Ga direct naar de inhoud Ga direct naar de filters Ga direct naar de footer

BAC 2025-16487

Advies van de Bezwaarschriftenadviescommissie hersteloperatie toeslagen

Aan: Belastingdienst/Uitvoeringsorganisatie Herstel Toeslagen (hierna: UHT)

Betreft: het bezwaarschrift van belanghebbende

Primair besluit: 28 augustus 2024 (UHT-DCHOA)

Hoorzitting: 14 april 2026

Overdracht advies aan UHT: 6 mei 2026

Samenvatting

De Bezwaarschriftenadviescommissie (hierna: de Commissie) adviseert UHT om het bezwaar ongegrond te verklaren en een proceskostenvergoeding af te wijzen.

Onderwerp van advies

Het door de gemachtigde namens belanghebbende ingediende bezwaarschrift is gericht tegen de door UHT op 28 augustus 2024 genomen definitieve beschikking kinderopvangtoeslag met kenmerk UHT-DCHOA.

Aan belanghebbende is met toepassing van de Wet hersteloperatie toeslagen (hierna: Wht) geen compensatie toegekend.

Procesverloop

  • Op 30 september 2021 heeft belanghebbende verzocht om herbeoordeling van de kinderopvangtoeslag (hierna: KOT) voor de toeslagjaren 2015 tot en met 2019. In overleg met belanghebbende ziet de herbeoordeling op de toeslagjaren 2012 tot en met 2019.
  • Op 28 februari 2022 heeft UHT aangegeven dat het op basis van de eerste lichte toets vooralsnog geen reden ziet voor een betaling van € 30.000 op grond van de Catshuisregeling.
  • Op 22 mei 2024 heeft UHT als vooraankondiging aangegeven dat belanghebbende niet in aanmerking komt voor de herstelregelingen.
  • Op 2 juli 2024 heeft belanghebbende een zienswijze ingediend.
  • Op 19 augustus 2024 heeft de Commissie van Wijzen geoordeeld dat de compensatieregeling niet van toepassing is op de toeslagjaren 2012 tot en met 2019.
  • Op 28 augustus 2024 heeft UHT besloten dat belanghebbende geen recht heeft op compensatie.
  • Op 9 december 2024 heeft gemachtigde een bezwaarschrift ingediend.
  • Op 16 september 2025 heeft UHT een schriftelijke beschouwing ingediend.
  • Op 14 april 2026 heeft een hoorzitting plaatsgevonden. Het hoorverslag is bij dit advies gevoegd.
  • Dit advies wordt uitgebracht door de voorzitter en twee commissieleden.

Ontvankelijkheid

Niet in geschil is dat het bezwaar ontvankelijk is.

Overwegingen ten aanzien van de bezwaren en het bestreden besluit

De Commissie ziet zich gesteld voor de vraag of UHT terecht en op goede gronden is gekomen tot haar beslissing om het verzoek van belanghebbende om compensatie of tegemoetkoming af te wijzen.

Afgewezen toeslagjaren
De Commissie overweegt als volgt. Voor compensatie komt volgens de Wht, kortweg, in aanmerking de ouder waarvan aannemelijk is dat de vaststelling van zijn of haar aanspraak op KOT in enig jaar onderdeel is geweest van hardheid of van een institutioneel vooringenomen handelwijze van de Belastingdienst/ Toeslagen (hierna: B/T).

In het bestreden besluit, de schriftelijke beschouwing en het informatie- en beoordelingsformulier is voor alle toeslagjaren uitgebreid beschreven welke neerwaartse en opwaartse wijzigingen in KOT hebben plaatsgevonden. Tijdens de hoorzitting heeft UHT de wijzigingen mondeling toegelicht. Het betreft alle reguliere correcties die zijn gebaseerd op door belanghebbende dan wel de opvangorganisatie doorgegeven wijzigingen in het aantal opvanguren en wijzigingen in de hoogte van het toetsingsinkomen. De beschreven wijzigingen worden ondersteund door de stukken in het ouderdossier.

Gelet op vorenstaande is er naar het oordeel van de Commissie geen reden het standpunt van UHT onjuist te achten. De Commissie heeft geen aanknopings-punten kunnen vinden om te adviseren dat B/T bij de toekenning, aanpassing of terugvordering van KOT, institutioneel vooringenomen heeft gehandeld of dat het stelsel te hard heeft uitgewerkt. De voorschotten zijn door reguliere wijzigingen opnieuw berekend en uitgevoerd. Het is inherent aan het systeem van toeslagen dat, zolang het recht op toeslag nog niet definitief is vastgesteld, B/T door tussentijdse wijzingen in het inkomen of in het aantal opvanguren, het voorschot KOT kan aanpassen. Deze systematiek maakt niet dat dat de terugvordering van het teveel uitbetaalde voorschot ten onrechte is teruggevorderd. Hoewel de Commissie begrip heeft voor de moeilijke periode die belanghebbende heeft doorgemaakt, heeft zij wat betreft de KOT geen aanknopingspunten gevonden om hier in het geval van belanghebbende anders over te oordelen.

Met de door UHT in bezwaar ingediende beschouwing en overgelegde stukken, waaronder de overzichten van het Landelijke Incasso Centrum (hierna: LIC) en de overige producties, is de beschikking van UHT voldoende gemotiveerd.
De Commissie adviseert het bezwaar ongegrond te verklaren.

Ten aanzien van de stelling van belanghebbende dat zij nooit een reactie heeft gekregen op haar verzoek om een persoonlijke betalingsregeling, merkt de Commissie op dat uit de LIC-overzichten blijkt dat naast (vooral) verrekeningen met de bevoorschotting binnen de betreffende toeslagjaren juist sprake is van periodieke terugbetalingen door belanghebbende. Het feitelijke karakter daarvan wijst op aanvaarding door B/T van een betaling in voor belanghebbende behapbare termijnen.

Ten aanzien van de (definitieve) beschikking met betrekking tot toeslagjaar 2019 welke is gedateerd na 23 oktober 2019, overweegt de Commissie dat deze handeling zich afspeelt na de periode waarop de Wht betrekking heeft. Nu niet is gebleken dat de handelingen door B/T van vóór 23 oktober 2019 uiting geven van vooringenomen handelen, is de Commissie van oordeel dat het niet binnen haar bevoegdheid valt om hierover te adviseren.

Proceskostenvergoeding
Nu de Commissie het bezwaar ongegrond acht, is er geen aanleiding voor een proceskostenvergoeding.

Conclusie

Samengevat adviseert de Commissie om het bezwaar ongegrond te verklaren en het verzoek om proceskostenvergoeding af te wijzen.

[handtekening]

Secretaris

[handtekening]

Fungerend voorzitter