Ga direct naar de inhoud Ga direct naar de filters Ga direct naar de footer

BAC 2025-16443

Advies van de Bezwaarschriftenadviescommissie hersteloperatie toeslagen

Aan: Belastingdienst/Uitvoeringsorganisatie Herstel Toeslagen (hierna: UHT)

Betreft: het bezwaarschrift van belanghebbende

Primair besluit: 12 december 2024 met kenmerk UHT-DCHOA

Hoorzitting: 10 maart 2026

Overdracht advies aan UHT: 30 maart 2026 

Samenvatting

De Bezwaarschriftenadviescommissie (hierna: de Commissie) adviseert UHT om het bezwaar ongegrond te verklaren en het verzoek om een proceskostenvergoeding af te wijzen.

Onderwerp van advies

Het door de de gemachtigde namens belanghebbende ingediende bezwaarschrift is gericht tegen de door UHT genomen definitieve beschikking inzake de beoordeling van de kinderopvangtoeslag van 12 december 2024, met kenmerk UHT-DCHOA.

Aan belanghebbende is, met toepassing van de Wet hersteloperatie toeslagen (hierna: Wht), geen compensatie toegekend voor de jaren 2016 tot en met 2019.

Procesverloop

  • Belanghebbende heeft op 14 februari 2023 verzocht om een herbeoordeling van de kinderopvangtoeslag (hierna: KOT) over de jaren 2016 tot en met 2019.
  • UHT heeft bij besluit van 3 mei 2023 aan belanghebbende medegedeeld dat zij niet in aanmerking komt voor een betaling van € 30.000, als bedoeld in de Catshuisregeling.
  • De Commissie van Wijzen (hierna: CvW) heeft haar beoordeling van het verzoek van belanghebbende op 5 december 2024 aan UHT toegestuurd. De CvW heeft geadviseerd dat gedurende de jaren 2016 tot en met 2019 geen sprake is geweest van institutionele vooringenomenheid of bijzondere omstandigheden.
  • UHT heeft met de voorlopige beslissing integrale beoordeling kinderopvang-toeslag van 18 november 2024 aan belanghebbende kenbaar gemaakt dat over de jaren 2016 tot en met 2019 geen compensatie wordt toegekend.
  • UHT heeft met het bestreden besluit aan belanghebbende geen compensatie toegekend voor de jaren 2016 tot en met 2019.
  • De gemachtigde heeft bij brief van 20 december 2024 tegen dit besluit een bezwaarschrift ingediend.
  • UHT heeft op 22 september 2025 schriftelijk op het bezwaarschrift gereageerd.
  • Op 25 februari 2026 heeft de gemachtigde het bezwaar aangevuld.
  • Op 10 maart 2026 heeft een hoorzitting plaatsgevonden. Van deze hoorzitting is een verslag gemaakt, dat achter het advies is gevoegd.
  • Op 16 maart 2026 heeft UHT per e-mail gereageerd en aanvullende stukken ingebracht.
  • Op 23 maart 2026 heeft gemachtigde een reactie gegeven.   
  • Dit advies wordt uitgebracht door de voorzitter en 2 commissieleden.

Ontvankelijkheid

Niet in geschil is dat het bezwaarschrift ontvankelijk is.

Overwegingen ten aanzien van de bezwaren en het bestreden besluit

De Commissie ziet zich gesteld voor de vraag of UHT op goede gronden tot haar beslissing is gekomen om het verzoek van belanghebbende om compensatie of een tegemoetkoming voor de toeslagjaren 2016 tot en met 2019 af te wijzen.

De Commissie stelt vast dat belanghebbende met betrekking tot de jaren 2017 en 2019 geen inhoudelijke bezwaargronden naar voren heeft gebracht. De Commissie heeft met betrekking tot deze jaren ook geen onregelmatigheden waargenomen, mede gelet op de beschouwing van UHT van 22 september 2025. De Commissie zal zich daarom hieronder beperken tot de toeslagjaren 2016 en 2018.

Stopzettingen van KOT met betrekking tot de toeslagjaren 2016 en 2018
Met betrekking tot toeslagjaar 2016 merkt de Commissie op dat belanghebbende op 28 juni 2016 KOT heeft aangevraagd met ingang van 25 juli 2016.
Bij beschikking van 22 augustus 2016 heeft B/T de KOT vastgesteld op € 6.429. Vervolgens heeft belanghebbende de KOT op 2 augustus 2016 met ingang van
25 juli 2016 weer stopgezet. Deze stopzetting is geregistreerd in het TVS-systeem, waaruit kan worden afgeleid dat het een elektronische melding betreft die door belanghebbende zelf is gedaan. In de e-mail van 16 maart 2026 heeft UHT het onderliggende XML-bestand ingebracht, waaruit blijkt dat belanghebbende via het burgerportaal de stopzetting heeft doorgegeven.

Voor toeslagjaar 2018 merkt de Commissie op dat aan belanghebbende bij beschikking van 21 april 2018 op voorschotbasis KOT is toegekend voor een bedrag van € 3.346, voor de periode van 1 januari tot en met 22 januari 2018 en van 1 maart tot en met 31 december 2018. Op 2 juli 2018 heeft belanghebbende doorgegeven dat de KOT per 1 juli 2018 moest worden stopgezet. Naar aanleiding hiervan is de KOT bij beschikking van 31 augustus 2018 verlaagd naar € 1.371.
Ook in dit geval is de melding van 2 juli 2018 elektronisch in het TVS-systeem opgenomen en blijkt uit het door UHT ingebrachte XMLbestand dat belanghebbende via het burgerportaal de wijziging heeft doorgegeven.

De gemachtigde heeft in haar reactie van 23 maart 2026 betwist dat belanghebbende de KOT in 2016 en 2018 zelf heeft stopgezet. De overgelegde XML-bestanden bevatten geen persoonlijke DigiD-ondertekening, maar slechts een systeemhandtekening, waardoor onvoldoende bewijs bestaat dat zij de handelingen zelf heeft verricht. Volgens een uitspraak van de rechtbank Rotterdam (ECLI:NL:RBROT:2026:2226) zijn dergelijke bestanden alleen geldig bewijs als zij een DigiD-ondertekening bevatten. Bovendien zijn de stopzettingen afgeleid van indirecte systeemregistraties en vertonen de bestanden technische gebreken.
Uit de gegevens blijkt dat belanghebbende in 2018 nog kinderopvang afnam, wat haar stelling versterkt. Daarom kan volgens de gemachtigde niet worden vastgesteld dat zij de stopzettingen zelf heeft uitgevoerd en wijst het ontbreken van bewijs op vooringenomen handelen van B/T.

De Commissie overweegt dat het ontbreken van een persoonlijke DigiD-ondertekening in een XML-bestand op zichzelf niet voldoende is om te concluderen dat belanghebbende de stopzetting niet zelf heeft verricht. Ook een systeemhandtekening of intern gegenereerd bestand sluit niet uit dat de handeling via het burgerportaal met DigiD-authenticatie is uitgevoerd. Doorslaggevend is of uit het geheel van de overgelegde stukken en de context kan worden vastgesteld wie de handeling daadwerkelijk heeft verricht.

De bewijslast ligt bij belanghebbende als zij stelt dat de stopzetting niet door haarzelf is uitgevoerd als in het systeem van de Belastingdienst (XML-bestanden) opgenomen is dat zij dat wel heeft gedaan. Het bestuursorgaan moet op haar beurt voldoende inzicht geven in de herkomst en de technische werking van de bestanden om te beoordelen of de handeling aan belanghebbende kan worden toegerekend.

Het feit dat belanghebbende tegen de daaruit voortvloeiende beschikkingen geen bezwaar heeft aangetekend, ondersteunt het standpunt van UHT dat de meldingen van haar afkomstig zijn. Bovendien blijkt uit het LIC-overzicht van 2016 dat de KOT op 16 augustus 2016 op het rekeningnummer van belanghebbende is overgemaakt. Nadien is de KOT niet meer op haar rekening overgemaakt. Indien de stopzetting per 25 juli 2016 niet van haar afkomstig zou zijn geweest, zou het voor de hand hebben gelegen dat belanghebbende hiervan melding zou hebben gemaakt bij B/T. Uit het LIC-overzicht van 2018 blijkt eveneens dat op 16 juli 2018 de laatste betaling op het rekeningnummer van belanghebbende is overgemaakt. Deze laatste betaling moet het gevolg zijn geweest van de stopzetting per 1 juli 2018. Vervolgens heeft belanghebbende per 1 oktober 2018 opnieuw KOT aangevraagd, waarna de uitbetaling van KOT op 14 november 2018 weer is hervat. De Commissie concludeert daarom dat de stopzettingen van de KOT voor 2016 en 2018 door belanghebbende aannemelijk zijn en niet aan het handelen van B/T kunnen worden toegerekend.

Gelet op het voorgaande is de Commissie van oordeel dat de stopzettingen in zowel 2016 als 2018 elektronisch door belanghebbende zijn doorgegeven via het burgerportaal en correct zijn verwerkt in het TVS-systeem.

Juiste vaststelling van KOT voor toeslagjaar 2018
Belanghebbende heeft op 3 oktober 2018 opnieuw KOT aangevraagd met ingang van 1 oktober 2018. Bij beschikking van 21 november 2018 is het voorschot vervolgens verhoogd naar € 2.359. Op 3 juli 2019 heeft de bewindvoerder van belanghebbende het antwoordformulier met betrekking tot de KOT over 2018 aan B/T gestuurd. Daarbij is aangegeven dat in de periode van 8 januari tot en met
27 december 2018 gebruik is gemaakt van kinderopvang. Bij het formulier is ook de jaaropgave van kinderopvanginstelling Kanteel gevoegd. Uit deze opgave blijkt dat in totaal 440 uur kinderopvang is afgenomen in de genoemde periode.
Deze jaaropgave komt overeen met de informatie uit de KOI-viewer. Desondanks is B/T uitgegaan van afgenomen kinderopvang over de periode van 1 januari tot en met 30 juni 2018 en van 1 oktober tot en met 31 december 2018. De KOT is vervolgens bij beschikking van 13 februari 2021 opwaarts bijgesteld naar € 3.088.

De Commissie overweegt dat compensatie in het kader van de Wht is bedoeld voor situaties waarin een ouder daadwerkelijk schade heeft geleden als gevolg van institutionele vooringenomenheid of een toepassing van het recht die heeft geleid tot onbillijke hardheid. Indien sprake is van reguliere uitvoering van de toeslagregeling en geen aanwijzingen bestaan voor vooringenomen handelen of onbillijke hardheid, bestaat in beginsel geen grond voor toekenning van compensatie.

Naar het oordeel van de Commissie doet een dergelijke situatie zich hier voor, nu belanghebbende zelf de KOT heeft stopgezet en B/T daaraan uitvoering heeft gegeven. Niet is gebleken dat B/T op dat moment over afwijkende informatie beschikte die aanleiding had moeten geven tot nader onderzoek. Evenmin is de Commissie gebleken dat belanghebbende met de beschikking van 13 februari 2021 tekort is gedaan. Daarbij neemt de Commissie in aanmerking dat het aantal uren kinderopvang waarmee rekening is gehouden, te weten 440 uur, is verdeeld over de periode van 1 januari tot en met 30 juni 2018 en van 1 oktober tot en met 31 december 2018.

Gelet op het voorgaande is de Commissie van oordeel dat geen sprake is geweest van institutionele vooringenomenheid of een situatie van onbillijke hardheid.
Deze bezwaargrond treft dan ook geen doel.

Proceskostenvergoeding
Nu de Commissie niet adviseert het bestreden besluit te herroepen, is er geen aanleiding een vergoeding van de proceskosten toe te kennen.

Conclusie

Samengevat adviseert de Commissie om het bezwaar ongegrond te verklaren en het verzoek om een proceskostenvergoeding af te wijzen.

[handtekening]

Secretaris

[handtekening]

Fungerend voorzitter