BAC 2025-16391
Publicatiedatum 28-05-2026
Advies van de Bezwaarschriftenadviescommissie hersteloperatie toeslagen
Aan: Belastingdienst/Uitvoeringsorganisatie Herstel Toeslagen (hierna: UHT)
Betreft: het bezwaarschrift van belanghebbende
Primair besluit: 23 april 2024 (UHT-DCHOA)
Overdracht advies aan UHT: 9 april 2026
Samenvatting
De Bezwaarschriftenadviescommissie (hierna: de Commissie) adviseert UHT om het bezwaar ongegrond te verklaren.
Onderwerp van advies
Het door gemachtigde namens belanghebbende ingediende bezwaarschrift is gericht tegen het door UHT genomen definitieve besluit compensatie kinderopvangtoeslag van 23 april 2024 (UHT-DCHOA). Dit besluit wordt hierna aangeduid als het bestreden besluit.
Aan belanghebbende is met toepassing van de Wet hersteloperatie toeslagen (hierna: Wht) geen compensatie toegekend voor de jaren 2010, 2011, 2012 en 2019.
Procesverloop
- Belanghebbende heeft op 3 september 2021 verzocht om een herbeoordeling van de kinderopvangtoeslag (hierna: KOT) over de jaren 2010, 2011, 2012 en 2019.
- UHT heeft bij beschikking van 20 juli 2022 aan belanghebbende meegedeeld dat zij niet in aanmerking komt voor een betaling van € 30.000,-.
- De Commissie van Wijzen (hierna: CvW) heeft haar beoordeling van het verzoek van belanghebbende op 29 maart 2024 aan de Belastingdienst/Toeslagen (hierna: B/T) toegestuurd. De CvW is van oordeel dat de B/T zich terecht op het standpunt stelt dat de compensatieregeling van artikel 2.1 lid 1 Wht niet van toepassing is voor de toeslagjaren 2010 tot en met 2013, 2018 en 2019.
- UHT heeft bij het bestreden besluit aan belanghebbende meegedeeld dat zij geen recht heeft op compensatie voor de jaren 2010, 2011, 2012 en 2019.
- Gemachtigde heeft bij brief van 3 juni 2024 tegen dit besluit een bezwaarschrift ingediend.
- UHT heeft op 17 maart 2025 schriftelijk gereageerd op het bezwaarschrift.
- De Commissie heeft op 8 januari 2026 de gemachtigde per e-mail onder meer voorgehouden dat zij vanaf oktober 2025 in alle door haar aangespannen bezwaarschriftenprocedures betreffende integrale beoordelingen – om redenen van meer zaaksoverstijgende aard – heeft afgezien van het recht om te worden gehoord. De Commissie heeft om misverstanden uit te sluiten de gemachtigde verzocht om mee te delen of belanghebbende ook in deze procedure afziet van het recht te worden gehoord. Bij dit verzoek is de gemachtigde ook in de gelegenheid gesteld nadere bezwaargronden of stukken in te dienen tot – naar uit de datum van verzending van de mail en de gegeven termijn volgt – 12 februari 2026. Kort samengevat heeft de Commissie in deze mail voorts meegedeeld dat indien geen hoorzitting wordt gewenst en binnen de gegeven termijn geen gebruik is gemaakt van de hiervoor genoemde mogelijkheid nadere stukken in te dienen, de Commissie tot advisering zal overgaan.
- Gemachtigde heeft op 22 januari 2026 per brief bevestigd dat belanghebbende geen behoefte heeft aan een hoorzitting en ervan afziet te worden gehoord op het bezwaarschrift.
- Gemachtigde heeft, ondanks daartoe door de Commissie in de gelegenheid te zijn gesteld, het bezwaarschrift niet aangevuld binnen de daarvoor gestelde termijn.
- De Commissie heeft op grond van artikel 7:3 onder c en d, van de Algemene wetbestuursrecht (hierna: Awb) afgezien van het horen van belanghebbende en adviseert op basis van de aan haar bekende stukken.
- Dit advies wordt uitgebracht door de voorzitter en twee commissieleden.
Ontvankelijkheid en algemene opmerkingen
Niet in geschil is dat het bezwaar ontvankelijk is.
Overwegingen ten aanzien van de bezwaren en het bestreden besluit
De Commissie ziet zich gesteld voor de vraag of UHT terecht en op goede gronden is gekomen tot haar beslissing om het verzoek van belanghebbende om compensatie of tegemoetkoming af te wijzen.
Motivering- en zorgvuldigheidsbeginsel
De gemachtigde stelt namens belanghebbende dat het zorgvuldigheids- en het motiveringsbeginsel zijn geschonden. Zonder volledig dossier is het voor haar niet inzichtelijk hoe UHT tot de weigering van compensatie heeft besloten.
UHT heeft het dossier en een schriftelijke reactie aan belanghebbende verstrekt. Belanghebbende heeft gelegenheid gehad om de ontvangen gegevens te beoordelen en de gronden van haar bezwaar zo nodig verder aan te vullen. Ook heeft belanghebbende de mogelijkheid gekregen om haar bezwaar op een hoorzitting nader toe te lichten, om daar nader te reageren op de van UHT ontvangen gegevens en hierop een toelichting te vragen.
De Commissie is van oordeel dat UHT het bestreden besluit voldoende heeft toegelicht. Door het schriftelijke verweer, de uitgebreide uitleg met behulp van de overzichten van het “Landelijk Incasso Centrum” (hierna: LIC) en de overige producties is het bestreden besluit voldoende onderbouwd.
De Commissie adviseert UHT om het bezwaar op dit punt ongegrond te verklaren.
Geen vooringenomen handelen of hardheid
Uit de stukken in het dossier maakt de Commissie op dat de aanpassingen van de KOT voor de toeslagjaren 2010, 2011, 2012 en 2019 zijn gebaseerd op door belanghebbende zelf doorgegeven wijzigingen, inkomenswijzigingen en/of op de kinderopvanggegevens. Er zijn geen aanwijzingen dat die gegevens onjuist of onvolledig zijn.
De Belastingdienst/Toeslagen (hierna: B/T) heeft de wettelijke taak om te controleren of de KOT-voorschotten in een gegeven toeslagjaar terecht zijn uitgekeerd en, zo niet, om eventueel te veel uitgekeerde bedragen terug te vorderen. B/T mag daarbij vertrouwen op bijvoorbeeld de inkomensgegevens van ouders zoals die in het systeem van de belastingdienst zijn verwerkt en de gegevens die ouders en kinderopvanginstellingen verstrekken.
De Commissie overweegt dat niet aannemelijk is geworden dat er bij de toekenning, aanpassing of terugvordering van de KOT voor de toeslagjaren 2010, 2011, 2012 en 2019 sprake is geweest van institutioneel vooringenomen handelen door B/T dan wel hardheid van het stelsel. De terugvorderingen KOT waren het gevolg van te hoge voorschotten die op basis van reguliere wijzigingen opnieuw zijn berekend. Deze bijstellingen zijn conform de wet uitgevoerd. Dergelijke bijstellingen geven in beginsel ook geen aanspraak op een zogenoemde hardheidstegemoetkoming. De Commissie heeft geen aanknopingspunten gevonden om hierover in dit geval anders te oordelen. Verder is er ook geen sprake geweest van een onterechte kwalificatie wegens opzet of grove schuld, zodat ook daarin geen grond kan worden gevonden voor een aanspraak op compensatie.
De Commissie adviseert UHT daarom om dit onderdeel van het bezwaar ongegrond te verklaren.
De Commissie constateert dat de belanghebbende, blijkens het gestelde in de brief van de gemachtigde van 22 januari 2026, over het nut en het belang van een hoorzitting een opvatting heeft die afwijkt van de breed gedragen zienswijze van de Commissie. Dit advies is niet de juiste plaats voor een inhoudelijke discussie over het verschil van opvatting. De Commissie volstaat met een verwijzing naar hetgeen over het beginsel van hoor en wederhoor, zoals toegepast via de weg van een hoorzitting bij de Commissie, als hoeksteen van rechtsbescherming is opgetekend in ‘De waarde van hoor en wederhoor’, Jaarverslag 2025 van de Bezwaarschriften-adviescommissie Hersteloperatie Toeslagen.
De Commissie heeft ook kennisgenomen van de passage uit de voormelde brief van de gemachtigde over de planning van de (zeer vele) bezwaarprocedures bij de Commissie waarin zij als gemachtigde optreedt. De Commissie merkt op dat er overleg met de gemachtigde heeft plaatsgevonden. Op 15 februari 2026 heeft de gemachtigde laten weten dat het bij een welwillende houding van de Commissie ten aanzien van eventuele uitstelverzoeken goed zou moeten komen. Op 19 februari 2026 heeft de Commissie gesteld dat binnen redelijke grenzen incidentele uitstelverzoeken inderdaad niet zonder welwillendheid worden bezien.
De Commissie is wat betreft de overige onderdelen van het bezwaar van oordeel dat deze, op zichzelf bezien noch in onderling verband gelezen, tot het door belanghebbende gewenste resultaat kunnen leiden.
Proceskosten
Het bezwaar is naar opvatting van de Commissie ongegrond. Er is geen aanleiding voor herroeping van het bij bezwaar bestreden besluit. De Commissie ziet, gelet op artikel 7:15 lid 2 Awb, geen aanleiding om UHT te adviseren een proceskostenvergoeding toe te kennen.
Conclusie
Samengevat adviseert de Commissie om het bezwaar ongegrond te verklaren en het verzoek voor een proceskostenvergoeding af te wijzen.
[handtekening]
Secretaris
[handtekening]
Fungerend voorzitter