BAC 2025-16417
Publicatiedatum 17-08-2026
Advies van de Bezwaarschriftenadviescommissie hersteloperatie toeslagen
Aan: Belastingdienst/Uitvoeringsorganisatie Herstel Toeslagen (hierna: UHT)
Betreft: het bezwaarschrift van belanghebbende
Primair besluit: 25 maart 2024 (UHT-DCHA)
Hoorzitting: 10 maart 2026
Overdracht advies aan UHT: 27 mei 2026
Samenvatting
De Bezwaarschriftenadviescommissie (hierna: de Commissie) adviseert UHT om het bezwaar gedeeltelijk gegrond te verklaren. Voorts adviseert de Commissie om het verzoek voor een proceskostenvergoeding toe te wijzen.
Onderwerp van advies
Het door gemachtigde namens belanghebbende ingediende bezwaarschrift is gericht tegen de door UHT genomen definitieve beschikking compensatie kinderopvangtoeslag van 25 maart 2024 met het kenmerk UHT-DCHO (hierna: het bestreden besluit).
Met het bestreden besluit is aan belanghebbende een compensatie toegekend van € 15.225.
Procesverloop
- Belanghebbende heeft op 10 februari 2021 verzocht om een herbeoordeling van de kinderopvangtoeslag (hierna: KOT) van 2008 tot en met 2016.
- UHT heeft bij beschikking van 30 april 2021 aan belanghebbende medegedeeld dat zij in aanmerking komt voor een betaling van € 30.000.
- De Commissie van Wijzen heeft op 23 oktober 2023 UHT geadviseerd dat belanghebbende in de periode van 2008 tot en met 2014 en de maanden juli tot en met december 2016 geen recht heeft op compensatie op grond van een herstelregeling. Voor toeslagjaar 2015 en de periode januari tot en met juni 2016 heeft belanghebbende wel recht op compensatie.
- UHT heeft bij vooraankondiging aan belanghebbende een compensatie toegekend van € 14.550.
- UHT heeft bij de bestreden beschikking aan belanghebbende een compensatie toegekend van € 15.225 voor toeslagjaar 2015 en de periode januari tot en met juni 2016.
- Gemachtigde heeft bij brief van 8 oktober 2024 tegen dit besluit bezwaar gemaakt.
- Gemachtigde heeft bij brief van 10 april 2025 het bezwaarschrift aangevuld.
- UHT heeft op 23 juni 2025 schriftelijk gereageerd op het bezwaarschrift.
- Op 10 maart 2026 heeft een hoorzitting plaatsgevonden. Van de hoorzitting is een verslag gemaakt, dat achter het advies is gevoegd.
- Dit advies wordt uitgebracht door de voorzitter en twee commissieleden.
Ontvankelijkheid en algemene opmerkingen
Niet in geschil is dat het bezwaar ontvankelijk is.
Overwegingen ten aanzien van de bezwaren en het bestreden besluit
Persoonlijk dossier
Belanghebbende stelt dat zonder het volledige persoonlijke dossier niet kan worden beoordeeld of alle relevante stukken er zijn. De Commissie volgt dit standpunt van belanghebbende niet. De schriftelijke beschouwing en de stukken die daaraan ten grondslag liggen, zijn aan belanghebbende toegezonden. De Commissie vindt dat UHT met het toezenden van deze stukken heeft voldaan aan de verplichting op grond van artikel 7:4 lid 2 Algemene wet bestuursrecht (Awb) om alle op de zaak betrekking hebbende stukken ter inzage te leggen. Dat kan anders zijn als de belanghebbende een duidelijk aanknopingspunt geeft waarom het persoonlijk dossier moet worden afgewacht. Dat is hier niet gebeurd. De enkele opmerking dat bij onbekendheid van de stukken in dat dossier het mogelijk is dat er nog relevante informatie ontbreken, is niet voldoende. De Commissie adviseert UHT daarom om dit onderdeel van het bezwaar ongegrond te verklaren.
Zorgvuldigheids- en motiveringsbeginsel
Belanghebbende betoogt dat het bestreden besluit onvoldoende is gemotiveerd en onvoldoende zorgvuldig tot stand is gekomen. Voor zover het bestreden besluit onzorgvuldig is voorbereid of gemotiveerd, kan UHT naar het oordeel van de Commissie de gebreken herstellen aan de hand van wat daarover in haar beschouwing is opgemerkt. De Commissie adviseert UHT om dit onderdeel van het bezwaar ongegrond te verklaren.
Belanghebbende stelt dat zij over toeslagjaar 2008 recht heeft op compensatie op grond van vooringenomen handelen.
De Commissie overweegt dat uit de stukken in het dossier blijkt dat belanghebbende op het antwoordformulier zelf heeft aangegeven dat in toeslagjaar 2008 geen gebruik is gemaakt van kinderopvang. Belastingdienst/Toeslagen (hierna: B/T) mag op de door belanghebbende aangeleverde informatie vertrouwen en om deze reden was er indertijd ook geen aanleiding om een nadere uitvraag te doen. De KOT is aangepast op grond van de door belanghebbende aangeleverde informatie. Hieruit blijkt niet dat er sprake is van vooringenomen handelen van B/T. De Commissie ziet geen omstandigheden om ten aanzien van belanghebbende hier anders over te oordelen. De Commissie adviseert het bezwaar op dit onderdeel ongegrond te verklaren.
De Commissie stelt vast dat UHT in haar beoordeling heeft aangegeven dat belanghebbende recht heeft op een compensatie op grond van hardheid over toeslagjaar 2009. De Commissie adviseert UHT om de compensatieberekening aan te passen en dit onderdeel van het bezwaar gegrond te verklaren.
De Commissie volgt het standpunt van UHT, zoals is aangegeven in de schriftelijke reactie, dat de eerdere berekening met betrekking tot de rentevergoeding over gemiste KOT opnieuw berekend moet worden en aangepast dient te worden in het voordeel van belanghebbende. De Commissie adviseert UHT dit onderdeel van het bezwaar gegrond te verklaren.
Gelet op het voorgaande dient ook de immateriële schadevergoeding berekend te worden tot de datum van de beslissing op bezwaar.
De Commissie merkt op dat bovenstaande aanpassing tot gevolg heeft dat ook de aanvullende vergoeding van 1% dient te worden doorberekend tot de datum van de beslissing op bezwaar.
Belanghebbende stelt dat zij over toeslagjaar 2010 recht heeft op compensatie op grond van hardheid, zoals ook in de schriftelijke beschouwing door UHT is vermeld.
De Commissie stelt vast dat op pagina 5 van de schriftelijke beschouwing van UHT het volgende staat opgenomen: “Uit het voorgaande blijkt dat de daadwerkelijke kinderopvangkosten hoger zijn dan de uitbetaalde KOT aan de KOI. Hierdoor voldoet u aan de drempelwaarde van € 1.500 en heeft u recht op compensatie op basis van de hardheidsregeling”.
Alhoewel de Commissie begrijpt dat deze zin voor verwarring bij belanghebbende heeft gezorgd, oordeelt de Commissie dat tegen de achtergrond van hetgeen overigens in de schriftelijke beschouwing van UHT is opgemerkt deze zin op kenbare wijze per abuis in de beschouwing is opgenomen. Dit blijkt duidelijk uit het door UHT uiteengezette stappenplan in de beschouwing, waarin staat beschreven dat belanghebbende juist niet voldoet aan de drempelwaarde van €1.500. UHT heeft dit ter zitting nader toegelicht en aangegeven dat voor toeslagjaar 2010 geen sprake van hardheid is. De Commissie acht dit standpunt navolgbaar en het resultaat daarvan een juiste uitkomst. Zij neemt hierbij in aanmerking dat, gelet op het LIC-overzicht over toeslagjaar 2010, de opvangkosten over deze periode hoger zijn dan de bedragen die zijn uitbetaald aan de opvanginstelling. Om deze reden voldoet belanghebbende niet aan de drempelwaarde van € 1.500 om in aanmerking te kunnen komen voor een compensatie op grond van hardheid. De Commissie adviseert dan ook om het bezwaar op dit onderdeel ongegrond te verklaren.
Belanghebbende stelt dat zij recht heeft op compensatie over 2011 op grond van de hardheidsregeling.
De Commissie stelt vast dat uit het XML-bestand (productie 121102) in het dossier blijkt dat belanghebbende zelf de KOT op 4 december 2010 per 1 januari 2011 heeft stopgezet. Om deze reden is de KOT op nihil gesteld. Er was ook geen aanleiding voor B/T om een nadere uitvraag te doen. Verder overweegt de Commissie dat uit het LIC-overzicht over toeslagjaar 2011 blijkt dat er geen KOT is uitbetaald. Belanghebbende komt dan ook niet in aanmerking voor compensatie op grond van hardheid. De Commissie ziet in het bezwaar geen aanknopingspunten die leiden tot een andere beoordeling. De Commissie adviseert om het bezwaar op dit onderdeel ongegrond te verklaren.
Toeslagjaren 2012, 2013 en 2014
Belanghebbende stelt dat zij recht heeft op compensatie over toeslagjaren 2012, 2013 en 2014.
De Commissie heeft geen aanknopingspunten kunnen vinden om te adviseren dat B/T bij de toekenning, aanpassing of terugvordering van de KOT voor de toeslagjaren 2012, 2013 en 2014 institutioneel vooringenomen heeft gehandeld of dat het stelsel te hard heeft uitgewerkt. De terugvorderingen van KOT over deze toeslagjaren waren gebaseerd op de vaststelling dat er een te hoog voorschot was toegekend. Dat voorschot is door reguliere wijzigingen opnieuw berekend. Deze bijstellingen zijn in overeenstemming met de wet uitgevoerd. Dergelijke bijstellingen geven in beginsel geen aanspraak op een zogenoemde hardheidstegemoetkoming. De Commissie heeft geen aanknopingspunten gevonden om hierover in het geval van belanghebbende anders te oordelen. De Commissie volgt de stelling van belanghebbende dat er niet vertrouwd mag worden op informatie uit de KOI-viewer niet. De Commissie gaat uit van de stelregel dat B/T en UHT mogen uitgaan van de informatie uit de KOI-viewer, tenzij er indicaties zijn die het tegendeel aannemelijk maken. Belanghebbende heeft geen informatie naar voren gebracht waaruit blijkt dat de informatie uit de KOI-viewer niet juist is.
De Commissie onderschrijft de conclusie van UHT dat belanghebbende geen recht heeft op compensatie op grond van een herstelregeling over de toeslagjaren 2012, 2013 en 2014. De Commissie adviseert UHT daarom om dit onderdeel van het bezwaar ongegrond te verklaren.
Belanghebbende stelt dat zij ook over de tweede helft van toeslagjaar 2016 recht heeft op compensatie. Belanghebbende betwist dat zij de KOT heeft stopgezet.
De Commissie overweegt dat uit de stukken in het dossier is gebleken dat belanghebbende van januari 2016 tot en met april 2016 opvang heeft genoten. Daarnaast blijkt dat de KOT op 3 juli 2016 elektronisch door belanghebbende is stopgezet per 13 juni 2016. De Commissie ziet in hetgeen belanghebbende naar voren heeft gebracht geen aanknopingspunten om aan te nemen dat deze gegevens onjuist zijn. Daarnaast overweegt de Commissie dat belanghebbende haar stelling dat zij ook over de tweede helft van toeslagjaar 2016 opvang heeft afgenomen niet nader heeft onderbouwd. De Commissie is van oordeel dat onvoldoende is gebleken dat belanghebbende ook na april 2016 opvang heeft genoten. Belanghebbende is door UHT over de maanden mei en juni 2016 gecompenseerd, terwijl toen, zoals volgt uit de stukken, de opvang al gestopt was. Gelet op het voorgaande acht de Commissie het standpunt van UHT dat belanghebbende over de periode juli tot en met december 2016 geen recht heeft op compensatie, omdat sprake is van evident geen recht, navolgbaar. De Commissie adviseert dit onderdeel van het bezwaar ongegrond te verklaren.
Verrekeningen en materiële schade
Belanghebbende voert aan dat zij in aanmerking komt voor een compensatie van de schade die zij heeft geleden als gevolg van de verrekeningen van de terugvorderingen met de nadien toegekende toeslagen (waaronder de toegekende KOT). Ook stelt zij recht te hebben op een vergoeding voor de door haar geleden materiële schade.
De Commissie overweegt dat deze verrekeningen onderdeel zijn van de uitvoering die door de wetgever aan de KOT is gegeven. De nu voorliggende procedure heeft alleen betrekking op de toekenning van de standaardvergoedingen en niet op de vergoeding van de werkelijke schade. Als belanghebbende van mening is dat haar aanvullende compensatie voor de werkelijke schade als gevolg van de verrekeningen toekomt, kan zij hiervoor een verzoek toe indienen bij de Commissie Werkelijke Schade. De Commissie adviseert dit onderdeel van het bezwaar ongegrond te verklaren.
Proceskostenvergoeding
Nu het bezwaar naar de mening van de Commissie gegrond is en het advies van de Commissie ertoe strekt om het bestreden besluit te herroepen, adviseert de Commissie om de kosten van rechtsbijstand in deze procedure te vergoeden op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht. De Commissie adviseert om hierbij de hoogste vergoeding toe te kennen met wegingsfactor twee.
Conclusie
Samengevat adviseert de Commissie om het bezwaar gedeeltelijk gegrond te verklaren en om:
- belanghebbende te compenseren op grond van hardheid over toeslagjaar 2009;
- de compensatieberekening aan te passen conform de schriftelijke reactie;
- het bezwaar voor het overige ongegrond te verklaren;
- een vergoeding van de proceskosten voor de onderhavige bezwaarprocedure toe te kennen van twee procespunten met wegingsfactor twee voor het hoogste tarief.
[handtekening]
Secretaris
[handtekening]
Fungerend voorzitter