UHT sprake was van evident geen recht op KOT in de maanden januari, februari en juni tot en met november.

UHT voert daarbij aan dat uit de KOI-viewer volgt dat enkel in de periode 15 maart tot en met 31 mei 2011 kinderopvang is afgenomen (producties (nr) t/m (nr)). UHT acht deze informatie betrouwbaar, omdat de startdatum overeenkomt met de startdatum die belanghebbende op 6 april 2011 had doorgegeven (productie (nr)) en omdat beide kinderen in de KOI-viewer vermeld staan.

Belanghebbende heeft hiertegen aangevoerd dat de gegevens uit de KOI-viewer niet leidend mogen zijn voor het vaststellen van de compensatie. 

De Commissie overweegt dat compensatie voor vooringenomen handelen ingevolge artikel 2.1 lid 2 Wht niet wordt toegekend indien de door de aanvrager van KOT geleden schade te wijten is aan ernstige onregelmatigheden die aan hem toerekenbaar zijn. De situatie van evident geen recht op KOT valt onder artikel 2.1 lid 2 Wht. De bewijslast ligt hiervoor bij UHT.

De Commissie volgt UHT in haar standpunt dat de gegevens uit de KOI-viewer betrouwbaar zijn, zowel op grond van het corresponderen met de startdatum in de wijziging van de aanvraag als het feit dat de KOI-viewer gegevens van beide kinderen bevat. De Commissie heeft verder geen aanknopingspunten gevonden op basis waarvan aan de volledigheid van de gegevens uit de KOI-viewer getwijfeld zou moeten worden. Na de melding van 6 april 2011 zijn door belanghebbende geen wijzigingen of gegevens over 2011 meer doorgegeven.

De Commissie is daarom van oordeel dat sprake was van evident geen recht op KOT in januari, februari en juni tot en met november 2011. Volgens het eigen beleid van UHT kan in uitzonderlijke situaties sprake zijn van hardheid.
De Commissie stelt vast dat niet, althans onvoldoende, is gebleken dat belanghebbende in zodanige, voor de toepassing van dit beleid relevante, uitzonderlijke omstandigheden heeft verkeerd.

De Commissie adviseert UHT daarom om de bezwaren ten aanzien van het jaar 2011 ongegrond te verklaren.

Toeslagjaar 2012
Tussen partijen is niet in geschil dat B/T over toeslagjaar 2012 vooringenomen heeft gehandeld, omdat ten onrechte werd aangenomen dat belanghebbende naar het buitenland was verhuisd en om die reden geen recht meer zou hebben op KOT.

In het verlengde van wat de Commissie over toeslagjaar 2011 heeft overwogen, constateert zij, zoals ook door UHT gesteld in haar reactie van 15 april 2026, dat belanghebbende gedurende het jaar 2012 een toeslagpartner had op Curaçao, waarmee belanghebbende op grond van artikel 1.6 lid 3 Wko (geldend tot 4 maart 2022) evident geen recht had op KOT. UHT heeft de compensatie over 2012 daarom terecht en op goede gronden afgewezen. Het bezwaar treft geen doel.

Toeslagjaar 2013
Belanghebbende voert aan dat toeslagjaar 2013 ten onrechte niet is betrokken in de herbeoordeling en dat dit alsnog dient te gebeuren, met name in het licht van hetgeen zij ten aanzien van het jaar 2012 heeft aangevoerd.

De Commissie stelt voorop dat belanghebbende oorspronkelijk heeft verzocht om beoordeling van de toeslagjaren 2007 tot en met 2012. UHT heeft naar aanleiding van de zienswijze in de primaire fase, een onderzoek ingesteld naar het jaar 2013. Daarbij is geconstateerd dat belanghebbende in het jaar 2013 geen KOT heeft aangevraagd, dat aan haar geen KOT is toegekend en dat geen KOT van belanghebbende is teruggevorderd. In de aanvullende beschouwing van UHT van 15 april 2026 is dit standpunt herhaald. De Commissie ziet geen aanleiding om aan deze conclusies te twijfelen.

Als uitgangspunt geldt dat een verzoek om herbeoordeling alle jaren betreft waarin een aanvrager van compensatie kinderopvangtoeslag heeft aangevraagd, althans waarin B/T een besluit daarover heeft gegeven. Hiervan uitgaande is de Commissie van mening dat het nalaten door UHT om het standpunt over 2013 in het primaire besluit expliciet te vermelden omdat geen informatie over aanvraag en/of beschikking over dat jaar voorhanden is, niet tot gevolgen leidt. Het bezwaar is op dit onderdeel ongegrond.

Discriminatie
Van aanwijzingen dat in het geval van belanghebbende sprake is geweest van discriminatie, is de Commissie uit de ter beschikking staande stukken, niet gebleken.

Verrekening
Belanghebbende voert aan dat zij in aanmerking komt voor een compensatie van de schade die zij heeft geleden als gevolg van de verrekeningen van de terug-vorderingen met de nadien toegekende toeslagen (waaronder de toegekende KOT). De Commissie overweegt dat deze verrekeningen onderdeel zijn van de uitvoering die aan de KOT is gegeven. Uit de wetsgeschiedenis van de Wht en de systematiek van de compensatieregeling kan niet worden afgeleid dat de wetgever dergelijke gevallen voor ogen heeft gehad. De wet vermeldt de situatie van verrekening niet expliciet. Bij de bepaling van de hoogte van de compensatie in de artikelen 2.2 en 2.3 Wht wordt aangesloten bij het bedrag van de weigering, terugvordering of stopzetting van KOT die een direct gevolg is van onder andere hardheid. De verrekening van een op zichzelf terechte terugvordering of stopzetting valt daar niet onder. Dat is ook met zoveel woorden te lezen in de memorie van toelichting. Daarin staat: Bij gedupeerden door een onterechte O/GS-kwalificatie waren de terugvorderingen op zichzelf niet onterecht, dus deze worden niet gecompenseerd. Wel krijgen de ouders een financiële tegemoetkoming voor het ondervonden nadeel van 30% van de betreffende terugvorderingen (Kamerstukken II 2021–2022, 36 151, nr. 3, p. 14). Uit de wetsgeschiedenis (de nota naar aanleiding van het eindverslag) blijkt dat de reikwijdte van de hardheidsregeling bewust enigszins beperkt is gehouden en dat eventuele uitbreidingen een nieuwe bewuste afweging van de wetgever vergen (Kamerstukken II 2021-2022, 36 151, nr. 7, p. 14). Gelet hierop adviseert de Commissie dit onderdeel van het bezwaar ongegrond te verklaren.

Toetsing vooraf en artikel 19 Awir
Belanghebbende stelt dat B/T in strijd met het toen geldende artikel 19 van de Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen (Awir) niet (tijdig) definitief heeft beslist over het recht op KOT in de betreffende toeslagjaren. Verder betoogt belanghebbende, onder verwijzing naar de Memorie van Toelichting ten aanzien van artikel 16 Awir, dat B/T een onderzoeksplicht vooraf had, op basis van tastbare gegevens, of aanspraak bestond op KOT voordat een voorschot KOT werd toegekend. Het niet voldoen aan deze onderzoeksplicht komt voor rekening van B/T; terugvordering mag dan niet meer. Voor zover belanghebbende hiermee betoogt dat sprake is van vooringenomen handelen door B/T overweegt de Commissie als volgt. De Commissie meent dat het niet vaststellen van definitieve beschikkingen binnen de termijn van artikel 19 van de Awir geen aanleiding is om vooringenomen handelen aan te nemen. Voor zover moet worden uitgegaan van een onderzoeksplicht voor B/T zoals door belanghebbende is betoogd, geldt hiervoor naar de Commissie meent hetzelfde; het niet hieraan voldoen is geen aanleiding om vooringenomen handelen aan te nemen.

Niet-toegekende KOT
Belanghebbende stelt in algemene zin dat ook dient te worden beoordeeld of de kinderopvangtoeslag destijds op juiste hoogte is vastgesteld.

De Commissie verwijst hier kortheidshalve naar haar overweging onder het kopje ‘Toeslagjaar 2008’.

Overige bezwaren
De Commissie is wat betreft de overige onderdelen van het bezwaar van oordeel dat deze, op zichzelf bezien noch in onderling verband gelezen, tot het door belanghebbende gewenste resultaat kunnen leiden.

Proceskostenvergoeding
Nu de Commissie niet adviseert het primaire besluit te herroepen, is er geen aanleiding een vergoeding van de proceskosten toe te kennen.

Conclusie

Samengevat adviseert de Commissie om het bezwaar ongegrond te verklaren.

[handtekening]

Secretaris

[handtekening]

Fungerend voorzitter