Ga direct naar de inhoud Ga direct naar de filters Ga direct naar de footer

BAC 2025-16504

Advies van de Bezwaarschriftenadviescommissie hersteloperatie toeslagen

Aan: Belastingdienst/Uitvoeringsorganisatie Herstel Toeslagen (hierna: UHT)

Betreft: het bezwaarschrift van belanghebbende

Primair besluit: 11 april 2024 (UHT-DCHOA)

Hoorzitting: 10 februari 2026

Overdracht advies aan UHT: 30 maart 2026

Samenvatting

De Bezwaarschriftenadviescommissie (hierna: de Commissie) adviseert UHT om het bezwaar ongegrond te verklaren.

Onderwerp van advies

Het door de gemachtigde namens belanghebbende ingediende bezwaarschrift is gericht tegen de door UHT genomen definitieve beschikking compensatie kinderopvangtoeslag van 11 april 2024 (UHT- DCHOA).

Aan belanghebbende is met toepassing van de Wet hersteloperatie toeslagen (hierna: Wht) geen compensatie toegekend voor de jaren 2011 tot en met 2019.

Procesverloop

  • Belanghebbende heeft op 27 mei 2021 verzocht om een herbeoordeling van de kinderopvangtoeslag (hierna: KOT) over de jaren 2012 tot en met 2014. In overleg met belanghebbende is deze periode uitgebreid naar de jaren 2011 tot en met 2019.
  • UHT heeft bij besluit van 7 maart 2020 aan belanghebbende medegedeeld dat zij niet in aanmerking komt voor een betaling van € 30.000, als bedoeld in de Catshuisregeling.
  • De Commissie van Wijzen (hierna: CvW) heeft haar beoordeling van het verzoek van belanghebbende op 19 maart 2024 aan UHT toegestuurd. De CvW heeft geadviseerd dat gedurende de betrokken jaren geen sprake is geweest van institutionele vooringenomenheid of bijzondere omstandigheden.
  • UHT heeft bij bestreden besluit van 11 april 2024 aan belanghebbende medegedeeld dat zij geen recht heeft op compensatie voor de jaren 2011 tot en met 2019.
  • Gemachtigde heeft bij brief van 3 mei 2024 tegen dit besluit een bezwaarschrift ingediend.
  • UHT heeft op 2 september 2025 schriftelijk gereageerd op het bezwaarschrift.
  • Op 10 februari 2026 heeft een hoorzitting plaatsgevonden. Van de hoorzitting is een verslag gemaakt, dat achter het advies is gevoegd.
  • UHT heeft, daartoe door de Commissie ter zitting verzocht, op 4 maart 2026 een nadere schriftelijke reactie ingediend. Gemachtigde heeft daar niet op gereageerd.
  • Dit advies wordt uitgebracht door de voorzitter en 2 commissieleden.

Ontvankelijkheid

Niet in geschil is dat het bezwaar ontvankelijk is.

Overwegingen ten aanzien van de bezwaren en het bestreden besluit

Ontbrekende stukken/volledige dossier/equality of arms
Belanghebbende stelt dat zonder het volledige persoonlijke dossier niet kan worden beoordeeld of alle relevante stukken aanwezig zijn. De Commissie volgt dit standpunt niet. De schriftelijke reactie van UHT en de op de zaak betrekking hebbende stukken zijn aan gemachtigde toegezonden. De Commissie heeft geen aanknopingspunten gevonden om aan te nemen dat hier niet is voldaan aan de in artikel 7:4 lid 2 Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) neergelegde verplichting om alle op de zaak betrekking hebbende stukken ter inzage te leggen. De Commissie adviseert UHT daarom om dit onderdeel van het bezwaar ongegrond te verklaren.

Zorgvuldigheids- en motiveringsbeginsel
Belanghebbende betoogt dat het bestreden besluit onvoldoende zorgvuldig tot stand is gekomen. Voor zover sprake is van een onzorgvuldige voorbereiding van het bestreden besluit, kan dit gebrek naar het oordeel van de Commissie in de beslissing op bezwaar door UHT worden hersteld aan de hand van wat daarover in de beschouwing is opgemerkt. Op dit punt treft het bezwaar geen doel.

Bekendmaking besluit
Belanghebbende stelt dat het besluit niet op de juiste wijze bekend is gemaakt. UHT heeft in de beschouwing aangegeven dat het besluit van 11 april 2024 ook op die datum aan gemachtigde is toegezonden. De Commissie heeft geen reden om hieraan te twijfelen. De Commissie adviseert UHT om het bezwaar op dit punt ongegrond te verklaren.

Beslagvrije voet
Belanghebbende heeft gesteld dat de Belastingdienst/Toeslagen (hierna: B/T) bij de terugvorderingen geen rekening heeft gehouden met de beslagvrije voet, terwijl daar wel gegevens over voorhanden waren bij B/T. Daarom is in haar ogen sprake van hardheid bij de toepassing van het toeslagenstelsel door B/T. De Commissie merkt op dat de algemene stellingname dat geen rekening is gehouden met de beslagvrije voet, onvoldoende is om hardheid van het stelsel aan te nemen. Daarnaast heeft de Commissie geen aanknopingspunten gevonden die de stellingname van belanghebbende onderschrijven.

Uit de wetsgeschiedenis van de Wht en de systematiek van de compensatie-regeling kan bovendien niet worden afgeleid dat de wetgever bij hardheid situaties van verrekening voor ogen heeft gehad. Die situatie wordt immers niet expliciet door de wetgever genoemd. Bij de bepaling van de hoogte van de compensatie in de artikelen 2.2 en 2.3 Wht wordt voorts aangesloten bij het bedrag van de weigering, terugvordering of stopzetting van KOT die een direct gevolg is van onder andere hardheid. De verrekening van een op zichzelf terechte terugvordering of stopzetting valt daar niet onder. Dat is verder ook met zoveel woorden terug te lezen in de memorie van toelichting.
Daarin staat: Bij gedupeerden door een onterechte O/GS-kwalificatie waren de terugvorderingen op zichzelf niet onterecht, dus deze worden niet gecompenseerd. Wel krijgen de ouders een financiële tegemoetkoming voor het ondervonden nadeel van 30% van de betreffende terugvorderingen (Kamerstukken II 2021–2022, 36 151, nr. 3, p. 14). Daar komt bij dat in de wetsgeschiedenis, namelijk in de nota naar aanleiding van het verslag, wordt opgemerkt dat de reikwijdte van de hardheidsregeling bewust enigszins beperkt is gehouden en dat eventuele uitbreidingen een nieuwe bewuste afweging van de wetgever vergen (Kamerstukken II 2021-2022, 36 151, nr. 7, p. 14).
De Commissie acht het bezwaar op dit punt daarom ongegrond.

Afwijzing compensatie
De Commissie heeft geen aanknopingspunten gevonden om te kunnen adviseren dat de B/T bij de toekenning, aanpassing of terugvordering van de KOT over de toeslagjaren 2011 tot en met 2019 institutioneel vooringenomen heeft gehandeld of dat het stelsel te hard heeft uitgewerkt. De terugvorderingen KOT over deze toeslagjaren waren gebaseerd op de vaststelling dat een te hoog voorschot was toegekend. De voorschotten over deze jaren zijn na reguliere wijzigingen opnieuw berekend. De KOT over het toeslagjaar 2014 verlaagd op basis van informatie die de B/T had ontvangen van de immigratie- en naturalisatiedienst (hierna: IND). Uit deze informatie volgde dat de partner van belanghebbende niet beschikte over een geldige verblijfstitel. Hierdoor bestond er geen recht op de KOT. De Commissie overweegt dat de B/T mocht vertrouwen op de informatie uit de Gemeentelijke Basisadministratie persoonsgegevens (GBA) en de gegevens van de IND bij het bepalen van de hoogte van de KOT. Dit duidt daarom niet op vooringenomen handelen door de B/T.

Voor 2013 heeft UHT tijdens de hoorzitting aangegeven dat er – in tegenstelling tot wat in de beschouwing staat, wel sprake was van vooringenomen handelen, maar dat niet zal worden overgegaan tot compensatie omdat de verlaging terecht was geweest. UHT mocht uitgaan van de gegevens van het UWV/de UWV viewer. In de nadere schriftelijke reactie gaat UHT hier uitgebreid op in. De Commissie kan zich vinden in deze uitleg en verwijst voor de inhoud hiervan naar de nadere schriftelijke reactie van UHT.

De bijstellingen over bovengenoemde toeslagjaren zijn in overeenstemming met de wet uitgevoerd. Dergelijke bijstellingen geven in beginsel ook geen aanspraak op een zogenoemde hardheidstegemoetkoming. Er was ook geen sprake ven een onterechte kwalificatie opzet/grove schuld (O/GS), zodat er ook geen aanspraak is op een daarop gebaseerde vergoeding. De Commissie adviseert UHT daarom om het bezwaar ongegrond te verklaren.

Vergoeding proceskosten
Met betrekking tot de kosten van de rechtsbijstand in deze bezwaarprocedure geldt dat, nu het bezwaar in de visie van de Commissie ongegrond is, de belang-hebbende geen recht heeft op vergoeding.

Conclusie

Samengevat adviseert de Commissie om het bezwaar ongegrond te verklaren en om het verzoek om proceskostenvergoeding af te wijzen.

[handtekening]

Secretaris

[handtekening]

Fungerend voorzitter