Ga direct naar de inhoud Ga direct naar de filters Ga direct naar de footer

BAC 2025-16370

Advies van de Bezwaarschriftenadviescommissie hersteloperatie toeslagen

Aan: Belastingdienst/Uitvoeringsorganisatie Herstel Toeslagen (hierna: UHT)

Betreft: het bezwaarschrift van belanghebbende

Primair besluit: 29 december 2023 (UHT-DCHOA)

Hoorzitting: 4 februari 2026

Overdracht advies aan UHT: 13 februari 2026

Samenvatting

De Bezwaarschriftenadviescommissie (hierna: de Commissie) adviseert UHT om het bezwaar ongegrond te verklaren en het verzoek om vergoeding van de proceskosten af te wijzen.

Onderwerp van advies

Het door gemachtigde namens belanghebbende ingediende bezwaarschrift is gericht tegen de door UHT genomen definitieve beschikking compensatie kinderopvangtoeslag van 29 december 2023 (bestreden besluit). Aan belanghebbende is met toepassing van de Wet hersteloperatie toeslagen (hierna: Wht) geen compensatie toegekend voor de jaren 2005 tot en met 2007, 2013 en 2014.

Procesverloop

  • Belanghebbende heeft op 26 juli 2021 verzocht om herbeoordeling van de kinderopvangtoeslag (hierna: KOT). In overleg met de persoonlijk zaakbehandelaar heeft herbeoordeling plaatsgevonden van de toeslagjaren 2005 tot en met 2007, 2013 en 2014.
  • De Commissie van Wijzen (hierna: CvW) heeft haar beoordeling van het verzoek van belanghebbende op 24 oktober 2023 aan UHT toegestuurd. De CvW heeft geadviseerd dat in de betrokken jaren geen sprake is geweest van institutionele vooringenomenheid of hardheid van het stelsel.
  • UHT heeft bij het bestreden besluit van 29 december 2023 met kenmerk UHT-DCHOA aan belanghebbende meegedeeld dat zij geen recht heeft op compensatie voor de jaren 2005 tot en met 2007, 2013 en 2014.
  • Gemachtigde heeft bij brief van 1 februari 2024, ingekomen op 5 februari 2024, tegen dit besluit een bezwaarschrift ingediend.
  • Gemachtigde heeft bij brief van 14 mei 2025 de gronden van het bezwaar aangevuld.
  • UHT heeft op 1 september 2025 schriftelijk gereageerd op het bezwaarschrift.
  • Op 4 februari 2026 heeft een hoorzitting plaatsgevonden. Van de hoorzitting is een verslag gemaakt, dat achter het advies is gevoegd.
  • Dit advies wordt uitgebracht door de voorzitter, eerste commissielid en tweede commissielid.

Ontvankelijkheid

Niet in geschil is dat het bezwaarschrift ontvankelijk is.

Overwegingen ten aanzien van de bezwaren en het bestreden besluit

Procedurele bezwaren

Motivering bestreden besluit / zorgvuldigheid / belangenafweging / volledig dossier Belanghebbende voert aan, samengevat weergegeven, dat het bestreden besluit onvoldoende is gemotiveerd, dat het onzorgvuldig tot stand is gekomen en dat geen belangenafweging heeft plaats gevonden. Belanghebbende verzoekt verder om het volledige dossier.

De Commissie heeft geen aanknopingspunten gevonden voor het standpunt van belanghebbende dat de motivering van het bestreden besluit onvolledig moet worden geacht of dat de voorbereiding daarvan onzorgvuldig is geweest. De Commissie constateert dat UHT in bezwaar een schriftelijke beschouwing heeft ingediend, waarin zij een aanvullende uitleg heeft gegeven met behulp van het informatie- en beoordelingsformulier, overzichten van het Landelijk Incassocentrum (hierna: “LIC”) en overige producties. Naar het oordeel van de Commissie is het bestreden besluit hiermee in ieder geval voldoende gemotiveerd onderbouwd.

Verder overweegt de Commissie dat de schriftelijke beschouwing van UHT en het ouderdossier op 9 december 2025 aan gemachtigde zijn gezonden. Gemachtigde en belanghebbende hebben hierdoor kennis kunnen nemen van de stukken die ten grondslag liggen aan het bestreden besluit en zij hebben de gelegenheid gehad om daarop te reageren. De Commissie vindt geen aanknopingspunten dat in het aan de Commissie en belanghebbende beschikbaar gestelde ouderdossier nog stukken ontbreken die van belang zijn voor de beoordeling van het bestreden besluit. Van enige schending van het bepaalde bij artikel 7:4, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) is haar niet gebleken. Het niet nader onderbouwde standpunt van belanghebbende dat geen belangenafweging heeft plaatsgevonden leidt de Commissie niet tot het oordeel dat het evenredigheidsbeginsel is geschonden.

In het vorenstaande ligt besloten dat de op motivering, zorgvuldigheid en belangenafweging betrekking hebbende bezwaargronden niet tot aantasting van het bestreden besluit kunnen leiden.

Vertrouwensbeginsel

Belanghebbende meent dat sprake is van opgewekt vertrouwen. Zij heeft lang moeten wachten op een besluit en het past dan niet om compensatie af te wijzen. Bovendien zijn er toezeggingen gedaan in de media.

Hoewel de Commissie de gevoelens van belanghebbende dat zij lang heeft moeten wachten op een beslissing kan begrijpen, is de Commissie van oordeel dat zij aan dat enkele feit niet het vertrouwen heeft kunnen ontlenen dat zij in de integrale beoordeling als gedupeerde zou worden aangemerkt en een compensatie zou ontvangen. Uit de voorhanden stukken is het de Commissie niet gebleken dat op enig moment in de procedure aan belanghebbende concrete, ondubbelzinnige en onvoorwaardelijke toezeggingen zijn gedaan over de uitkomst van de integrale herbeoordeling. Deze bezwaargrond kan daarom niet slagen.

Afwijzing compensatie

Belanghebbende meent dat zij ten onrechte niet als gedupeerde is aangemerkt. Zij voert aan dat zij als gevolg van de KOT-problematiek schade heeft geleden en dat zij daarvoor gecompenseerd moet worden. Daarnaast vindt belanghebbende dat sprake is van hardheid. De KOT is steeds aan de kinderopvanginstelling uitbetaald maar wel voor een deel van belanghebbende teruggevorderd. Het gaat weliswaar steeds om bedragen die onder de hardheidsgrens van €1.500,- liggen, maar dat neemt niet weg dat belanghebbende daardoor in de problemen is gekomen, vooral omdat de KOT-terugvorderingen werden verrekend met andere toeslagen.

De Commissie overweegt hiervoor als volgt.

Vooropgesteld wordt dat ingevolge het bepaalde in de Wht, kortweg, voor compensatie in aanmerking de ouder waarvan aannemelijk is dat de vaststelling van zijn of haar aanspraak op KOT in enig jaar onderdeel is geweest van een institutioneel vooringenomen handelwijze van B/T of van hardheid van het stelsel.

Toeslagjaar 2005

Over toeslagjaar 2005 is de KOT tweemaal neerwaarts bijgesteld. UHT neemt het standpunt in, met verwijzing naar het WKO-bestand (vanaf pagina 123 bezwaardossier), dat het aannemelijk is dat bijstellingen het gevolg zijn geweest van een lager aantal opvanguren en/of een hoger toetsingsinkomen. Dat zijn reguliere wijzigingen. De Commissie overweegt dat de bewijslast voor het recht op compensatie blijkens de Memorie van Toelichting ligt bij de aanvrager van de compensatie. Dit betekent niet dat van de ouder wordt gevergd al de stellingen te onderbouwen met objectief verifieerbare bewijsstukken maar wel dat zij een begin van een bewijs moet leveren en aannemelijk moet maken dat er recht is op compensatie. De Commissie heeft, op grond van de voorhanden zijnde stukken, geen aanknopingspunten gevonden om tot de conclusie te komen dat er sprake is van institutioneel vooringenomen handelen door B/T.

Toeslagjaar 2006

Over toeslagjaar 2006 is de KOT éénmaal neerwaarts bijgesteld op grond van de jaaropgaven waaruit blijkt dat opvang is afgenomen tot 1 oktober 2006. UHT heeft ter zitting erkend dat de betreffende jaaropgaven niet aanwezig zijn, maar dat dit volgt uit de notitie in het RKT-bestand (pagina 138 bezwaardossier). De Commissie komt net als voor het jaar 2005 tot de conclusie dat er geen aanknopingspunten zijn om institutioneel vooringenomen handelen door B/T aan te nemen.

Toeslagjaar 2007

B/T heeft de KOT over toeslagjaar 2007 op nihil gesteld naar aanleiding van een melding stopzetting van de KOT, doorgegeven op 23 mei 2007 met ingang van 1 januari 2007 (Xml-bestand, pagina 143 bezwaardossier).

Belanghebbende betwist dat zij de KOT heeft stopgezet. Belanghebbende volgde in 2007 cursussen en had opvang nodig. Ter zitting heeft UHT in reactie hierop aangegeven dat uit het type bestand (het hiervoor genoemde Xml-bestand) kan worden afgeleid dat deze stopzetting is gedaan door belanghebbende zelf, of namens haar. Alle persoonlijke gegevens van belanghebbende, waaronder het bsn-nummer, zijn ingevuld.

De Commissie overweegt dat B/T kon uitgaan van de stopzetting die door belanghebbende is doorgevoerd en daaruit geen institutioneel vooringenomen handelen door B/T volgt.

Toeslagjaren 2013 en 2014

Over toeslagjaar 2013 is de KOT neerwaarts bijgesteld als gevolg van een stopzetting van de KOT door belanghebbende per 15 oktober 2013 (telefonische stopzetting, pagina 325 bezwaardossier). Deze stop strookt met de jaaropgaven waaruit blijkt dat opvang is afgenomen van 1 juni 2013 tot en met 15 oktober 2013 en de verklaring van belanghebbende in het ouderverhaal zoals opgenomen in het dossier. In het verlengde van de stopzetting van de KOT in oktober 2013 is de KOT over het jaar 2014 eveneens neerwaarts bijgesteld.

Gelet op deze feiten en omstandigheden overweegt de Commissie dat het onvoldoende aannemelijk is geworden dat er bij de toekenning, aanpassing of terugvordering van de KOT voor de toeslagjaren 2005 tot en met 2007, 2013 en 2014 sprake is geweest van institutioneel vooringenomen handelen door B/T.

Hardheid

Ten aanzien van het beroep op hardheid overweegt de Commissie dat tussen partijen niet in geschil is dat over alle betrokken jaren sprake is van betalingen van “KOT-naar-KOI”, maar dat de afzonderlijke bedragen die van belanghebbende zelf per jaar zijn teruggevorderd onder de hardheidsgrens van €1.500,- liggen.

In de Wht is vastgelegd dat ouders waarvan in enig jaar minder dan € 1.500,- aan KOT is teruggevorderd of het recht op KOT met minder dan € 1.500,- is verlaagd, niet in aanmerking komen voor compensatie op grond van hardheid (artikel 2.1, vierde lid, van de Wht). Van dit bedrag per berekeningsjaar kan op grond van de Wht niet worden afgeweken. De terugvorderingen bij belanghebbende voldoen in alle jaren niet aan dit bedrag. Belanghebbende komt om die reden niet in aanmerking voor compensatie op grond van hardheid van het stelsel.

Overig

De Commissie hecht eraan om tot slot nog het volgende op te merken.

Uit het dossier en al hetgeen ter zitting is besproken is het beeld naar voren gekomen dat belanghebbende in de afgelopen jaren veel stress heeft ondervonden als gevolg van de terugvorderingen van de KOT door B/T en de verrekening daarvan met andere toeslagen. Dat heeft begrijpelijkerwijs een grote impact gehad op het leven van belanghebbende en haar kinderen, niet alleen op financieel vlak maar ook op andere terreinen. Dat belanghebbende zich door de terugvorderingen van de KOT gedupeerd voelt is daarom begrijpelijk. In deze procedure dient beoordeeld te worden of dit ook kan leiden tot een geslaagd beroep op de Wht. Omdat de Commissie niet tot de conclusie komt dat er sprake is van institutioneel vooringenomen handelen of hardheid zoals bedoeld in de Wht komt zij tot de conclusie dat het bezwaar ongegrond is.

Proceskostenvergoeding

Nu de Commissie niet adviseert het bestreden besluit te herroepen, is er geen aanleiding een vergoeding van de proceskosten toe te kennen.

Conclusie

Samengevat adviseert de Commissie om het bezwaar ongegrond te verklaren.

[handtekening]

Secretaris

[handtekening]

Fungerend voorzitter