Ga direct naar de inhoud Ga direct naar de filters Ga direct naar de footer

BAC 2025-16402

Advies van de Bezwaarschriftenadviescommissie hersteloperatie toeslagen

Aan: Belastingdienst/Uitvoeringsorganisatie Herstel Toeslagen (hierna: UHT)

Betreft: het bezwaarschrift van belanghebbende

Primair besluit: 29 mei 2024 (UHT-DCHO)

Hoorzitting: n.v.t.

Overdracht advies aan UHT: 24 maart 2026

Samenvatting

De Commissie adviseert om het bezwaar tegen de beschikking met de kenmerk UHT-DCHO gedeeltelijk gegrond te verklaren, die beschikking te herroepen, opnieuw te beslissen overeenkomstig dit advies en aan belanghebbende een proceskostenvergoeding toe te kennen.

Onderwerp van advies

Het door de gemachtigde namens belanghebbende ingediende bezwaarschrift is gericht tegen de door UHT genomen definitieve beschikking compensatie kinderopvangtoeslag.

Aan belanghebbende is met toepassing van de Wet hersteloperatie toeslagen (hierna: Wht) compensatie toegekend voor een bedrag van € 55.755,- voor de jaren 2006, 2007, 2008 en 2009 en geen compensatie toegekend voor het jaar 2010.

Procesverloop

  • Belanghebbende heeft op 31 maart 2021 verzocht om een herbeoordeling van de kinderopvangtoeslag (hierna: KOT) over de jaren 2006, 2007 en 2008.
    Nadien is in overleg met belanghebbende dit verzoek uitgebreid met de jaren 2009 en 2010.
  • UHT heeft bij beschikking van 10 mei 2022 aan belanghebbende medegedeeld dat zij niet in aanmerking komt voor een betaling van € 30.000,-.
  • UHT heeft bij vooraankondiging aan belanghebbende een compensatie toegekend voor een bedrag van € 55.556,-.
  • UHT heeft bij de bestreden beschikking aan belanghebbende een compensatie toegekend voor een bedrag van € 55.755,- voor de jaren 2006, 2007, 2008 en januari 2009 en geen compensatie toegekend voor het jaar 2010.
  • Gemachtigde heeft bij brief van 26 juni 2024 tegen deze beschikking een bezwaarschrift ingediend.
  • UHT heeft op 11 september 2025 schriftelijk gereageerd op het bezwaarschrift.
  • Op 13 januari 2026 heeft de Commissie gemachtigde per e-mail gevraagd of belanghebbende afzag van het recht om te worden gehoord. Tevens heeft de Commissie meegedeeld dat, indien van dit recht werd afgezien, met ingang van die datum een termijn van vijf weken gold voor het indienen van aanvullende gronden. Bij e-mail van 21 januari 2026 heeft belanghebbende te kennen gegeven niet ter hoorzitting te zullen verschijnen. Van de mogelijkheid om aanvullende gronden in te dienen is geen gebruik gemaakt.
  • Dit advies wordt uitgebracht door de voorzitter en twee commissieleden.

Ontvankelijkheid

Niet in geschil is dat het bezwaarschrift ontvankelijk is.

Overwegingen ten aanzien van de bezwaren en het bestreden besluit

Geen persoonlijk dossier en/of onvolledig bezwaardossier
Belanghebbende voert in bezwaar aan dat zij niet de beschikking heeft over de volledige informatie, omdat zij niet de beschikking heeft over haar persoonlijk dossier en/of het volledige bezwaardossier. De Commissie overweegt hierover het volgende. De Commissie is een onafhankelijke bezwaarschriftenadviescommissie in de zin van artikel 7:13 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb).
Voor de procedure bij de Commissie gelden de procedurele waarborgen van de Awb en tegen beslissingen op bezwaar van UHT, volgend op de adviezen van de Commissie, kan een belanghebbende rechtsmiddelen instellen bij de rechter.

Op grond van artikel 7:4 lid 2 Awb en artikel 5.2 leden 3 en 4 van de Wht heeft een belanghebbende voorafgaand aan de hoorzitting bij de Commissie recht op afschriften van de op de zaak betrekking hebbende stukken. De schriftelijke beschouwing van UHT met de bijbehorende producties is op 10 december 2025 naar gemachtigde gestuurd.

Hierdoor hebben gemachtigde en belanghebbende kennis kunnen nemen van de stukken die ten grondslag liggen aan het bestreden besluit. Uit het verzoek van belanghebbende om toezending van het persoonlijk dossier, volgt niet dat in het aan de Commissie en belanghebbende beschikbaar gestelde bezwaardossier nog specifieke stukken zouden ontbreken die van enig belang zouden kunnen zijn geweest bij de totstandkoming van het door UHT genomen besluit. Naar het oordeel van de Commissie is in voldoende mate invulling gegeven aan de procedurele waarborgen van de Awb. Het bezwaar is op dit punt dan ook ongegrond.

Beoordeling per jaar
Belanghebbende vindt het opmerkelijk dat voor sommige jaren vooringenomen handelen wordt aangenomen en voor andere jaren weer niet. Een selectie in jaren op basis van neerwaartse correcties of nihilstellingen doet geen recht aan de situatie van gedupeerde ouders. De Commissie wijst in dit verband op de wetsgeschiedenis van de Wht. In de Memorie van Toelichting wordt dit punt expliciet besproken: “Bij integrale beoordeling wordt vastgesteld wat er is misgegaan met de kinderopvangtoeslag bij een gedupeerde ouder en wordt per berekeningsjaar het herstelbedrag vastgesteld dat op grond van een herstelmaatregel als bedoeld in artikel 2.7 van dit wetsvoorstel wordt toegekend.” (Tweede Kamer, vergaderjaar 2021–2022, 36 151, nr. 3, p. 19).

De Commissie leidt hieruit af dat het kennelijk niet de bedoeling van de wetgever is geweest om de vaststelling van gedupeerd zijn van een toeslagouder automatisch door te trekken naar andere jaren. Volgens de Commissie zal daarom per jaar opnieuw moeten worden vastgesteld of sprake is geweest van vooringenomen handelen dan wel hardheid en of de werkwijze van UHT begrijpelijk en daarmee in overeenstemming is. De enkele – niet nader met feiten of omstandigheden onderbouwde – stelling dat van vooringenomenheid sprake moet zijn geweest in andere toeslagjaren als eenmaal sprake is geweest van vooringenomen handelen door de Belastingdienst/Toeslagen (hierna: B/T) of bijzondere omstandigheden in een toeslagjaar acht de Commissie daarom in zijn algemeenheid onjuist.
De Commissie adviseert UHT daarom dit deel van het bezwaar ongegrond te verklaren.

Forfaitaire bedrag materiële en immateriële schade
Met betrekking tot de hoogte van de toegekende bedragen voor materiële en immateriële schade merkt de Commissie het volgende op. Op grond van artikel 2.3 lid 3 van de Wht is de vergoeding voor materiële schade gelijk aan 25 procent van het bedrag dat als gevolg van de beschikking niet is toegekend of teruggevorderd. Op grond van artikel 2.3 lid 4 van de Wht is de vergoeding voor immateriële schade een forfaitaire vergoeding van € 500 voor ieder half jaar dat is verstreken tussen de dagtekening van een eerste beschikking als bedoeld in artikel 2.2, onderdeel a, en de dagtekening van de eerste beschikking tot toekenning van compensatie, waarbij een deel van een half jaar naar boven wordt afgerond op een half jaar. Het is op basis van de Wht niet mogelijk om af te wijken van deze systematiek en een hogere schadevergoeding toe te kennen. De onderhavige bezwaarschriftprocedure heeft alleen betrekking op de toekenning van genoemde forfaitaire (standaard) vergoedingen en niet op de vergoeding van eventuele hogere werkelijke schade. Voor het vragen van aanvullende vergoeding van werkelijke schade kan gebruik gemaakt worden van de mogelijkheden, vermeld in Home | Schadeherstel Toeslagen.

Toeslagjaar 2007: component f
UHT heeft in de schriftelijke beschouwing toegelicht dat component f verkeerd is berekend. Uit de nieuwe compensatieberekening blijkt dat component f is gewijzigd van € 18.508 naar € 16.271. De Commissie volgt deze toelichting en concludeert dat de compensatieberekening op dit punt terecht is aangepast.

Rentevergoeding gemiste KOT en immateriële schadevergoeding (componenten o en n)
In haar schriftelijke beschouwing stelt UHT dat de berekening van de rentevergoeding over gemiste KOT voor de toeslagjaren 2006 tot en met 2009 niet juist is. UHT is namelijk uitgegaan van een verkeerde start- en einddatum.
Dit leidt tot de conclusie dat een te laag bedrag is opgenomen in de compensatie-berekening. Aan belanghebbende zal nog een nabetaling plaatsvinden.

Wat betreft de vergoeding voor immateriële schade is, zoals UHT ook in de schriftelijke beschouwing heeft verklaard, ook een verkeerde start- en einddatum gehanteerd. Dit leidt niet tot een hogere vergoeding voor immateriële schade.
Het aantal halve jaren waarover de vergoeding wordt berekend verandert immers niet. Echter, daar het bezwaar gezien het voorgaande deels gegrond is, adviseert de Commissie UHT, zoals ook door UHT wordt aangegeven in de schriftelijke beschouwing, om de vergoeding voor immateriële schade te berekenen tot aan de datum van de beslissing op bezwaar.

Aanvullende vergoeding van 1 procent (component p)
Het advies van de Commissie om de compensatieberekening op de componenten n en o aan te passen, leidt ertoe dat ook de aanvullende vergoeding van 1 procent over een aldus gewijzigd subtotaal moet worden berekend in de beslissing op bezwaar.

Proceskostenvergoeding
Belanghebbende heeft verzocht om toekenning van een proceskostenvergoeding conform het Besluit proceskosten bestuursrecht. Aangezien het bezwaar naar het oordeel van de Commissie gegrond is en de bestreden beslissing moet worden herroepen, adviseert de Commissie belanghebbende proceskosten toe te kennen.

Conclusie

Gelet het vorenstaande adviseert de Commissie UHT om:

  • het bezwaar gericht tegen de beschikking met kenmerk UHT-DCHO gegrond te verklaren in die zin dat in ieder geval:
    • component f voor het toeslagjaar 2007 gewijzigd zal worden van €18.508 naar €16.271;
    • de rentevergoeding gemiste KOT over de toeslagjaren 2006 tot en met 2009 berekend zal worden over de juiste periode;
    • de vergoeding voor immateriële schade (component n) berekend zal worden tot aan de datum van de beslissing op bezwaar en in het verlengde daarvan de aanvullende vergoeding van 1 procent van het subtotaal van het compensatiebedrag (component p) aangepast zal worden;
    • een proceskostenvergoeding wordt toegekend voor deze bezwaarprocedure.

[handtekening]

Secretaris

[handtekening]

Fungerend voorzitter