BAC 2025-16457
Publicatiedatum 16-07-2026
Advies van de Bezwaarschriftenadviescommissie hersteloperatie toeslagen
Aan: Belastingdienst/Uitvoeringsorganisatie Herstel Toeslagen (hierna: UHT)
Betreft: het bezwaarschrift van belanghebbende
Primair besluit: 23 oktober 2023 met kenmerken UHT-DCHA; UHT-DCH
Hoorzitting: 16 februari 2026
Overdracht advies aan UHT: 4 maart 2026
Samenvatting
De Bezwaarschriftenadviescommissie (hierna: de Commissie) adviseert UHT om het bezwaar ongegrond te verklaren.
Onderwerp van advies
Het door de gemachtigde namens belanghebbende ingediende bezwaarschrift is gericht tegen het door UHT genomen definitieve besluit compensatie kinderopvangtoeslag.
Aan belanghebbende is met toepassing van de Wet hersteloperatie toeslagen (hierna: Wht) geen compensatie toegekend voor de jaren 2010 tot en met 2012.
Procesverloop
- Belanghebbende heeft op 26 januari 2021 verzocht om een herbeoordeling van de kinderopvangtoeslag (hierna: KOT) over de jaren 2010 tot en met 2012.
- De Commissie van Wijzen (hierna: CvW) heeft haar beoordeling van het verzoek van belanghebbende op 18 augustus 2023 aan UHT toegestuurd. De CvW heeft geadviseerd dat gedurende de betrokken jaren de Wht niet van toepassing is.
- UHT heeft bij het bestreden besluit aan belanghebbende medegedeeld dat hij geen recht heeft op compensatie voor de jaren 2010 tot en met 2012.
- Gemachtigde heeft bij brief van 18 augustus 2023 tegen dit besluit een bezwaarschrift ingediend.
- Gemachtigde heeft bij brief van 8 april 2025 het bezwaarschrift aangevuld.
- UHT heeft op 9 september 2025 schriftelijk gereageerd op het bezwaarschrift.
- Op 16 februari 2026 heeft een hoorzitting plaatsgevonden. Van de hoorzitting is een verslag gemaakt, dat achter het advies is gevoegd.
- UHT heeft, daartoe door de Commissie ter zitting verzocht, op 23 februari 2026 een nadere schriftelijke reactie ingediend. Gemachtigde heeft daarop op
25 februari 2026 gereageerd. - Dit advies wordt uitgebracht door de voorzitter en 2 commissieleden.
Overwegingen ten aanzien van de bezwaren en het bestreden besluit
De Commissie ziet zich gesteld voor de vraag of UHT terecht en op goede gronden is gekomen tot haar beslissing om het verzoek van belanghebbende om compensatie of tegemoetkoming voor de toeslagjaren 2010 tot en met 2012 af te wijzen.
Procedurele bezwaren: zorgvuldigheids-, motiverings- en evenredigheidsbeginsel
Belanghebbende heeft in bezwaar gesteld dat het bestreden besluit in strijd is met het zorgvuldigheids- en motiveringsbeginsel. Met de door UHT in bezwaar ingediende beschouwing en de overgelegde stukken – waaronder de schriftelijke reactie, het informatie- en beoordelingsformulier, RKT-bestanden, overzichten van het Landelijk Incassocentrum (hierna LIC) - en andere producties, meent de Commissie dat belanghebbende hiermee beschikt over de op de zaak betrekking hebbende stukken. Belanghebbende heeft zijn bezwaren naar voren kunnen brengen en heeft inzage gehad in de stukken die hebben geleid tot het bestreden besluit. De Commissie heeft geen aanleiding gevonden om te concluderen dat belanghebbende in zijn (proces)belangen is geschaad.
Verder heeft belanghebbende gesteld dat het bestreden besluit in strijd is met het evenredigheidsbeginsel omdat zijn persoonlijke omstandigheden (zijn financiële en gezondheidssituatie) onvoldoende zijn meegewogen. De Commissie constateert dat belanghebbende het bedrag van de terugvordering heeft terugbetaald. Er zijn geen aanwijzingen dat belanghebbende bezwaar heeft gemaakt tegen de terugvordering of dat hij heeft laten weten aan de Belastingdienst/ Toeslagen (B/T) dat hij in een slechte financiële situatie verkeerde zodat mogelijk een betalingsregeling kon worden afgesproken. De Commissie is van oordeel dat B/T niet kan worden verweten dat zij rekening had moeten houden met de persoonlijke omstandigheden van belanghebbende, nu hij dit niet kenbaar heeft gemaakt. Het bezwaar slaagt daarom niet. De Commissie adviseert UHT dit onderdeel ongegrond te verklaren.
Afgewezen toeslagjaren: 2010 tot en met 2012
Ter zitting stelt belanghebbende dat het aantal gewerkte uren (169) van zijn toeslagpartner waarvan B/T is uitgegaan onjuist is. Zijn partner heeft tot en met maart 2012 gewerkt en niet tot 1 maart 2012. Hiertoe heeft belanghebbende na de hoorzitting een jaaropgave 2012, salarisstrook februari 2012, voorstel ontslag en een verklaring van de werkgever overgelegd. Volgens belanghebbende eindigde de arbeidsovereenkomst op 20 maart 2012.
UHT blijft bij haar standpunt dat het aantal gewerkte uren 169 uur betreft.
Dit blijkt ook uit de jaaropgave 2012 van belanghebbende en de gegevens uit UWV-viewer. De salarisstrook van februari 2012 omvat niet de uitbetaling van gewerkte uren maar van de overeengekomen vertrekpremie.
Bovendien heeft de ouder door een fout van de B/T meer KOT ontvangen dan waar volgens de gewerkte uren recht op was. Ouder heeft geen schade geleden.
De Commissie heeft geen aanknopingspunten kunnen vinden om te adviseren dat B/T bij de toekenning, aanpassing of terugvordering van de KOT voor de toeslagjaren 2010 tot en met 2012 vooringenomen heeft gehandeld of dat het stelsel te hard heeft uitgewerkt.
Voor de jaren 2010 en 2011 constateert de Commissie dat er geen neerwaartse correcties of terugvorderingen zijn geweest. Dit is wel een vereiste op grond van de Wht. De neerwaartse correcties KOT over het jaar 2012 waren gebaseerd op de vaststelling dat er een te hoog voorschot was toegekend. Dat voorschot is door reguliere wijzigingen (stopzetting door ouder en aanpassing op basis van informatie in UWV-viewer) opnieuw berekend. De Commissie heeft geen aanknopingspunten in het dossier gevonden dat het aantal gewerkte uren van de toeslagpartner (169) onjuist zou zijn. De door B/T doorgevoerde bijstellingen zijn in overeenstemming met de wet uitgevoerd. Dergelijke bijstellingen geven in beginsel geen aanspraak op compensatie wegens vooringenomenheid of hardheid. Tevens waren er geen onterechte opzet/ grove schuld (O/GS) kwalificaties vastgesteld voor de jaren 2010 tot en met 2012 zodat ook geen aanspraak bestaat op een daarop gebaseerde tegemoetkoming. UHT heeft over deze jaren terecht geoordeeld dat er geen recht op compensatie bestaat. Het bezwaar is ongegrond.
Proceskostenvergoeding
Nu de Commissie adviseert het bestreden besluit niet te herroepen, is er geen aanleiding een vergoeding van de proceskosten toe te kennen.
Conclusie
Samengevat adviseert de Commissie om het bezwaar ongegrond te verklaren en geen proceskostenvergoeding toe te kennen.
[handtekening]
Secretaris
[handtekening]
Fungerend voorzitter