BAC 2025-16454
Publicatiedatum 14-07-2026
Advies van de Bezwaarschriftenadviescommissie hersteloperatie toeslagen
Aan: Belastingdienst/Uitvoeringsorganisatie Herstel Toeslagen (hierna: UHT)
Betreft: het bezwaarschrift van belanghebbende
Primair besluit: 11 december 2023 (UHT-DCHOA)
Hoorzitting: 19 januari 2026 om 15:15 uur
Overdracht advies aan UHT: 29 april 2026
Samenvatting
De Bezwaarschriftenadviescommissie (hierna: de Commissie) adviseert UHT om het bezwaar ongegrond te verklaren, het bestreden besluit in stand te laten en geen proceskostenvergoeding toe te kennen.
Onderwerp van advies
Het door de toenmalige gemachtigde namens belanghebbende is gericht tegen het door UHT genomen definitieve besluit beoordeling kinderopvangtoeslag, hierna aangeduid als het bestreden besluit.
Aan belanghebbende is met toepassing van de Wet hersteloperatie toeslagen (hierna: Wht) geen compensatie toegekend voor de toeslagjaren 2008 tot en met 2013.
Procesverloop
- Belanghebbende heeft op 17 juni 2021 verzocht om een herbeoordeling van de kinderopvangtoeslag (hierna: KOT) over de toeslagjaren 2010 tot en met 2013. Na overleg tussen belanghebbende en de persoonlijk zaakbehandelaar is een herbeoordeling uitgevoerd over de toeslagjaren 2008 tot en met 2013.
- De Commissie van Wijzen (hierna: CvW) heeft haar beoordeling van het verzoek van belanghebbende op 8 november 2023 aan UHT toegestuurd. De CvW heeft in haar advies geoordeeld dat UHT zich terecht op het standpunt stelde dat de regelingen betreffende de institutionele vooringenomenheid of bijzondere omstandigheden niet van toepassing zijn.
- UHT heeft bij het bestreden besluit aan belanghebbende meegedeeld dat zij geen recht heeft op compensatie voor de toeslagjaren 2008 tot en met 2013.
- De toenmalige gemachtigde heeft bij brief van 4 januari 2024, ingekomen op
5 januari 2024, tegen dit besluit een bezwaarschrift ingediend. - De toenmalige gemachtigde heeft bij brief van 20 november 2024 het bezwaarschrift aangevuld.
- UHT heeft op 2 september 2025 schriftelijk gereageerd op het bezwaarschrift.
- Op 19 januari 2026 heeft een hoorzitting plaatsgevonden. Van de hoorzitting is een verslag gemaakt, dat aan het advies is gehecht.
- UHT heeft, daartoe door de Commissie ter zitting verzocht, op 5 maart 2026 een nadere schriftelijke reactie ingediend. De gemachtigde) heeft op 10 april 2026 daarop gereageerd.
- Dit advies wordt uitgebracht door de voorzitter en twee commissieleden.
Ontvankelijkheid
Niet in geschil is dat het bezwaar ontvankelijk is.
Overwegingen ten aanzien van de bezwaren en het bestreden besluit
De Commissie ziet zich gesteld voor de vraag of UHT terecht en op goede gronden is gekomen tot haar beslissing om het verzoek van belanghebbende om compensatie of tegemoetkoming af te wijzen.
Zorgvuldigheids- en motiveringsbeginsel
Belanghebbende betoogt dat het bestreden besluit onvoldoende is gemotiveerd en onvoldoende zorgvuldig tot stand is gekomen. Voor zover het bestreden besluit onzorgvuldig is voorbereid of gemotiveerd, heeft UHT naar het oordeel van de Commissie de gebreken hersteld aan de hand van wat daarover in haar beschouwing is opgemerkt. De Commissie adviseert UHT dit onderdeel van het bezwaar ongegrond te verklaren.
Toeslagjaar 2008
De Commissie heeft geen aanknopingspunten gevonden om te adviseren dat de Belastingdienst/Toeslagen (hierna: B/T) bij de toekenning, aanpassing of terugvordering van de KOT over het toeslagjaar 2008 institutioneel vooringenomen heeft gehandeld of dat het stelsel te hard heeft uitgewerkt.
De terugvordering van de KOT over dit jaar was gebaseerd op de vaststelling dat een te hoog voorschot was toegekend. De KOT over het toeslagjaar 2008 is eerst verlaagd naar aanleiding van een stopzetting door belanghebbende van de KOT per 16 augustus 2008 voor één van de kinderen. De tweede verlaging was het gevolg van de stopzetting van de KOT voor de andere kinderen per 1 oktober 2008. De Commissie heeft geen aanknopingspunten gevonden dat B/T de KOT heeft stopgezet. Daarnaast is de KOT in overeenstemming met de door belanghebbende overgelegde jaaropgave toegekend, waaruit volgt dat na de stopzettingen geen kinderopvang meer is afgenomen.
Het voorschot over het toeslagjaar 2008 is dus door reguliere wijzigingen opnieuw berekend. Deze bijstellingen zijn in overeenstemming met de wet uitgevoerd. Dergelijke bijstellingen geven in beginsel ook geen aanspraak op een zogenoemde hardheidscompensatie. De Commissie heeft geen aanknopingspunten gevonden om hierover in het geval van belanghebbende anders te oordelen. Er zijn ook geen aanwijzingen dat B/T jegens belanghebbende heeft gehandeld op grond van de onterechte veronderstelling dat deze opzettelijk danwel grofschuldig onterecht KOT heeft ontvangen, zodat ook geen aanspraak bestaat op een daarop gebaseerde tegemoetkoming. De Commissie adviseert UHT dit onderdeel van het bezwaar ongegrond te verklaren.
Toeslagjaren 2009 tot en met 2013
Belanghebbende is in verband met de KOT over de toeslagjaren 2009 tot en met 2013 bij verstek strafrechtelijk veroordeeld voor valsheid in geschrifte en witwassen. De veroordeling is niet onherroepelijk, waardoor deze bij de beoordeling buiten beschouwing zal worden gelaten.
De KOT over de toeslagjaren 2009 tot en met 2013 is op nihil gesteld, nadat de betrokken kinderopvanginstellingen B/T hadden geïnformeerd dat de kinderen van belanghebbende daar niet werden opgevangen. B/T heeft voorafgaand aan de nihilstellingen over de toeslagjaren 2009 tot en met 2013 geen informatie bij belanghebbende uitgevraagd. Dit duidt op vooringenomen handelen door B/T.
Ingevolge artikel 2.1, lid 1, van de Wht komt voor een compensatie in aanmerking de ouder van wie aannemelijk is dat de vaststelling van zijn aanspraak op KOT in enig jaar onderdeel is geweest van bijzondere hardheid of van een institutioneel vooringenomen handelwijze van B/T. Toekenning van compensatie blijft, op grond van artikel 2.1 lid 2 van de Wht, achterwege bij ernstige onregelmatigheden die aan de ouder kunnen worden toegerekend. Dit laatste is onder meer het geval in situaties waarin een belanghebbende evident geen recht had op KOT. Volgens UHT deed dit zich voor in de toeslagjaren 2009 tot en met 2013, nu belanghebbende in deze jaren geen gebruik van geregistreerde kinderopvang heeft gemaakt en geen doelgroeper was. De Commissie heeft geen aanknopingspunten gevonden dat belanghebbende in deze jaren wel kinderopvang heeft afgenomen en daarom recht op KOT had. De Commissie komt hierdoor niet toe aan de vraag of zij doelgroeper was.
Na de stopzetting van de KOT in 2008 is op 8 april 2010 KOT per 1 januari 2009 aangevraagd. De KOT is destijds jaarlijks automatisch gecontinueerd tot uit het contact met de kinderopvanginstellingen volgde dat geen kinderopvang werd afgenomen. Uit de aanvraag volgt dat deze met de DigiD van belanghebbende is ingediend. Voor zover belanghebbende stelt dat een derde met haar gegevens de KOT-aanvragen heeft gedaan, is de Commissie van oordeel dat het delen van DigiD-inloggegevens voor rekening en risico van belanghebbende dient te komen.
De Commissie is op grond van het ter beschikking staande dossier van oordeel dat B/T de KOT over deze jaren destijds terecht op nihil heeft gesteld. B/T heeft in het toeslagjaar 2010 op goede gronden opzet/grove schuld (O/GS) bij belanghebbende vastgesteld, omdat zij KOT had aangevraagd zonder dat zij kinderopvang afnam. Voor de overige jaren zijn geen aanwijzingen dat B/T jegens belanghebbende heeft gehandeld op grond van de onterechte veronderstelling dat deze opzettelijk danwel grofschuldig onterecht KOT heeft ontvangen, zodat ook geen aanspraak bestaat op een daarop gebaseerde tegemoetkoming.
Volgens het eigen beleid van UHT kan in uitzonderlijke situaties sprake zijn van hardheid. De Commissie stelt verder vast dat niet, althans onvoldoende, is gebleken dat belanghebbende in zodanige, voor de toepassing van dit beleid relevante, uitzonderlijke omstandigheden heeft verkeerd. Belanghebbende stelt dat de ontvangen KOT voor de toeslagjaren 2009 en 2010 niet ten goede aan haar is gekomen, omdat de KOT op de rekening van een derde werd uitbetaald.
De Commissie overweegt dat de KOT op een rekening met de tenaamstelling van haar oudste zoon werd uitbetaald. Belanghebbende heeft ter zitting ook verklaard dat zij de toeslagen op zijn rekening liet uitbetalen, zodat zij extra geld had om de maand door te komen. De Commissie is daarom van oordeel dat de KOT ten goede aan belanghebbende is gekomen.
Belanghebbende komt voor de toeslagjaren 2009 tot en met 2013 dus niet in aanmerking voor compensatie op grond van de Wht. De Commissie adviseert UHT om het bezwaar ongegrond te verklaren.
Proceskostenvergoeding
Nu de Commissie niet adviseert het primaire besluit te herroepen, bestaat geen aanleiding een vergoeding van de proceskosten toe te kennen.
Conclusie
Samengevat adviseert de Commissie om:
- het bezwaar ongegrond te verklaren;
- het bestreden besluit in stand te laten;
- geen proceskostenvergoeding toe te kennen.
[handtekening]
Secretaris
[handtekening]
Fungerend voorzitter