Ga direct naar de inhoud Ga direct naar de filters Ga direct naar de footer

BAC 2025-16401

Advies van de Bezwaarschriftenadviescommissie hersteloperatie toeslagen

Aan: Belastingdienst/Uitvoeringsorganisatie Herstel Toeslagen (hierna: UHT)

Betreft: het bezwaarschrift van belanghebbende

Primair besluit: 29 mei 2024 (UHT-DCHO)

Hoorzitting: 9 maart 2026 om 10:00 uur

Overdracht advies aan UHT: 19 mei 2026

Samenvatting

De Bezwaarschriftenadviescommissie (hierna: de Commissie) adviseert UHT om het bezwaar gedeeltelijk gegrond te verklaren en een vergoeding van de proceskosten toe te kennen.

Onderwerp van advies

Het door gemachtigde namens belanghebbende ingediende bezwaarschrift is gericht tegen de door UHT genomen definitieve beschikking compensatie kinderopvangtoeslag, hierna het bestreden bersluit.

Aan belanghebbende is met toepassing van de Wet hersteloperatie toeslagen (hierna: Wht) compensatie toegekend voor een bedrag van € 17.545,- voor het jaar 2011 en geen compensatie toegekend voor de jaren 2012 en 2013.

Procesverloop

  • Belanghebbende heeft op 21 maart 2022 verzocht om een herbeoordeling van de kinderopvangtoeslag (hierna: KOT) over de jaren 2005 t/m 2008. In overleg met belanghebbende zijn enkel de jaren 2011 t/m 2013 in de herbeoordeling betrokken.
  • UHT heeft bij het bestreden besluit met kenmerk UHT-DCHO aan belang-hebbende compensatie toegekend voor een bedrag van € 17.545,- voor het jaar 2011 en geen compensatie toegekend voor de jaren 2012 en 2013. Het toegekende bedrag is verrekend met het op de grond van de Catshuis-regeling al toegekende bedrag van € 30.000,-.
  • Gemachtigde heeft bij brief van 14 juni 2024, ingekomen op 17 juni 2024, tegen dit besluit een bezwaarschrift ingediend.
  • UHT heeft op 16 juli 2025 schriftelijk gereageerd op het bezwaarschrift.
  • Op 3 maart 2025 heeft gemachtigde verzocht over het bezwaar op de stukken in het dossier te adviseren.
  • Dit advies wordt uitgebracht door de voorzitter en twee commissieleden.

Ontvankelijkheid

Niet in geschil is dat het bezwaar ontvankelijk is.

Overwegingen ten aanzien van de bezwaren en het bestreden besluit

De Commissie ziet zich gesteld voor de vraag of UHT de toegekende compensatie voor het jaar 2011 op de juiste wijze heeft berekend en terecht en op goede gronden is gekomen tot haar beslissing om het verzoek van belanghebbende om compensatie of tegemoetkoming voor de jaren 2012 en 2013 af te wijzen.

Motiveringsbeginsel, zorgvuldigheidsbeginsel en volledig dossier
Zoals hierna zal blijken, kan de bestreden beschikking met kenmerk UHT-DCHO niet in stand blijven. Daarmee staat vast dat de motivering ontoereikend was en bij de beslissing op bezwaar dient te worden hersteld.

UHT heeft in haar schriftelijke reactie van 16 juli 2025 nader toegelicht waarom de bestreden beschikking moet worden herroepen en waarom het bezwaar deels gegrond is. Daarnaast heeft UHT een uitgebreid dossier en aanvullende producties overgelegd. Het komt de Commissie voor dat belanghebbende daarmee kon beschikken over de op de zaak betrekking hebbende stukken.

De Commissie ziet, mede gelet op de gronden van het bezwaar, geen aanleiding om te oordelen dat UHT bij de totstandkoming van het bestreden besluit onzorgvuldig heeft gehandeld.

Toeslagjaar 2012
Belanghebbende stelt zich op het standpunt dat in het toeslagjaar 2012 vooringenomen is gehandeld. In de beschouwing erkent UHT dat in 2012 vooringenomen is gehandeld. UHT voert echter aan dat op grond van art. 39 lid 4 Wet op het primair onderwijs over de periode augustus t/m december 2012 evident geen recht op KOT bestond, omdat haar zoon [naam kind] op 5 juni 2012 de leeftijd van 14 jaar had bereikt.

De Commissie overweegt dat, nu haar zoon in 2012 14 jaar is geworden, uit art. 39 lid 4 Wet op het primair onderwijs volgde dat hij geen basisonderwijs meer volgde en belanghebbende voor hem daarom geen recht had op gekwalificeerde opvang. Voorts stelt UHT dat in april 2012 evident geen recht op KOT bestond, omdat belanghebbende blijkens de UWV-viewer in die maand niet werkzaam was.
Anders dan UHT is de Commissie van oordeel dat rekening gehouden had moeten worden met de in artikel 1.6 lid 5 Wet kinderopvang genoemde uitloopperiode. Deze bepaling houdt in dat een ouder bij verlies van arbeid gedurende drie maanden aanspraak op KOT behoudt. Dit leidt tot de conclusie dat over de periode januari t/m juli 2012 recht op compensatie bestaat wegens vooringenomen handelen en geen sprake is van de “evident geen recht” situatie.

De Commissie adviseert UHT om het bezwaar op dit punt gegrond te verklaren.

Toeslagjaar 2013
Ook ten aanzien van toeslagjaar 2013 zijn partijen het erover eens dat voorin-genomen is gehandeld. UHT stelt dat ook voor dit toeslagjaar op grond van art. 39 lid 4 Wet op het primair onderwijs evident geen recht op KOT bestond, omdat haar zoon op 5 juni 2012 de leeftijd van 14 jaar had bereikt.

De Commissie overweegt dat, nu de zoon in 2012 14 jaar is geworden, uit art. 39 lid 4 Wet op het primair onderwijs volgde dat hij geen basisonderwijs meer volgde en daarom geen recht bestond op gekwalificeerde opvang.

Dit leidt tot de conclusie dat over toeslagjaar 2013 geen recht op compensatie bestaat wegens vooringenomen handelen.

Van hardheid van het stelsel is evenmin gebleken. Hoewel de verlaging in toeslagjaar 2013 € 1.500 of meer bedroeg, zijn bijzondere omstandigheden niet gebleken die tot een ander oordeel leiden.

Er is ook geen onterechte opzet/grove schuld-kwalificatie vastgesteld.

De Commissie adviseert UHT om het bezwaar op dit punt ongegrond te verklaren.

Beoordeling forfaitaire compensatieberekening
Tussen partijen is niet in geschil dat de Belastingdienst/Toeslagen tegenover belanghebbende over het toeslagjaar 2011 vooringenomen heeft gehandeld.
Bij de bestreden beschikking van 29 mei 2024 met kenmerk UHT-DCHO heeft UHT een forfaitair compensatiebedrag van in totaal € 17.545,- toegekend, gebaseerd op een compensatieberekening.

UHT heeft in haar schriftelijke beschouwing ambtshalve de compensatie-berekening getoetst en geconcludeerd dat bij de berekening fouten zijn gemaakt. Het betreft de volgende componenten:

  • n) de immateriële schadevergoeding;
  • o) de rente gemiste KOT;
  • p) aanvullende vergoeding van 1% over het subtotaal.

UHT stelt in haar schriftelijke reactie van 16 juli 2025 dat component o niet zal worden aangepast in verband met het verbod op reformatio in peius. Dat betekent dat belanghebbende door het instellen van bezwaar niet in een slechtere positie mag komen dan wanneer zij geen bezwaar had ingesteld. De componenten n en p zullen bij de beslissing op bezwaar worden herzien, nu niet alleen over het toeslagjaar 2011 maar ook over het toeslagjaar 2012 vooringenomen is gehandeld.

De Commissie komt niet tot een ander oordeel, acht de berekening van UHT juist en zal overeenkomstig adviseren. De Commissie adviseert UHT de bestreden beschikking in zoverre te herroepen en de aangekondigde aanpassingen bij de beslissing op bezwaar door te voeren.

Proceskostenvergoeding
Nu het bezwaar naar het oordeel van de Commissie gedeeltelijk gegrond is adviseert de Commissie UHT de kosten van rechtsbijstand in deze procedure te vergoeden. Op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht heeft belanghebbende recht op een forfaitaire vergoeding op basis van één procespunt (indienen van een bezwaarschrift). Net als in eerdere zaken adviseert de Commissie daarbij de hoogste vergoeding per procespunt toe te kennen.

Conclusie

Samengevat adviseert de Commissie om:

  • het bezwaar deels gegrond te verklaren en het bestreden besluit met kenmerk UHTDCHO te herroepen;
  • belanghebbende voor toeslagjaar 2012 (januari t/m juli) te compenseren wegens vooringenomen handelen van B/T;
  • de compensatieberekening conform de beschouwing van UHT van 16 juli 2025 aan te passen;
  • een proceskostenvergoeding toe te kennen op basis van één procespunt met een wegingsfactor 2. De Commissie adviseert daarbij de hoogste vergoeding per procespunt toe te kennen.

[handtekening]

Secretaris

[handtekening]

Fungerend voorzitter