Ga direct naar de inhoud Ga direct naar de filters Ga direct naar de footer

BAC 2025-16444

Advies van de Bezwaarschriftenadviescommissie hersteloperatie toeslagen

Aan: Belastingdienst/Uitvoeringsorganisatie Herstel Toeslagen (hierna: UHT)

Betreft: het bezwaarschrift van belanghebbende

Primair besluit: 17 december 2024 met kenmerk UHT-DCHO

Overdracht advies aan UHT: 8 juni 2026

Samenvatting

De Bezwaarschriftenadviescommissie (hierna: de Commissie) adviseert UHT om het bezwaar gedeeltelijk gegrond te verklaren.

Onderwerp van advies

Het door gemachtigde namens belanghebbende ingediende bezwaarschrift is gericht tegen de door UHT genomen definitieve beschikking kinderopvangtoeslag van 17 december 2024 met kenmerk UHT-DCHO (hierna: het bestreden besluit).

Aan belanghebbende is met toepassing van de Wet hersteloperatie toeslagen (hierna: Wht) compensatie toegekend voor een bedrag van € 61.125 voor de jaren 2006 tot en met 2008 en 2010 en geen compensatie toegekend voor de jaren 2009 en 2011 tot en met 2019.

Procesverloop

  • Belanghebbende heeft op 13 april 2021 verzocht om een herbeoordeling van de kinderopvangtoeslag (hierna: KOT) over de jaren 2006 tot en met 2009. Dit is aangepast naar de jaren 2006 tot en met 2008, 2011, 2012, 2014 tot en met 2016 en 2019.
  • De Commissie van Wijzen (hierna: CvW) heeft haar beoordeling van het verzoek van belanghebbende op 25 november 2024 aan UHT toegestuurd. De CvW heeft geoordeeld dat voor de jaren 2009 en 2011 tot en met 2019 de compensatie-regeling niet van toepassing is.
  • UHT heeft bij het bestreden besluit aan belanghebbende compensatie toegekend voor een bedrag van € 61.125 voor de jaren 2006 tot en met 2008 en 2010 en geen compensatie toegekend voor de jaren 2009 en 2011 tot en met 2019.
  • Gemachtigde heeft bij brief van 14 januari 2025, ingekomen op 14 januari 2025, tegen dit besluit een bezwaarschrift ingediend.
  • UHT heeft op 22 september 2025 schriftelijk gereageerd op het bezwaarschrift.
  • Bij e-mail van 29 april 2026 heeft gemachtigde bevestigd dat belanghebbende geen behoefte heeft aan een hoorzitting. Zij verzoekt de Commissie om een nadere schriftelijke ronde in te lassen.
  • De Commissie ziet daarom, op grond van artikel 7:3, aanhef en onder c, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb), af van het horen van belang-hebbende.
  • Gemachtigde heeft op 21 mei 2026 een nadere schriftelijke reactie ingediend.
  • Dit advies wordt uitgebracht door de voorzitter en twee commissieleden.

Ontvankelijkheid

Niet in geschil is dat het bezwaar ontvankelijk is.

Overwegingen ten aanzien van de bezwaren en het bestreden besluit

De Commissie zal eerst ingaan op de volgende (algemene) punten en bezwaargronden van belanghebbende:

  • Planning;
  • Persoonlijk dossier;
  • Datakluis;
  • Onderliggende stukken Opzet/Grove Schuld (hierna: O/GS);
  • Onderliggende stukken Fraude Signalering Voorziening (hierna: FSV);
  • Verrekeningen;
  • Discriminatie;
  • Toetsing vooraf conform artikel 16 Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen (hierna: Awir);
  • Niet tijdig beslissen conform artikel 19 Awir;
  • Omissies/niet toegekende KOT;
  • Informatie uit de KOI-viewer;
  • Vooringenomenheid bij het niet beslissen op bezwaar.

De Commissie ziet zich voorts gesteld voor de vraag of UHT terecht en op goede gronden is gekomen tot haar beslissing om het verzoek van belanghebbende om compensatie of tegemoetkoming voor de jaren 2009 en 2011 tot en met 2019 af te wijzen.
Daarnaast ziet zij zich gesteld voor de vraag of UHT de toegekende compensatie voor de jaren 2006 tot en met 2008 en 2010 op de juiste wijze heeft berekend. Daartoe zal de Commissie ingaan op de volgende (specifieke) bezwaargronden van belanghebbende:

  • Beoordeelde jaren;
  • Beoordeling per jaar;
  • Reguliere bijstellingen;
  • Forfaitaire vergoedingen voor materiële en immateriële schade;
  • Toetsing geregistreerde kinderopvang;
  • Compensatieberekening; • Overige bezwaren;
  • Proceskostenvergoeding.

Planning
De Commissie heeft kennisgenomen van de passages uit de aanvullende schriftelijke reactie van de gemachtigde over de planning van de (zeer vele) bezwaarprocedures bij de BAC waarin zij als gemachtigde optreedt. De BAC merkt op dat er overleg met de gemachtigde heeft plaatsgevonden. Op 15 februari 2026 heeft de gemachtigde laten weten dat het bij een welwillende houding van de BAC ten aanzien van eventuele uitstelverzoeken goed zou moeten komen.
Op 19 februari 2026 heeft de BAC gesteld dat binnen redelijke grenzen incidentele uitstelverzoeken inderdaad niet zonder welwillendheid worden bezien.
Overigens heeft de Commissie in deze zaak de nadere inbreng van de gemachtigde betrokken bij de beoordeling van het bezwaar. De Commissie verwijst hiervoor naar het procesverloop.

Persoonlijk dossier en documenten uit datakluis
Belanghebbende stelt zich op het standpunt dat het ouderdossier het niet mogelijk maakt om een juist beeld te vormen van haar situatie. Zij verzoekt UHT om haar persoonlijk dossier aan haar te verstrekken.

De schriftelijke reactie/beschouwing en de stukken die daaraan ten grondslag liggen, zijn aan belanghebbende toegezonden. De Commissie vindt dat UHT met het toezenden van deze stukken heeft voldaan aan haar verplichting op grond van artikel 7:4 lid 2 Awb om alle op de zaak betrekking hebbende stukken ter inzage te leggen. Dat kan anders zijn als belanghebbende een duidelijk aanknopingspunt geeft voor een reden waarom het persoonlijk dossier moet worden afgewacht.
Dat is hier niet gebeurd. De enkele mogelijkheid dat - bij onbekendheid van de stukken in dat dossier - nog relevante informatie ontbreekt, is niet voldoende.
De Commissie adviseert UHT daarom om dit onderdeel van het bezwaar ongegrond te verklaren.

Datakluis
Belanghebbende verzoekt om alle stukken uit de datakluis, waarover in de brief van de Staatssecretarissen van 15 april 2026 aan de Tweede Kamer informatie is verstrekt (brief van 15 april 2026, kenmerk 2026-0000132235 van staats-secretarissen van Financiën en Herstel Toeslagen) in het geding te brengen die haar direct of indirect raken.

De Commissie overweegt als volgt. Er is thans geen informatie beschikbaar over de inhoud van de datakluis. In deze zaak heeft UHT een dossier overgelegd waarin de gegevens over de beoordeelde jaren zijn opgenomen die zijn betrokken bij de besluitvorming. De schriftelijke reactie/beschouwing van UHT in bezwaar en de stukken die daaraan ten grondslag liggen, zijn aan belanghebbende toegezonden. Gelet op de thans voorhanden gegevens mag ervan worden uitgegaan dat UHT informatie uit de inmiddels bekend geworden datakluis niet tot haar beschikking had bij het voorbereiden en nemen van het bestreden besluit en dus behoort de inhoud van die kluis niet tot de op deze zaak betrekking hebbende stukken.
Dit betekent dat de Commissie niet hoeft te wachten op nadere verduidelijking over de kluisgegevens. De Commissie adviseert UHT daarom om dit onderdeel van het bezwaar ongegrond te verklaren.

Onderliggende stukken O/GS
Belanghebbende verzoekt om inzage in alle stukken die ten grondslag liggen aan de conclusie van UHT dat geen sprake is geweest van een O/GS-kwalificatie.
UHT stelt zich op het standpunt dat er geen stukken gevonden zijn die tot de conclusie kunnen leiden dat sprake was van een O/GS-kwalificatie ten aanzien van de KOT en er zodoende ook geen nadere stukken gedeeld zullen worden met belanghebbende. De Commissie volgt UHT niet in haar opvatting dat er om die reden geen stukken gedeeld hoeven te worden met belanghebbende.

De Commissie wijst in dit verband op de motie van het lid Ergin die op 10 maart 2026 is aangenomen (Tweede Kamer, vergaderjaar 2025-2026, 36 708, nr. 68) en waarin de Kamer heeft uitgesproken dat UHT standaard en actief inzage geeft in alle stukken die ten grondslag liggen aan de O/GS kwalificatie. Als de beoordeling van UHT (mede) rust op de vaststelling dat geen informatie beschikbaar is over belanghebbende in een geraadpleegde gegevensbron, dan moet UHT die vaststelling onderbouwen met bijvoorbeeld een schermafbeelding van de resultaten en geraadpleegde systemen. Dit geldt naar het oordeel van de Commissie ook voor de bronnen die UHT in haar reactie van 1 juni 2026 noemt. Volledigheidshalve verwijst de Commissie ook naar de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 6 februari 2026, ECLI:NL:RBROT:2026:1545. Derhalve adviseert de Commissie aan UHT om voorafgaand aan het besluit op bezwaar, met inachtneming van bovenstaande, inzage te geven in de bronnen die ten grondslag liggen aan de beoordeling dat geen sprake was van een O/GS-kwalificatie en om belanghebbende de gelegenheid te geven hierop te reageren, eveneens voorafgaand aan het besluit op bezwaar.

Onderliggende stukken FSV
Belanghebbende verzoekt UHT nader in te gaan op de conclusie dat zij niet voorkomt op de FSV-lijst. De Commissie stelt vast dat uit de onderliggende stukken niet blijkt dat belanghebbende voorkomt op de FSV-lijst. Het FSV-systeem is een systeem dat niet meer wordt gebruikt en daarom uitsluitend kan worden geraadpleegd door medewerkers met een daartoe aangewezen bevoegdheid.
UHT heeft niet voldoende bevoegdheden om de door belanghebbende gewenste gedetailleerde informatie te verstrekken. De Commissie adviseert UHT wel om aan belanghebbende alsnog een schermafdruk van de haar ter beschikking staande informatie te verstrekken tezamen met de beslissing op bezwaar.

Verrekeningen
Belanghebbende stelt zich op het standpunt dat de verrekeningen van de KOT naar andere jaren door Belastingdienst/Toeslagen (hierna: B/T) vooringenomen handelingen zijn. Zij voert aan dat zij in aanmerking komt voor een compensatie van de schade die zij heeft geleden als gevolg van de verrekeningen van de terugvorderingen met de nadien toegekende toeslagen (waaronder de toegekende KOT).

De Commissie overweegt dat deze verrekeningen onderdeel zijn van de uitvoering die aan de KOT is gegeven. De nu voorliggende procedure heeft alleen betrekking op de toekenning van de standaard vergoedingen en niet op de vergoeding van de werkelijke schade. Als belanghebbende van mening is dat haar aanvullende compensatie voor de werkelijke schade als gevolg van de verrekeningen toekomt, kan zij een verzoek daartoe indienen op schadeherstel.toeslagen.nl. Gelet hierop adviseert de Commissie dit onderdeel van het bezwaar ongegrond te verklaren.

Discriminatie
Belanghebbende verzoekt UHT nader in te gaan op de vraag of B/T bij de behandeling van de KOT discriminerend heeft gehandeld. De Commissie overweegt dat zij in het kader van de hersteloperatie toeslagen niet de bevoegdheid heeft om te beoordelen of in het geval van een belanghebbende sprake is geweest van discriminatie. De compensatiebeschikking gaat uit van forfaitaire bedragen en houdt geen rekening met individuele omstandigheden.
Bij de verschillende routes vermeld op schadeherstel.toeslagen.nl worden deze individuele omstandigheden wel meegewogen en kan er een vergoeding worden toegekend voor het ervaren van discriminatie. Hier kan belanghebbende ook haar betoog inbrengen dat zij is gediscrimineerd. Individuele omstandigheden worden, anders dan in deze procedure, bij de verschillende routes vermeld op schade-herstel.toeslagen.nl wel meegewogen.

Toetsing vooraf conform artikel 16 Awir
Belanghebbende betoogt, onder verwijzing naar de Memorie van Toelichting ten aanzien van artikel 16 Awir, dat B/T een onderzoeksplicht vooraf had, op basis van tastbare gegevens, of aanspraak bestond op KOT voordat een voorschot KOT werd toegekend. Het niet voldoen aan deze onderzoeksplicht komt volgens haar voor rekening van B/T; terugvordering mag dan niet meer.

Voor zover belanghebbende hiermee betoogt dat er sprake is van vooringenomen handelen door B/T overweegt de Commissie als volgt. Het niet voldoen aan de onderzoeksplicht conform artikel 16 Awir, zoals door belanghebbende betoogd, is geen aanleiding om vooringenomen handelen aan te nemen. De Commissie adviseert UHT daarom om dit onderdeel van het bezwaar ongegrond te verklaren.

Niet tijdig beslissen conform artikel 19 Awir
Belanghebbende stelt zich op het standpunt dat B/T in strijd heeft gehandeld met de beslistermijnen van artikel 19 Awir. De Commissie is van oordeel dat deze bezwaargrond – wat daar verder ook van zij - buiten het bereik van deze procedure valt en adviseert UHT daarom om dit onderdeel van het bezwaar ongegrond te verklaren.

Omissies/niet toegekende KOT
Volgens belanghebbende dient UHT de juistheid van de hoogte van de KOT zoals indertijd definitief vastgesteld te beoordelen. De Commissie overweegt dat de Wht is bedoeld voor herstel van vooringenomen handelen, van hardheid en/of van een onterechte kwalificatie O/GS. De Wht ziet niet op de herziening van in het verleden genomen definitieve KOT beschikkingen. Een beoordeling daarvan valt buiten de reikwijdte van de Wht. De Commissie adviseert UHT daarom om dit onderdeel van het bezwaar ongegrond te verklaren.

Informatie uit de KOI-viewer
Belanghebbende stelt zich op het standpunt dat B/T voor het vaststellen van de KOT niet blindelings op de KOI-viewer mag vertrouwen, omdat kinderopvang-instellingen niet verplicht zijn om de gegevens in de KOI-viewer in te vullen.

De Commissie gaat uit van de stelregel dat B/T en UHT mogen uitgaan van de informatie uit de KOI-viewer, tenzij er contra-indicaties zijn die het tegendeel aannemelijk maken.

Belanghebbende heeft geen informatie naar voren gebracht waaruit blijkt dat de informatie uit de KOI-viewer niet juist is. De Commissie adviseert UHT daarom om dit onderdeel van het bezwaar ongegrond te verklaren.

Vooringenomenheid bij het niet beslissen op bezwaar
Belanghebbende voert aan dat het niet beslissen op bezwaren die in de herbeoordeelde jaren door belanghebbende zijn gemaakt, vooringenomen handelen oplevert. De Commissie stelt vast dat een dergelijke situatie zich in het geval van de belanghebbende niet heeft voorgedaan en adviseert daarom dit onderdeel van het bezwaar ongegrond te verklaren.

Beoordeelde jaren
Belanghebbende verzoekt UHT om de jaren die nog niet zijn beoordeeld alsnog te laten beoordelen. Zij meent dat de jaren 2009, 2010, 2013, 2017 en 2018 niet zijn beoordeeld, terwijl uit het SAS-overzicht blijkt dat in deze jaren wel KOT is genoten. Uit de onderliggende stukken is de Commissie gebleken dat de beoordeling zich strekt over de jaren 2006 tot en met 2019. De Commissie adviseert UHT daarom om dit onderdeel van het bezwaar ongegrond te verklaren.

Beoordeling per jaar
Belanghebbende stelt zich op het standpunt dat de toeslagjaren niet op zichzelf kunnen staan. Als er in de jaren 2006, 2007, 2008 en 2010 ten onrechte tot terugvordering is overgegaan zal dit volgens belanghebbende ook gevolgen hebben voor de jaren ervoor of erna.

De Commissie wijst in dit verband op de wetsgeschiedenis van de Wht. In de Memorie van Toelichting wordt dit punt expliciet besproken: “Bij integrale beoordeling wordt vastgesteld wat er is misgegaan met de kinderopvangtoeslag bij een gedupeerde ouder en wordt per berekeningsjaar het herstelbedrag vastgesteld dat op grond van een herstelmaatregel als bedoeld in artikel 2.7 van dit wetsvoorstel wordt toegekend.” (Tweede Kamer, vergaderjaar 2021–2022, 36 151, nr. 3, p. 19).

De Commissie leidt hieruit af dat het kennelijk niet de bedoeling van de wetgever is geweest om een vaststelling van gedupeerd zijn van een toeslagouder automatisch door te trekken naar andere jaren. Volgens de Commissie zal daarom per jaar opnieuw moeten worden vastgesteld of sprake is geweest van vooringenomen handelen dan wel hardheid en of de werkwijze van UHT begrijpelijk en daarmee in overeenstemming is. De enkele – niet nader met feiten of omstandigheden onderbouwde – stelling dat van vooringenomenheid sprake moet zijn geweest in andere toeslagjaren als eenmaal sprake is geweest van vooringenomen handelen door B/T of bijzondere omstandigheden acht de Commissie daarom in zijn algemeenheid onjuist. De Commissie adviseert UHT daarom om dit onderdeel van het bezwaar ongegrond te verklaren.

Reguliere bijstellingen
De Commissie heeft geen aanknopingspunten kunnen vinden om te adviseren dat B/T bij de toekenning, aanpassing of terugvordering van de KOT voor de toeslagjaren 2009 en 2011 tot en met 2019 institutioneel vooringenomen heeft gehandeld of dat het stelsel te hard heeft uitgewerkt. Uit de onderliggende stukken is allereerst gebleken dat voor het toeslagjaar 2013 geen verlaging van de KOT heeft plaatsgevonden. De terugvorderingen KOT over de andere toeslagjaren waren gebaseerd op de vaststelling dat er een te hoog voorschot was toegekend. Dat voorschot is ten gevolge van reguliere wijzigingen opnieuw berekend.
Deze bijstellingen zijn in overeenstemming met de wet uitgevoerd.
Dergelijke bijstellingen geven in beginsel ook geen aanspraak op een zogenoemde hardheidstegemoetkoming. De Commissie heeft geen aanknopingspunten gevonden om hierover in het geval van belanghebbende anders te oordelen.
Er was ook geen onterechte kwalificatie O/GS, zodat er ook geen aanspraak is op een daarop gebaseerde vergoeding. De Commissie adviseert UHT daarom om dit onderdeel van het bezwaar ongegrond te verklaren.

Forfaitaire vergoedingen voor materiële en immateriële schade
Belanghebbende stelt zich op het standpunt dat de immateriële schadevergoeding niet haar werkelijke schade dekt.

Met betrekking tot de hoogte van de toegekende bedragen voor materiële en immateriële schade merkt de Commissie het volgende op. Op grond van artikel 2.3 lid 3 van de Wht is de vergoeding voor materiële schade gelijk aan 25 procent van het bedrag dat als gevolg van de beschikking niet is toegekend of teruggevorderd. Op grond van artikel 2.3 lid 4 van de Wht is de vergoeding voor immateriële schade een forfaitaire vergoeding van € 500 voor ieder half jaar dat is verstreken tussen de dagtekening van een eerste beschikking als bedoeld in artikel 2.2, onderdeel a, en de dagtekening van de eerste beschikking tot toekenning van compensatie, waarbij een deel van een half jaar naar boven wordt afgerond op een half jaar. Het is op basis van de Wht niet mogelijk om af te wijken van deze systematiek en een hogere schadevergoeding toe te kennen. De onderhavige bezwaarschriftprocedure heeft alleen betrekking op de toekenning van genoemde forfaitaire (standaard) vergoedingen en niet op de vergoeding van eventuele hogere werkelijke schade. Voor het vragen van aanvullende vergoeding van werkelijke schade kan gebruik gemaakt worden van de mogelijkheden, vermeld op schadeherstel.toeslagen.nl. De Commissie adviseert UHT om dit onderdeel van het bezwaar ongegrond te verklaren.

Compensatieberekening
UHT heeft in het kader van deze bezwaarprocedure de compensatieberekening ambtshalve getoetst op juistheid. Daarbij is zij tot de conclusie gekomen dat er meerdere fouten zijn gemaakt in de compensatieberekening. De Commissie adviseert UHT om dit onderdeel van het bezwaar gegrond te verklaren en de compensatieberekening overeenkomstig haar beschouwing aan te passen in de beslissing op bezwaar.

Overige bezwaren
De Commissie is wat betreft de overige onderdelen van het bezwaar van oordeel dat deze op zichzelf bezien noch in onderling verband gelezen tot het door belanghebbende gewenste resultaat kunnen leiden.

Proceskostenvergoeding
Nu het bezwaar tegen de beschikking met kenmerk UHT-DCHO naar het oordeel van de Commissie deels gegrond is, adviseert de Commissie om het verzoek om een vergoeding van de kosten van rechtsbijstand toe te wijzen.

Conclusie

Samengevat adviseert de Commissie om het bezwaar gedeeltelijk gegrond te verklaren en om een vergoeding van de proceskosten voor deze bezwaarprocedure toe te kennen van één procespunt met wegingsfactor twee voor het hoogste tarief.

[handtekening]

Secretaris

[handtekening]

Fungerend voorzitter