BAC 2025-16433
Publicatiedatum 22-07-2026
Advies van de Bezwaarschriftenadviescommissie hersteloperatie toeslagen
Aan: Belastingdienst/Uitvoeringsorganisatie Herstel Toeslagen (hierna: UHT)
Betreft: het bezwaarschrift van belanghebbende
Primair besluit: 1 november 2023 (UHT-DCHA)
Hoorzitting: 24 april 2026 om 10:00 uur
Overdracht advies aan UHT: 11 mei 2026
Samenvatting
De Bezwaarschriftenadviescommissie (hierna: de Commissie) adviseert UHT om het bezwaar ongegrond te verklaren en geen vergoeding van de kosten van rechtsbijstand toe te kennen.
Onderwerp van advies
Het door gemachtigde namens belanghebbende ingediende bezwaarschrift is gericht tegen het door UHT genomen definitieve besluit kinderopvangtoeslag (hierna: het bestreden besluit). Hierbij is aan belanghebbende met toepassing van de Wet hersteloperatie toeslagen (hierna: Wht) geen compensatie toegekend voor het toeslagjaar 2010.
Procesverloop
- Belanghebbende heeft op 9 februari 2021 verzocht om een herbeoordeling van de kinderopvangtoeslag (hierna: KOT) over de toeslagjaren 2007 tot en met 2011. Na overleg tussen belanghebbende en UHT is dit verzoek beperkt tot het toeslagjaar 2010.
- De Commissie van Wijzen (hierna: CvW) heeft haar beoordeling van het verzoek van belanghebbende op 12 oktober 2023 aan UHT toegestuurd. De CvW heeft geadviseerd dat de compensatieregeling van artikel 2.1, eerste lid, van de Wht niet van toepassing is voor het toeslagjaar 2010.
- UHT heeft bij het bestreden besluit aan belanghebbende medegedeeld dat zij geen recht heeft op compensatie voor het toeslagjaar 2010.
- Gemachtigde heeft bij brief van 5 december 2023 tegen dit besluit een bezwaarschrift ingediend.
- Gemachtigde heeft bij brief van 4 juli 2024 het bezwaarschrift aangevuld.
- UHT heeft op 30 juli 2025 schriftelijk gereageerd op het bezwaarschrift.
- Op 24 april 2026 heeft een hoorzitting plaatsgevonden. Van de hoorzitting is een verslag gemaakt, dat achter het advies is gevoegd.
- Dit advies wordt uitgebracht door de voorzitter en twee commissieleden.
Ontvankelijkheid
Niet in geschil is dat het bezwaarschrift ontvankelijk is.
Overwegingen ten aanzien van de bezwaren en het bestreden besluit
Onvolledig dossier
Belanghebbende voert in bezwaar aan dat het dossier onvolledig is. De Commissie volgt dit standpunt van belanghebbende niet. De schriftelijke beschouwing en de onderliggende stukken zijn op 30 juli 2025 aan gemachtigde toegezonden. De Commissie vindt dat met het toezenden van deze stukken is voldaan aan de in artikel 7:4 lid 2 Algemene wet bestuursrecht (Awb) neergelegde verplichting om alle op de zaak betrekking hebbende stukken ter inzage te leggen. De Commissie adviseert UHT daarom om dit onderdeel van het bezwaar ongegrond te verklaren.
Inhoudelijke bezwaren
Beoordeling afwijzing compensatie toeslagjaar 2010
De Commissie ziet zich gesteld voor de beantwoording van de vraag of UHT terecht en op goede gronden is gekomen tot haar beslissing om het verzoek van belanghebbende om compensatie of tegemoetkoming over het toeslagjaar 2010 af te wijzen.
De Commissie heeft in de gronden van bezwaar geen aanknopingspunten kunnen vinden om te adviseren dat de Belastingdienst/Toeslagen (hierna: B/T) bij de toekenning, aanpassing of terugvordering van de KOT over het toeslagjaar 2010 institutioneel vooringenomen heeft gehandeld of dat sprake was van bijzondere hardheid van het stelsel. De terugvordering van de KOT over dit toeslagjaar was gebaseerd op de vaststelling dat een te hoog voorschot was toegekend.
Dat voorschot is door een reguliere wijziging opnieuw berekend. Zoals UHT heeft toegelicht, blijkt uit het XML bestand, overgelegd als productie 1210005 van het ouderdossier, dat de stopzetting van de KOT per 31 juli 2010 op 1 september 2010 digitaal is doorgegeven met het burgerservicenummer (BSN) van belanghebbende. Bovendien blijkt uit de KOI-viewer (door kinderopvanginstelling aangeleverde gegevens) dat voor beide kinderen (producties 1210008 en 1210009) opvang is afgenomen van 1 respectievelijk 16 april 2010 tot en met 31 juli 2010. Daarnaast is uit de stukken niet gebleken dat belanghebbende tegen de verlaging van de KOT bezwaar heeft gemaakt. Indien zij van mening was dat de KOT ten onrechte zou zijn verlaagd wegens een onverklaarbare stopzetting, had het naar de opvatting van de Commissie in de rede gelegen dat zij daartegen actie had ondernomen. Tevens heeft de Commissie in het dossier geen aanwijzingen gevonden dat B/T de KOT ambtshalve heeft stopgezet c.q. verlaagd. De bijstellingen zijn in overeenstemming met de wet uitgevoerd en wijzen niet op een vooringenomen handelwijze van B/T dan wel op hardheid. De stelling van belanghebbende dat in het ouderdossier de naam van een verkeerde kinderopvanginstelling (hierna: KOI) is genoemd, maakt het voorgaande niet anders. UHT heeft toegelicht dat uit het RKT-bestand volgt dat B/T desondanks van de juiste KOI is uitgegaan. De Commissie heeft niet kunnen constateren dat op dit punt sprake is van vooringenomenheid of van hardheid. Er was in het toeslagjaar 2010 ook geen sprake van een onterechte kwalificatie opzet/grove schuld (O/GS-kwalificatie), zodat ook geen aanspraak bestaat op een daarop gebaseerde vergoeding. De Commissie adviseert UHT daarom om dit onderdeel van het bezwaar ongegrond te verklaren.
Verrekening met andere toeslagen
Belanghebbende stelt dat zij in financiële problemen is geraakt doordat terug te vorderen bedragen zijn verrekend met overige toeslagen. De Commissie overweegt ter zake als volgt. Bij de bepaling van de hoogte van de compensatie in de artikelen 2.2 en 2.3 Wht wordt aangesloten bij het bedrag van de weigering, terugvordering of stopzetting van KOT die een direct gevolg is van onder andere hardheid. De verrekening van een op zichzelf terechte terugvordering of stopzetting valt daar niet onder. B/T is daartoe bevoegd op grond van artikel 30 van de Awir. Niet is gebleken dat in dit geval niet van deze bevoegdheid gebruik had kunnen worden gemaakt. De Commissie adviseert UHT het bezwaar op dit punt ongegrond te verklaren.
Algemene beginselen van behoorlijk bestuur
Met de door UHT in bezwaar ingediende beschouwing en de overgelegde stukken – waaronder een uitgebreide uitleg met behulp van de overzichten van het Landelijke Incassocentrum (LIC) - en de overige producties, is in ieder geval thans geen sprake van strijd met het door belanghebbende genoemde algemene beginselen van behoorlijk bestuur. De vraag of die strijd er wel was ten tijde van het bestreden besluit behoeft in dit geval geen beantwoording. Wat nader is onderbouwd en uiteengezet omtrent de voorbereiding en motivering van het bestreden besluit leidt immers niet tot het herroepen daarvan.
Vergoeding van de kosten van rechtsbijstand
Aangezien de Commissie zal adviseren het bezwaar ongegrond te verklaren en het bestreden besluit dus niet te herroepen, komen de kosten van rechtsbijstand niet voor vergoeding in aanmerking.
Conclusie
Samengevat adviseert de Commissie UHT, de hiervoor opgeworpen vraag bevestigend beantwoordend, om het bezwaar ongegrond te verklaren en geen vergoeding van de kosten van rechtsbijstand toe te kennen.
[handtekening]
Secretaris
[handtekening]
Fungerend voorzitter