Ga direct naar de inhoud Ga direct naar de filters Ga direct naar de footer

BAC 2025-16360

Advies van de Bezwaarschriftenadviescommissie hersteloperatie toeslagen

Aan: Belastingdienst/Uitvoeringsorganisatie Herstel Toeslagen (hierna: UHT)

Betreft: het bezwaarschrift van belanghebbende

Primair besluit: 13 december 2023 (UHT-DCHOA)

Hoorzitting: 12 maart 2026 om 10:15 uur

Overdracht advies aan UHT: 14 april 2026

Samenvatting

De Bezwaarschriftenadviescommissie (hierna: de Commissie) adviseert UHT om het bezwaar ongegrond te verklaren, het bestreden besluit in stand te laten en het verzoek tot toekenning van een proceskostenvergoeding af te wijzen.

Onderwerp van advies

Het door de gemachtigde namens belanghebbende ingediende bezwaarschrift is gericht tegen het door UHT genomen definitieve besluit compensatie kinderopvangtoeslag.

Aan belanghebbende is met toepassing van de Wet hersteloperatie toeslagen (hierna: Wht) geen compensatie toegekend voor de jaren 2017 tot en met 2019.

Procesverloop

  • Belanghebbende heeft op 24 december 2021 verzocht om een herbeoordeling van de kinderopvangtoeslag (hierna: KOT) over de jaren 2005 tot en met 2019. Nadien is dit verzoek in overleg met belanghebbende gewijzigd naar de jaren 2017 tot en met 2019.
  • UHT heeft bij besluit van 16 juni 2022 aan belanghebbende medegedeeld dat zij niet in aanmerking komt voor een betaling van € 30.000,-.
  • De Commissie van Wijzen (hierna: CvW) heeft haar beoordeling van het verzoek van belanghebbende op 6 december 2023 aan UHT toegestuurd. De CvW heeft geadviseerd dat gedurende de betrokken jaren geen sprake is geweest van institutionele vooringenomenheid of bijzondere omstandigheden.
  • UHT heeft bij bestreden besluit aan belanghebbende medegedeeld dat zij geen recht heeft op compensatie voor de jaren 2017 tot en met 2019.
  • Gemachtigde heeft bij brief van 13 december 2023 tegen dit besluit een bezwaarschrift ingediend.
  • Gemachtigde heeft bij brief van 2 december 2024 het bezwaarschrift aangevuld.
  • UHT heeft op 19 maart 2025 schriftelijk gereageerd op het bezwaarschrift.
  • Op 9 maart 2026 heeft UHT een aanvullende beschouwing ingediend.
  • Op 12 maart 2026 heeft een hoorzitting plaatsgevonden. Van de hoorzitting is een verslag gemaakt, dat achter het advies is gevoegd.
  • UHT heeft, daartoe door de Commissie ter zitting verzocht, op 12 maart 2026 een nadere schriftelijke reactie ingediend. Gemachtigde heeft op 31 maart 2026 daarop gereageerd.
  • Dit advies wordt uitgebracht door de voorzitter en twee commissieleden.

Ontvankelijkheid

Niet in geschil is dat het bezwaarschrift ontvankelijk is.

Overwegingen ten aanzien van de bezwaren en het bestreden besluit

Motiverings- en zorgvuldigheidsbeginsel

Belanghebbende betoogt dat het bestreden besluit onvoldoende is gemotiveerd en onvoldoende zorgvuldig tot stand is gekomen. Voor zover het bestreden besluit onzorgvuldig is voorbereid of gemotiveerd, kan UHT naar het oordeel van de Commissie de gebreken herstellen aan de hand van wat daarover in haar beschouwing is opgemerkt.

Toeslagjaren 2005 tot en met september 2017
Belanghebbende stelt dat zij wel degelijk KOT heeft aangevraagd in de toeslagjaren 2005 tot en met september 2017.

Op grond van artikel 2.1 lid 1 Wht wordt compensatie toegekend aan de aanvrager van KOT. Vast staat dat belanghebbende in de periode 2005 tot en met september 2017 geen KOT heeft aangevraagd. Omdat belanghebbende geen KOT heeft aangevraagd, voldoet zij niet aan het vereiste genoemd in artikel 2.1 lid 1 Wht en komt zij niet in aanmerking voor compensatie op grond van deze herstelmaatregel. Daarom adviseert de Commissie UHT om het bezwaar van belanghebbende ongegrond te verklaren.

Toeslagjaren 2017, 2018 en 2019
Belanghebbende stelt dat zij in de toeslagjaren 2017, 2018 en 2019 te weinig KOT heeft ontvangen. Belanghebbende verzoekt onder meer om een aanpassing van de hoogte van de KOT over deze toeslagjaren zoals deze indertijd definitief is vastgesteld.

De Wht is bedoeld voor herstel van vooringenomen handelen, hardheid of een onterechte O/GS-kwalificatie. De Wht heeft geen betrekking op de herziening van definitieve KOTbesluiten. Een beoordeling daarvan valt dus buiten de reikwijdte van de Wht. De Commissie adviseert UHT daarom om dit onderdeel van het bezwaar ongegrond te verklaren.

De Commissie merkt voorts op dat het bezwaar van belanghebbende betrekking heeft op handelingen van B/T dan wel besluiten die zijn genomen na 23 oktober 2019. Op grond van artikel 2.1, lid 1, Wht kan alleen compensatie worden verleend indien vóór 23 oktober 2019 sprake is geweest van institutionele vooringenomenheid of hardheid van de toepassing van het wettelijke systeem.
De Commissie is niet bevoegd om te oordelen over handelingen die zich na die datum hebben voorgedaan, tenzij die handelingen causaal verband houden met vooringenomen handelingen van vóór die datum.

Uit het bezwaardossier blijkt dat op 27 december 2018 een eerste voorschotbeschikking is afgegeven waarin is vastgesteld dat belanghebbende recht heeft op KOT ter hoogte van € 14.848. Tot 23 oktober 2019 heeft één neerwaartse bijstelling van het voorschot plaatsgevonden. Uit informatie van het digitale burgerportaal blijkt dat belanghebbende zelf op 21 juni 2019 een wijziging heeft doorgegeven. Ook heeft belanghebbende op 2 juli 2019 telefonisch informatie doorgegeven aan B/T over het aantal opvanguren en het uurtarief. Hierdoor is de KOT neerwaarts bijgesteld naar een bedrag van € 12.236. Vervolgens heeft B/T twee uitvraagbrieven met identieke adressering naar belanghebbende verzonden, op respectievelijk 25 juni 2020 en 12 september 2020. Belanghebbende heeft niet aangetoond dat zij niet op dit adres stond ingeschreven op het moment dat UHT de brieven verstuurde. In het systeem van de UHT is geen reactie op deze brieven teruggevonden. Belanghebbende heeft bovendien niet kunnen aantonen dat zij wél heeft gereageerd op deze brieven.
Op basis hiervan is de KOT op 3 mei 2021 neerwaarts bijgesteld. Van vooringenomen handelen door de B/T is voor de periode tot 23 oktober van het toeslagjaar 2019 geen sprake. Ook is niet gebleken dat het besluit van 3 mei 2023 voor het toeslagjaar 2019 verband houdt met vooringenomen handelingen die dateren van vóór 23 oktober 2019. Gelet op deze feiten, voldoet belanghebbende niet aan de voorwaarden om als gedupeerde in de zin van artikel 2.1 Wht te worden aangemerkt. De Commissie adviseert  UHT daarom om dit onderdeel van het bezwaar ongegrond te verklaren.

Proceskostenvergoeding
Belanghebbende heeft verzocht om toekenning van een proceskostenvergoeding conform het Besluit proceskosten bestuursrecht. Aangezien het bezwaar naar het oordeel van de Commissie ongegrond is, adviseert de Commissie om geen proceskosten toe te kennen.

Conclusie

Samengevat adviseert de Commissie om het bezwaar ongegrond te verklaren, het bestreden besluit in stand te laten en het verzoek tot toekenning van een proceskostenvergoeding af te wijzen.

[handtekening]

Secretaris

[handtekening]

Fungerend voorzitter