BAC 2025-16459
Publicatiedatum 28-05-2026
Advies van de Bezwaarschriftenadviescommissie hersteloperatie toeslagen
Aan: Belastingdienst/Uitvoeringsorganisatie Herstel Toeslagen (hierna: UHT)
Betreft: het bezwaarschrift van belanghebbende
Primair besluit: 20 december 2023 met kenmerk UHT-DCHO
Hoorzitting: 17 februari 2026
Overdracht advies aan UHT: 8 april 2026
Samenvatting
De Bezwaarschriftenadviescommissie (hierna: de Commissie) adviseert UHT om het bezwaar gedeeltelijk gegrond te verklaren en het verzoek om een proceskostenvergoeding toe te wijzen.
Onderwerp van advies
Het door gemachtigde namens belanghebbende ingediende bezwaarschrift is gericht tegen de door UHT genomen definitieve beschikking herbeoordeling kinderopvangtoeslag van 20 december 2023 met kenmerk UHT-DCHO.
Aan belanghebbende is met toepassing van de Wet hersteloperatie toeslagen (hierna: Wht) compensatie toegekend voor een bedrag van € 4.031 voor toeslagjaar 2014. Op grond van de Catshuisregeling heeft belanghebbende een bedrag van € 30.000 toegekend gekregen. Voor de jaren 2013 en 2015 is geen compensatie toegekend.
Procesverloop
- Belanghebbende heeft op 21 januari 2021 verzocht om een herbeoordeling van de kinderopvangtoeslag (hierna: KOT) over de jaren 2013 tot en met 2015.
- UHT heeft bij besluit van 30 april 2021 aan belanghebbende medegedeeld dat zij niet in aanmerking komt voor een betaling van € 30.000.
- De Commissie van Wijzen (hierna: CvW) heeft haar beoordeling van het verzoek van belanghebbende op 12 oktober 2023 aan UHT toegestuurd. De CvW heeft geadviseerd dat gedurende de jaren 2013 en 2015 geen sprake is geweest van institutionele vooringenomenheid of bijzondere omstandigheden. Voor toeslagjaar 2014 is de compensatieregeling wel van toepassing.
- UHT heeft bij vooraankondiging van 9 november 2023 het compensatiebedrag voor toeslagjaar 2014 vastgesteld op € 2.330. Op grond van de Catshuisregeling wordt dit bedrag aangevuld tot € 30.000. Belanghebbende wordt niet gecompenseerd voor de jaren 2013 en 2015.
- UHT heeft bij beschikking van 20 december 2023, met kenmerk UHT-DCHO (hierna: de bestreden beschikking), aan belanghebbende geen compensatie toegekend voor de toeslagjaren 2013 en 2015. Voor toeslagjaar 2014 is het compensatiebedrag vastgesteld op € 4.031.
- De gemachtigde heeft bij brief van 15 januari 2024 tegen de bestreden beschikking een bezwaarschrift ingediend.
- UHT heeft op 4 september 2025 schriftelijk gereageerd op het bezwaarschrift.
- De gemachtigde heeft bij brief van 2 februari 2026 het bezwaar aangevuld.
- Op 17 februari 2026 heeft een hoorzitting plaatsgevonden. Van de hoorzitting is een verslag gemaakt, dat achter het advies is gevoegd.
- UHT heeft op 10 maart 2026 een aanvullende beschouwing ingebracht.
- De gemachtigde heeft op 11 maart 2026 per e-mail gereageerd.
- Dit advies wordt uitgebracht door de voorzitter en twee commissieleden.
Ontvankelijkheid en algemene opmerkingen
Niet in geschil is dat het bezwaarschrift ontvankelijk is.
Overwegingen ten aanzien van de bezwaren en het bestreden besluit
Geen volledig bezwaardossier
Belanghebbende voert in bezwaar aan dat zij niet beschikt over alle benodigde informatie om de bestreden beschikking te kunnen controleren, omdat zij niet het volledige bezwaardossier heeft ontvangen.
De Commissie volgt dit standpunt van belanghebbende niet. De schriftelijke beschouwing en de daaraan ten grondslag liggende stukken zijn op 31 december 2025 aan belanghebbende toegezonden.
De Commissie stelt voorts vast dat de aanvullende beschouwing van 10 maart 2026 aan de gemachtigde is toegezonden.
De Commissie is van oordeel dat UHT met het toezenden van het ouderdossier en de beschouwingen heeft voldaan aan haar verplichting op grond van artikel 7:4, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) om alle op de zaak betrekking hebbende stukken ter inzage te leggen.
De Commissie ziet zich vervolgens gesteld voor de vraag of UHT de toegekende compensatie voor het toeslagjaar 2014 op de juiste wijze heeft berekend.
Toeslagjaar 2014
Vergoeding voor juridische hulp
Belanghebbende voert aan dat de vergoeding voor juridische kosten onjuist is berekend. In het betreffende jaar zijn drie proceshandelingen verricht, waardoor de vergoeding volgens haar had moeten worden vastgesteld op € 5.068 in plaats van € 1.674.
UHT stelt daarentegen dat ten onrechte een vergoeding voor juridische hulp is toegekend, omdat belanghebbende in toeslagjaar 2014 geen professionele juridische hulp zou hebben ingeschakeld. Volgens UHT zal de vergoeding in bezwaar echter niet ten nadele van belanghebbende worden aangepast.
Op grond van artikel 2.2, onderdeel f, in samenhang met artikel 2.3, zesde lid, van de Wht wordt een forfaitaire vergoeding toegekend voor de kosten van beroepsmatig verleende rechtsbijstand, voor zover deze kosten niet eerder zijn vergoed. De hoogte van deze vergoeding wordt vastgesteld op basis van het Besluit proceskosten bestuursrecht (Bpb), waarbij een wegingsfactor van 2 wordt toegepast.
Uit de onderliggende stukken blijkt dat belanghebbende in toeslagjaar 2014 zelf bezwaar heeft gemaakt tegen de beschikking van 1 mei 2015, waarin de KOT neerwaarts is bijgesteld van € 5.647 naar € 4.197. Bij beslissing op bezwaar van 26 augustus 2015 is dit bezwaar ongegrond verklaard. Het vervolgens ingestelde beroep bij de rechtbank Amsterdam is bij uitspraak van 23 februari 2016 niet-ontvankelijk verklaard, omdat het griffierecht niet is voldaan.
De Commissie stelt vast dat belanghebbende zich in deze fase heeft laten bijstaan door een professionele gemachtigde, te weten de huidige gemachtigde, die namens haar een beroepschrift bij de rechtbank heeft ingediend. Op 12 januari 2016 heeft een zitting plaatsgevonden. Gelet hierop stelt de Commissie het aantal punten vast op twee, met toepassing van een wegingsfactor van 2, hetgeen leidt tot een totaal van 4 punten. Met ingang van 1 januari 2026 bedraagt de waarde per punt € 934, zodat de totale vergoeding uitkomt op € 3.736.
De Commissie stelt vast dat deze vergoeding hoger is dan het bedrag van € 1.674 dat in de oorspronkelijke compensatieberekening was opgenomen. Gelet op het voorgaande slaagt de bezwaargrond.
Vergoeding voor de immateriële schade
Aangezien het bezwaarschrift van belanghebbende gedeeltelijk gegrond wordt verklaard, loopt de einddatum van de vergoeding voor immateriële schade door tot de datum van de beslissing op bezwaar. Als gevolg van de hiervoor genoemde aanpassingen zal ook de aanvullende vergoeding van 1% worden herzien.
Forfaitaire bedragen materiële en immateriële schade
Met betrekking tot de hoogte van de toegekende bedragen voor materiële en immateriële schade merkt de Commissie het volgende op. De Commissie overweegt dat de wetgever er bewust voor heeft gekozen om in het kader van de integrale beoordeling te werken met een systeem van vaste (forfaitaire) vergoedingen.
De Commissie heeft in de stellingen van belanghebbende geen aanleiding gevonden om te oordelen dat het in de Wht neergelegde compensatiestelsel in dit geval buiten toepassing zou moeten blijven. Daarbij neemt de Commissie in aanmerking dat de Wht voorziet in de mogelijkheid van vergoeding van de werkelijke immateriële schade via een afzonderlijke procedure bij de Commissie Werkelijke Schade (hierna: CWS) en dat in alle fasen van de besluitvorming rechtsbescherming is gewaarborgd.
Voorts ziet de Commissie zich gesteld voor de vraag of UHT terecht en op goede gronden heeft besloten het verzoek van belanghebbende om compensatie of een tegemoetkoming voor de toeslagjaren 2013 en 2015 af te wijzen.
Toeslagjaar 2013
Belanghebbende voert aan dat zij door de Belastingdienst/Toeslagen (hierna: B/T) vooringenomen is behandeld, omdat bij de vaststelling van de KOT kwitanties van contant betaalde strippenkaarten niet zijn meegenomen. Het betreft een totaalbedrag van € 255. De kinderopvanginstelling [naam] is inmiddels failliet, waardoor nadere informatie niet kan worden opgevraagd. Hoewel de terugvordering onder de € 1.500 is gebleven, stelt belanghebbende dat zij op grond van de hardheidsregeling recht heeft op een tegemoetkoming.
UHT heeft gesteld dat de KOT is vastgesteld op basis van de door belanghebbende verstrekte informatie. In bezwaar heeft belanghebbende destijds een ontbrekende jaaropgave van een kinderopvanginstelling ingebracht, waarna de KOT opwaarts is bijgesteld. De verlagingen die hebben plaatsgevonden, betreffen reguliere wijzigingen, zodat volgens UHT geen sprake is van vooringenomen handelen. Bovendien kan belanghebbende geen beroep doen op de hardheidsregeling, aangezien de terugvordering lager is dan € 1.500.
De Commissie heeft geen aanknopingspunten kunnen vinden om te adviseren dat B/T bij de toekenning, aanpassing of terugvordering van de KOT voor toeslagjaar 2013 institutioneel vooringenomen heeft gehandeld, noch dat het stelsel onredelijk of te hard is toegepast. De terugvordering is gebaseerd op de vaststelling dat er een te hoog voorschot was toegekend, dat door reguliere wijzigingen opnieuw is berekend.
Uit de stukken blijkt dat de KOT met de beschikking van 15 mei 2015 neerwaarts is bijgesteld van € 3.249 naar € 2.262. Deze bijstelling was gebaseerd op een door belanghebbende zelf aangeleverde jaaropgave van kinderopvanginstelling [naam].
Belanghebbende heeft tegen deze beschikking bezwaar gemaakt en daarbij de ontbrekende jaaropgave van [naam] bijgevoegd. Op basis van deze aanvullende informatie heeft B/T het bezwaar gegrond verklaard, waardoor de KOT opwaarts is bijgesteld naar € 3.841.
Belanghebbende heeft vervolgens beroep ingesteld bij de rechtbank Amsterdam, die dat beroep op 30 augustus 2016 ongegrond heeft verklaard. De rechtbank heeft daarbij overwogen dat belanghebbende op grond van artikel 7 van de Wet kinderopvang en kwaliteitseisen peuterspeelzalen, in samenhang met artikel 18 van de Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen, verplicht is aan te tonen dat daadwerkelijk kosten voor kinderopvang zijn gemaakt en wat de hoogte daarvan is. De rechtbank heeft geconcludeerd dat de overgelegde strippenkaarten onvoldoende informatie bieden over de periode waarin deze uren zijn afgenomen, voor welk kind deze waren bestemd, welke kosten daaraan verbonden waren en welk bedrag correspondeert met de uren. Op basis hiervan bestaat voor deze uren geen recht op KOT over 2013.
De Commissie overweegt dat na de toeslagenaffaire het beleid van B/T op enkele punten is versoepeld, met nadruk op zorgvuldige belangenafweging en het voorkomen van onevenredig nadelige gevolgen voor burgers. Desondanks blijft de kern van de beoordeling ongewijzigd: ouders moeten aannemelijk maken dat zij daadwerkelijk kosten voor kinderopvang hebben gemaakt en betaald. Deze bewijsverplichting vormt nog steeds het uitgangspunt voor de toekenning van KOT.
In bijzondere situaties, zoals bij schrijnende omstandigheden of onzorgvuldig handelen door de overheid, bestaat ruimte voor compensatie of herstel. In de praktijk is het beleid vooral soepeler geworden op het gebied van herstel en maatwerk, terwijl de fundamentele voorwaarden voor het recht op KOT onveranderd zijn gebleven.
De Commissie overweegt dat ook onder de huidige regelgeving het recht op KOT voldoende moet worden onderbouwd met concrete en controleerbare gegevens. Belangrijk is dat uit de stukken duidelijk blijkt voor welk kind de opvang is afgenomen, hoeveel uren zijn gebruikt en welk uurtarief van toepassing is (artikel 1.7 Wet kinderopvang; artikel 4 Regeling kinderopvang BES). Alleen het overleggen van strippenkaarten waarop deze gegevens ontbreken, is onvoldoende.
Gelet op het voorgaande is de Commissie van oordeel dat de uitkomst ook onder de huidige regelgeving niet anders zou zijn geweest. Het ontbreken van concrete en verifieerbare gegevens maakt dat het recht op KOT niet kan worden vastgesteld.
Verder constateert de Commissie dat de doorgevoerde bijstellingen in overeenstemming met de wet zijn uitgevoerd. Dergelijke bijstellingen geven in beginsel geen aanspraak op een hardheidstegemoetkoming. De Commissie heeft geen aanwijzingen gevonden om hierover anders te oordelen.
Gelet hierop treft deze bezwaargrond geen doel.
Toeslagjaar 2015
Belanghebbende stelt dat zij de KOT vanaf 19 oktober 2015 niet heeft stopgezet. Bewijs dat belanghebbende de KOT daadwerkelijk heeft stopgezet ontbreekt. Mogelijk heeft belanghebbende dit gedaan onder druk van diverse terugvorderingen. Daarnaast beroept zij zich op de hardheidsregeling vanwege bijzondere omstandigheden, zoals een ernstige schuldenpositie en de disproportionele gevolgen van de terugvorderingen.
UHT stelt dat de KOT door reguliere wijzigingen is aangepast. Vanaf 23 september 2015 is de KOT stopgezet, omdat belanghebbende dit op 19 oktober 2015 aan B/T zou hebben doorgegeven.
De Commissie maakt uit het onderliggende stuk op dat in de systeemregistratie onder melding-ID 144115190452605615 een elektronische melding is vastgelegd met het gebeurtenistype “Burger zet toeslag stop”. De melding betreft de KOT en is geregistreerd als afkomstig “namens burger” (brontype 07). Als datum van wilsuiting is 23 september 2015 vermeld. De melding is op 19 oktober 2015 om 11:10:02 uur elektronisch ontvangen en administratief verwerkt.
De Commissie stelt vast dat deze gegevens aantonen dat in het systeem van B/T een stopzetting van de KOT is geregistreerd op basis van een vastgelegde wilsuiting. Uit de registratie kan echter niet worden afgeleid wie de melding feitelijk heeft verricht. In aansluiting hierop volgde de beschikking van 21 november 2015, waarin de KOT neerwaarts is bijgesteld van € 15.125 naar € 10.633. In deze beschikking wordt vermeld dat belanghebbende recht had op KOT van 1 februari 2015 tot en met 22 september 2015. Belanghebbende heeft tegen deze beschikking geen bezwaar gemaakt; als de stopzetting niet namens haar was gedaan, zou het voor de hand hebben gelegen dat zij daartegen bezwaar had aangetekend.
De Commissie heeft geen aanknopingspunten kunnen vinden om te adviseren dat B/T bij de toekenning, aanpassing of terugvordering van de KOT voor toeslagjaar 2015 institutioneel vooringenomen heeft gehandeld, noch dat het stelsel onredelijk of te hard is uitgewerkt. De terugvordering van de KOT over dit jaar was gebaseerd op de vaststelling van een te hoog toegekend voorschot, dat door reguliere wijzigingen opnieuw is berekend. De bijstelling is in overeenstemming met de wet uitgevoerd.
Dergelijke bijstellingen geven in beginsel geen aanspraak op een hardheidstegemoetkoming. De Commissie heeft geen aanknopingspunten gevonden om in het geval van belanghebbende anders te oordelen.
Gelet op het voorgaande treft deze bezwaargrond geen doel.
Opzet/Grove Schuld (hierna: O/GS) met betrekking tot de toeslagjaren 2013 en 2015
UHT heeft in de schriftelijke beschouwing, onder verwijzing naar een aanvullende productie, toegelicht dat geen sprake is geweest van een O/GS-kwalificatie en gesteld dat er in het dossier ook geen stuk is aangetroffen waarin een verzoek van belanghebbende tot het treffen van een betalingsregeling is neergelegd. Ook uit andere omstandigheden is deze stelling niet aannemelijk geworden. De Commissie acht het bezwaar op dit punt ongegrond.
Hardheidsclausule ex artikel 9.1 van de Wht
Op grond van artikel 9.1 van de Wht kan UHT in uitzonderlijke gevallen afwijken van de hoofdregels wanneer toepassing daarvan leidt tot een onbillijkheid van overwegende aard. In de praktijk wordt deze hardheidsclausule terughoudend toegepast en vereist zij bijzondere omstandigheden die het buiten toepassing laten van de hoofdregels rechtvaardigen. Zonder financiële schade of terugvordering is toekenning van compensatie daarom slechts in uitzonderlijke, goed gemotiveerde situaties mogelijk.
Denk hierbij aan situaties met zeer ernstige persoonlijke of sociale gevolgen, zoals wanneer een ouder door het toeslagenschandaal langdurig in de schulden raakt of wanneer kinderen uit huis worden geplaatst, terwijl de standaardcompensatie onvoldoende recht doet aan de geleden schade. Ook kan de hardheidsclausule worden toegepast bij onterechte uitsluiting van compensatie, bijvoorbeeld door een administratieve fout, of bij ernstige medische of psychische noodsituaties als gevolg van het toeslagenschandaal.
De Commissie is van oordeel dat de situatie van belanghebbende niet uitzonderlijk is en dat toepassing van de hardheidsclausule daarom niet aan de orde is. Uit het LIC-overzicht blijkt dat B/T voor toeslagjaar 2013 geen harde invorderingsacties heeft toegepast. De ontstane terugvordering van € 1.021 is op 31 augustus 2015 verrekend met de toekenning van de KOT en het restantbedrag van € 636 is op de rekening van belanghebbende overgemaakt. Na de definitieve vaststelling van de KOT is het nog openstaande bedrag van € 56 vanwege de toeslagenaffaire komen te vervallen.
Voor toeslagjaar 2015 geldt een vergelijkbare situatie. De terugvordering van € 4.492 kon deels met de KOT voor dat jaar worden verrekend (€ 1.314 en € 409). Het nog openstaande bedrag van € 2.288 is administratief verwijderd vanwege de toeslagenaffaire. Uit de LIC-overzichten blijkt niet dat belanghebbende hierdoor ernstige financiële problemen heeft ondervonden.
De Commissie erkent dat het voeren van bezwaar- en beroepsprocedures een langdurig proces is geweest en dat belanghebbende daarvan hinder heeft ondervonden. Echter, het is niet gebleken dat belanghebbende disproportionele terugvorderingen is opgelegd of dat zij door het faillissement van kinderopvanginstelling [naam] ernstig is benadeeld.
Belanghebbende heeft de jaaropgave van 2013 van deze instelling verkregen en de KOT is daarop aangepast.
Toeslagjaar 2014 wordt buiten beschouwing gelaten, omdat belanghebbende voor dat jaar voorlopig is gecompenseerd met een bedrag van € 4.031. UHT zal bij de beslissing op bezwaar de compensatieberekening voor dat jaar opnieuw opstellen, waardoor het uiteindelijke compensatiebedrag hoger zal uitvallen.
Gelet op het voorgaande treft deze bezwaargrond geen doel.
Aanvullende compensatie werkelijke schade
Deze bezwaarschriftprocedure heeft uitsluitend betrekking op de toekenning van de standaardvergoedingen (de zogenoemde forfaitaire bedragen) voor toeslagjaar 2014. De vergoeding van werkelijke schade valt hier niet onder. Voor het aanvragen van een aanvullende vergoeding van werkelijke schade kan gebruik worden gemaakt van de mogelijkheden zoals vermeld op Home | Schadeherstel Toeslagen.
Proceskostenvergoeding
Nu het bestreden besluit naar de mening van de Commissie dient te worden herroepen, adviseert de Commissie tot toewijzing van het verzoek om vergoeding van de kosten van rechtsbijstand in deze bezwaarprocedure. Op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht heeft belanghebbende recht op een forfaitaire vergoeding op basis van twee procespunten (bezwaarschrift en verschijnen hoorzitting) met een wegingsfactor 2. Net als in eerdere zaken adviseert de Commissie daarbij de hoogste vergoeding per procespunt toe te kennen.
Conclusie
Samengevat adviseert de Commissie om:
- het bezwaar gedeeltelijk gegrond te verklaren;
- in de compensatieberekening voor toeslagjaar 2014 de vergoeding voor juridische hulp aan te passen naar € 3.736 en de einddatum van de vergoeding voor immateriële schade uit te gaan van de datum waarop de beslissing op bezwaar wordt genomen. De aanvullende vergoeding opnieuw te berekenen;
- het verzoek om een proceskostenvergoeding toe te wijzen.
[handtekening]
Secretaris
[handtekening]
Fungerend voorzitter