Ga direct naar de inhoud Ga direct naar de filters Ga direct naar de footer

BAC 2025-16534

Advies van de Bezwaarschriftenadviescommissie hersteloperatie toeslagen

Aan: Belastingdienst/Uitvoeringsorganisatie Herstel Toeslagen (hierna: UHT)

Betreft: het bezwaarschrift van belanghebbende

Primair besluit: 29 januari 2024 (UHT-DCHOA)

Hoorzitting: 21 april 2026

Overdracht advies aan UHT:  24 april 2026

Samenvatting

De Bezwaarschriftenadviescommissie (hierna: de Commissie) adviseert UHT om het bezwaar ongegrond te verklaren en om het verzoek om proceskosten-vergoeding af te wijzen.

Onderwerp van advies

Het door de gemachtigde namens belanghebbende ingediende bezwaarschrift is gericht tegen de door UHT genomen definitieve beschikking beoordeling kinderopvangtoeslag van 29 januari 2024 met kenmerk (UHT-DCHOA).

Aan belanghebbende is met toepassing van de Wet hersteloperatie toeslagen (hierna: Wht) geen compensatie toegekend voor de toeslagjaren 2017 en 2019.

Procesverloop

  • Belanghebbende heeft op 20 juli 2021 verzocht om een herbeoordeling van de kinderopvangtoeslag (hierna: KOT) over de jaren 2016 tot en met 2020.
  • UHT heeft bij besluit van 14 maart 2022 (UHT-CHR- GU) aan belanghebbende medegedeeld dat zij niet in aanmerking komt voor een betaling van €30.000.
  • De Commissie van Wijzen (hierna: CvW) heeft haar beoordeling van het verzoek van belanghebbende op 22 januari 2024 aan UHT toegestuurd. De CvW heeft geadviseerd dat gedurende de betrokken jaren geen sprake is geweest van institutionele vooringenomenheid of bijzondere omstandigheden.
  • UHT heeft bij bestreden besluit van 29 januari 2024 (UHT-DCHOA) aan belanghebbende medegedeeld dat zij geen recht heeft op compensatie voor de jaren 2017 en 2019.
  • Gemachtigde heeft bij brief van 1 maart 2024 tegen dit besluit een bezwaarschrift ingediend.
  • Gemachtigde heeft bij brieven van 13 augustus 2024 en 24 februari 2026 aanvullende bezwaargronden ingediend.
  • UHT heeft op 7 april 2025 en 24 maart 2026 schriftelijk gereageerd op het bezwaarschrift.
  • Op 21 april 2026 heeft een hoorzitting plaatsgevonden. Van de hoorzitting is een verslag gemaakt, dat achter het advies is gevoegd.
  • Dit advies wordt uitgebracht door de voorzitter en twee commissieleden.

Ontvankelijkheid

Niet in geschil is dat het bezwaar ontvankelijk is.

Overwegingen ten aanzien van de bezwaren en het bestreden besluit

Ontbrekende stukken/volledige dossier/equality of arms
Belanghebbende stelt dat zonder het volledige persoonlijke dossier niet kan worden beoordeeld of alle relevante stukken aanwezig zijn.

De Commissie volgt dit standpunt niet. De schriftelijke reactie van UHT en de op de zaak betrekking hebbende stukken zijn aan gemachtigde toegezonden. De Commissie heeft geen aanknopingspunten gevonden om aan te nemen dat hier niet is voldaan aan de in artikel 7:4 lid 2 Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) neergelegde verplichting om alle op de zaak betrekking hebbende stukken ter inzage te leggen. De Commissie adviseert UHT daarom om dit onderdeel van het bezwaar ongegrond te verklaren.

Zorgvuldigheids- en motiveringsbeginsel
Belanghebbende betoogt dat het bestreden besluit onvoldoende zorgvuldig tot stand is gekomen.

Voor zover sprake is van een onzorgvuldige voorbereiding van het bestreden besluit, kan dit gebrek naar het oordeel van de Commissie in de beslissing op bezwaar door UHT worden hersteld aan de hand van wat daarover in de beschouwing is opgemerkt. Op dit punt treft het bezwaar geen doel.

Beslagvrije voet
Belanghebbende heeft gesteld dat de Belastingdienst/Toeslagen (hierna: B/T) bij de terugvorderingen geen rekening heeft gehouden met de beslagvrije voet, terwijl daar wel gegevens over voorhanden waren bij B/T. Daarom is in haar ogen sprake van hardheid bij de toepassing van het toeslagenstelsel door B/T.

De Commissie merkt op dat de algemene stellingname dat geen rekening is gehouden met de beslagvrije voet onvoldoende is om hardheid van het stelsel aan te nemen. Daarnaast heeft de Commissie geen aanknopingspunten gevonden die de stellingname van belanghebbende onderschrijven.

Uit de wetsgeschiedenis van de Wht en de systematiek van de compensatie-regeling kan bovendien niet worden afgeleid dat de wetgever bij hardheid situaties van verrekening voor ogen heeft gehad. Die situatie wordt immers niet expliciet door de wetgever genoemd. Bij de bepaling van de hoogte van de compensatie in de artikelen 2.2 en 2.3 Wht wordt voorts aangesloten bij het bedrag van de weigering, terugvordering of stopzetting van KOT die een direct gevolg is van onder andere hardheid. De verrekening van een op zichzelf terechte terugvordering of stopzetting valt daar niet onder. Dat is verder ook met zoveel woorden terug te lezen in de memorie van toelichting. Daarin staat: Bij gedupeerden door een onterechte O/GS-kwalificatie waren de terugvorderingen op zichzelf niet onterecht, dus deze worden niet gecompenseerd. Wel krijgen de ouders een financiële tegemoetkoming voor het ondervonden nadeel van 30% van de betreffende terugvorderingen (Kamerstukken II 2021–2022, 36 151, nr. 3, p. 14). Daar komt bij dat in de wetsgeschiedenis, namelijk in de nota naar aanleiding van het verslag, wordt opgemerkt dat de reikwijdte van de hardheidsregeling bewust enigszins beperkt is gehouden en dat eventuele uitbreidingen een nieuwe bewuste afweging van de wetgever vergen (Kamerstukken II 2021-2022, 36 151, nr. 7,
p. 14). De Commissie acht het bezwaar op dit punt daarom ongegrond.

Niet beoordeelde jaren
Belanghebbende stelt zich op het standpunt dat onduidelijk is waarom de toeslagjaren 2013 tot en met 2016 en 2018 niet zijn meegenomen in de herbeoordeling. 

De Commissie stelt vast dat het verzoek om herbeoordeling van belanghebbende weliswaar zag op 2016 tot en met 2020. Volgens UHT blijkt uit het gesprek met de Persoonlijk zaaksbehandelaar (PZB) niet dat de toeslagjaren 2013 tot en met 2016 en 2018 behandeld moest worden (productie 0300001). Daarnaast blijkt volgens UHT dat voor toeslagjaren 2013 tot en met 2016 en 2018 geen aanvraag kinderopvangtoeslag in de systemen van B/T bekend is (productie 0900001).

In dat licht kan niet worden geconcludeerd dat UHT thans ten onrechte nagelaten heeft de toeslagjaren 2013 tot en met 2016 en 2018 in de herbeoordeling te betrekken en dat om die reden de bestreden beschikking met kenmerk UHT-DCHOA moet worden herroepen.

Belanghebbende heeft echter in bezwaar aangevoerd dat deze jaren alsnog beoordeeld dienen te worden. UHT heeft het verzoek in behandeling genomen en zal belanghebbende hier nader over berichten.

Indien deze herbeoordeling niet leidt tot een voor belanghebbende bevredigend besluit, dan kan zij tegen die beschikking een nieuw bezwaarschrift indienen.

Geen compensatie 2017 en 2019
Belanghebbende heeft aangevoerd dat zij wel recht heeft op compensatie over 2017 en 2019. Tijdens de hoorzitting heeft zij aangegeven zich ten aanzien van 2019  te kunnen vinden in de beschouwing van UHT.

De Commissie overweegt dat niet aannemelijk is geworden dat bij de toekenning, aanpassing of terugvordering van de KOT over het toeslagjaar 2017 sprake is geweest van institutioneel vooringenomen handelen door de B/T dan wel hardheid van het stelsel als bedoeld in de Wht. De (hoogte van de) terugvorderingen KOT zijn door UHT in de (nadere) schriftelijke reacties nader onderbouwd en deze komen voort uit reguliere wijzigingen, waaronder de stopzetting door belanghebbende. Voor wat betreft de toeslagpartner (waarvan belanghebbende aangeeft deze persoon niet te kennen), heeft UHT tijdens de hoorzitting nader toegelicht dat deze persoon geen invloed heeft gehad op het dossier van belanghebbende.

De bijstellingen zijn daarmee conform de wet uitgevoerd. Dergelijke bijstellingen geven, gelet op artikel 2.1, lid 1, onder b Wht, in beginsel geen aanspraak op een zogenoemde hardheidstegemoetkoming.

Belanghebbende komt voor 2017 niet in aanmerking voor compensatie op grond van de Wht. De Commissie adviseert UHT daarom om dit onderdeel van het bezwaar ongegrond te verklaren.

Vergoeding proceskosten
Met betrekking tot de kosten van de rechtsbijstand in deze bezwaarprocedure geldt dat, nu het bezwaar in de visie van de Commissie ongegrond is, de belanghebbende geen recht heeft op vergoeding.

Conclusie

Samengevat adviseert de Commissie om het bezwaar ongegrond te verklaren en om het verzoek om proceskostenvergoeding af te wijzen.

[handtekening]

Secretaris

[handtekening]

Fungerend voorzitter