Ga direct naar de inhoud Ga direct naar de filters Ga direct naar de footer

BAC 2025-16500

Advies van de Bezwaarschriftenadviescommissie hersteloperatie toeslagen

Aan: Belastingdienst/Uitvoeringsorganisatie Herstel Toeslagen (hierna: UHT)

Betreft: het bezwaarschrift van belanghebbende

Primair besluit: 8 december 2023 (UHT-DCHOA)

Overdracht advies aan UHT: 22 mei 2026

Samenvatting

De Bezwaarschriftenadviescommissie (hierna: de Commissie) adviseert UHT om het bezwaar ongegrond te verklaren.

Onderwerp van advies

Het door gemachtigde namens belanghebbende ingediende bezwaarschrift is gericht tegen de door UHT genomen definitieve beschikking compensatie kinderopvangtoeslag van 8 december 2023 (UHT-DCHOA). Deze beschikking wordt hierna aangeduid als het bestreden besluit.

Aan belanghebbende is met toepassing van de Wet hersteloperatie toeslagen (hierna: Wht) geen compensatie toegekend voor de jaren 2011 tot en met 2019.

Procesverloop

  • Belanghebbende heeft op 27 juni 2022 verzocht om een herbeoordeling van de kinderopvangtoeslag (hierna: KOT) over de jaren 2011 tot en met 2019.
  • UHT heeft bij beschikking van 14 december 2022 aan belanghebbende medegedeeld dat zij niet in aanmerking komt voor een betaling van € 30.000,-.
  • UHT heeft bij het bestreden besluit (de uitkomst van de integrale beoordeling) aan belanghebbende meegedeeld dat zij geen recht heeft op compensatie.
  • Gemachtigde heeft bij brief van 18 januari 2024 tegen dit besluit een bezwaarschrift ingediend.
  • Gemachtigde heeft bij brief van 17 oktober 2024 het bezwaarschrift aangevuld.
  • UHT heeft op 27 februari 2025 schriftelijk gereageerd op het bezwaarschrift.
  • Per e-mail van 12 maart 2026 heeft UHT aan de Commissie en belanghebbende bericht dat uit de op de zaak betrekking hebbende stukken lijkt te volgen dat zij nooit KOT heeft aangevraagd en dat ten opzichte van haar ook nooit KOT is toegekend, teruggevorderd of verrekend. In deze e-mail heeft UHT aan belanghebbende verzocht om af te zien van een hoorzitting.
  • Gemachtigde heeft bij e-mail van 18 maart 2026 gereageerd en bevestigd dat belanghebbende ervan afziet te worden gehoord op het bezwaar en instemt met een advies op basis van de stukken in het dossier.
  • De Commissie heeft op grond van artikel 7:3, onder c en d, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) afgezien van het horen van belanghebbende en adviseert op basis van de aan haar bekende stukken.
  • Dit advies wordt uitgebracht door de voorzitter en twee commissieleden.

Ontvankelijkheid

Niet in geschil is dat het bezwaar ontvankelijk is.

Overwegingen ten aanzien van de bezwaren en het bestreden besluit

De Commissie ziet zich gesteld voor de vraag of UHT terecht en op goede gronden is gekomen tot haar beslissing om het verzoek van belanghebbende om compensatie of tegemoetkoming af te wijzen.

Op de zaak betrekking hebbende stukken
De Commissie stelt vast dat aan belanghebbende de op de zaak betrekking hebbende stukken zijn verstrekt. Daarmee is voldaan is aan de in artikel 7:4 lid 2 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) neergelegde verplichting van het bestuursorgaan om alle op de zaak betrekking hebbende stukken ter inzage te leggen. UHT heeft schriftelijk gereageerd op het bezwaarschrift. Hierdoor hebben gemachtigde en belanghebbende kennis kunnen nemen van de stukken die ten grondslag liggen aan het bestreden besluit en gelegenheid gehad om daarop te reageren. De Commissie ziet in de concrete stellingen van belanghebbende en UHT geen aanleiding om aan te nemen dat in het beschikbaar gestelde dossier stukken zouden ontbreken die van enig belang zouden kunnen zijn geweest bij het door UHT genomen besluit.

Toets artikel 2.1 lid 1 Wht
Op grond van artikel 2.1 lid 1 van de Wht kan aan een aanvrager van KOT compensatie worden toegekend als die aanvrager schade heeft geleden doordat de Belastingdienst/Toeslagen (hierna: B/T) institutioneel vooringenomen heeft gehandeld of als de hardheid van de toepassing van de wetten en regels heeft geleid tot onbillijkheden van overwegende aard.

De Commissie constateert dat uit de op de zaak betrekking hebbende stukken, waaronder de systemen van de B/T, niet blijkt dat belanghebbende KOT heeft aangevraagd. Er zijn geen aanvragen gevonden, geen relevante (telefoon)notities of andere documenten die betrekking hebben op de KOT. Belanghebbende heeft daar onvoldoende tegenovergesteld.

De door belanghebbende overgelegde KOT-berekeningen voor de toeslagjaren 2018 en 2019 gaan over toeslagen aangevraagd door de toeslagpartner van belanghebbende en wijzen er juist op dat belanghebbende zelf voor deze toeslagjaren geen KOT heeft aangevraagd.

De Commissie wijst in dit kader op de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 25 september 2024, ECLI:NL:RBROT:2024:9426. Uit die uitspraak volgt dat de “bewijslast” voor het recht op compensatie bij de aanvrager van de compensatie ligt. De enkele stelling dat KOT is aangevraagd is onvoldoende; belanghebbende moet aannemelijk maken dat KOT is aangevraagd.

Aannemelijk maken betekent dat belanghebbende aan de hand van verklaringen en stukken duidelijk moet maken dat zijn of haar stellingen juist zijn. Dit betekent niet dat van belanghebbende wordt gevergd alle ingenomen stellingen te bewijzen met objectief verifieerbare bewijsstukken, maar wel dat de stellingen van belanghebbende worden ondersteund door of passen bij de overige beschikbare informatie. De Commissie stelt vast dat belanghebbende daarvoor onvoldoende heeft aangevoerd en daarom niet aannemelijk heeft gemaakt dat er aanvragen voor KOT zijn gedaan. Verder volgt uit de op de zaak betrekking hebbende stukken niet dat aan belanghebbende ooit KOT is toegekend of dat KOT van belang-hebbende is teruggevorderd of is verrekend met andere toeslagen. Belanghebbende heeft daarom evident geen recht op toepassing van een herstelmaatregel als bedoeld in de Wht. Het bezwaarschrift kan er dus niet toe leiden dat belanghebbende alsnog in aanmerking komt voor compensatie op grond van de Wht. De Commissie merkt op de Wht uitsluitend betrekking heeft op aan KOT te relateren gebeurtenissen: dit sluit niet uit dat belanghebbende andere, met het toeslagenstelsel samenhangende problemen heeft ondervonden. Deze vallen echter buiten de reikwijdte van deze bezwaarprocedure. 

Overige bezwaren
De Commissie is wat betreft de overige onderdelen van het bezwaar van oordeel dat deze, op zichzelf bezien noch in onderling verband gelezen, tot het door belanghebbende gewenste resultaat kunnen leiden.

Proceskosten
Het bezwaar is naar opvatting van de Commissie (kennelijk) ongegrond. Er is geen aanleiding voor herroeping van het bij bezwaar bestreden besluit. De Commissie ziet, gelet op artikel 7:15 lid 2 Awb, geen aanleiding om UHT te adviseren een proceskostenvergoeding toe te kennen.

Conclusie

De Commissie adviseert UHT het bezwaar ongegrond te verklaren en het verzoek om een proceskostenvergoeding af te wijzen.

[handtekening]

Secretaris

[handtekening]

Fungerend voorzitter